RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam 1] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.12049
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. A.P.E.M. Pover)
en
(gemachtigde: mr. R.R. de Groot).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 25 februari 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. Bij dit besluit is evenmin een verblijfsvergunning regulier of uitstel van vertrek om medische redenen verleend. Verder heeft de minister in dit besluit eiser geen verblijfsvergunning regulier op grond van het buitenschuldbeleid voor AMV verleend en wordt eiser opgedragen binnen vier weken naar Syrië te vertrekken.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 15 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, bijgestaan door een tolk, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij is geboren in [naam 2] , een dorp in de buurt van Manbij. In 2016 heeft hij, samen met zijn moeder, broertje en zusje, Syrië vanwege de onveilige situatie verlaten en is naar Turkije vertrokken. Bij een mogelijke terugkeer vreest hij voor de onveilige situatie in Syrië. In zijn dorp is het onveilig vanwege de mijnen. Hij kan ook niet in een ander deel van Syrië gaan wonen omdat het overal onveilig is en omdat IS aan het terugkeren is. Bovendien vreest hij gediscrimineerd te worden door de Koerden. Eiser vreest door hen gerekruteerd te worden.
Het bestreden besluit
3. Het asielrelaas bevat volgens de minister het volgende asielmotief: eisers identiteit, nationaliteit en herkomst.
De minister gelooft eiser in zijn gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst.
Volgens de minister kan eiser echter geen geslaagd beroep doen op het Vluchtelingenverdrag. Eiser heeft de door hem gestelde discriminatie door de Koerden niet aannemelijk gemaakt; ook is niet gebleken dat hij als gevolg van discriminatie werd beperkt in zijn bestaansmogelijkheden waardoor het voor hem onmogelijk was om op maatschappelijk en sociaal gebied te kunnen functioneren. Verder komt uit openbare landeninformatie niet naar voren dat Arabieren in Koerdisch gebied met discriminatie te maken krijgen.
De minister gaat er evenmin vanuit dat eiser bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij te vrezen heeft om gerekruteerd te worden door IS of andere groeperingen omdat de macht in eisers woonplaats in handen is van de regering van president Al Sharaa. Daarbij is eisers vrees louter gebaseerd op vermoedens. Van indicaties dat IS of andere groeperingen eiser zouden willen rekruteren, is niet gebleken. Voorts stelt de minister zich op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Syrië een reëel risico loopt op ernstige schade als gevolg van willekeurig geweld. De minister neemt voor heel Syrië aan dat er sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Dit betekent dat eiser aan de hand van zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden aannemelijk moet maken dat hij een reëel risico loopt. Hier is eiser niet in geslaagd. Volgens de minister heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat eisers dorp onbewoonbaar is geworden door de mijnen.
De verwijzing naar de zienswijze
4. Eiser wijst erop dat al wat hij in de zienswijze heeft aangevoerd, als herhaald en ingelast moet worden beschouwd in dit beroep.
De rechtbank overweegt dat de enkele verwijzing naar de zienswijze onvoldoende is om punten uit de zienswijze te kunnen aanmerken als beroepsgrond(en) waar de rechtbank op in dient te gaan. De minister is in het bestreden besluit gemotiveerd ingegaan op de zienswijze van eiser. Het is daarom aan eiser om aan te geven waarom de reactie van de minister op de zienswijze in het bestreden besluit niet juist of niet toereikend is. Deze algemene stelling van eiser is daarvoor onvoldoende. De rechtbank richt zich bij de beoordeling van het beroep dan ook alleen op wat eiser concreet tegen het besluit heeft aangevoerd en zal dit hierna beoordelen.
Veiligheidssituatie in Syrië
5. Eiser betoogt in het kader van de zwaarwegendheid onder meer dat hij bij terugkeer te vrezen heeft vanwege de algemene veiligheidssituatie in Syrië en dan met name de regio rond Manbij waar eiser uit afkomstig is. Eiser stelt dat de minister ten onrechte is uitgegaan van een relatief laag niveau van willekeurig geweld en de humanitaire omstandigheden in die regio niet kennelijk heeft betrokken bij zijn artikel 15c beoordeling. Niet ter discussie staat dat de huidige situatie uiterst volatiel en onzeker is en dat, zoals in de nota landenbeleid Syrië van 4 juni 2025 staat aangegeven, niet goed valt in te schatten hoe de situatie zich verder zal ontvouwen. Eiser geeft aan dat de situatie is verergerd door de bombardementen van Israël op stellingen in Syrië als gevolg van de oorlog tegen Iran. De minister had dan ook dienen te onderzoeken in welke mate de huidige humanitaire omstandigheden veroorzaakt zijn en/of in stand worden gehouden door het handelen en/of het nalaten van de partijen die momenteel nog actief zijn in het gewapende conflict. Ook is de minister ten onrechte niet ingegaan op hetgeen eiser in de zienswijze heeft aangevoerd met betrekking tot de geweldshandelingen en ernstige geweldsincidenten die plaatsvinden in de regio Manbij. In dit kader verwijst eiser ook naar het arrest Sufi en Elmi van het Hof van 28 juni 2011.
6. Deze beroepsgrond slaagt.
Op 11 december 2025 heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, geoordeeld dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat in Syrië op dit moment sprake is van de laagste gradatie van willekeurig geweld. De rechtbank heeft in die uitspraak geoordeeld dat ook humanitaire omstandigheden die direct of indirect het gevolg zijn van het handelen of nalaten van een actor die partij is geweest bij een gewapend conflict, moeten worden betrokken in de beoordeling. Dit oordeel is herhaald in meer uitspraken van deze rechtbank, waaronder die van 4 februari 2026 en 25 maart 2026.
De rechtbank ziet in deze zaak geen aanleiding om anders te oordelen over het standpunt van de minister over willekeurig geweld in Syrië dan in de uitspraak van 11 december 2025 is gedaan. Hoewel een deel van die uitspraak is gewijd aan de regio Homs, is het merendeel van de uitspraak van toepassing op de algemene veiligheidssituatie in heel Syrië. De uitspraak is dus ook van toepassing op Manbij, waar eiser naar moet terugkeren. De minister heeft daarom naar het oordeel van de rechtbank zijn standpunt over de veiligheidssituatie in Syrië onvoldoende gemotiveerd. Daardoor is onvoldoende duidelijk of eiser een risico op ernstige schade loopt bij terugkeer naar Syrië. De rechtbank kan zonder een goed gemotiveerd standpunt over de veiligheidssituatie in Syrië ook niet beoordelen welke individuele omstandigheden een reëel risico op ernstige schade kunnen meebrengen. De verwijzing van de minister naar het Algemeen Ambtsbericht Syrië van januari 2026 leidt niet tot een ander oordeel. De minister is met deze verwijzing namelijk ook niet of onvoldoende kenbaar ingegaan op alle omstandigheden die de rechtbank gelet op de eerdergenoemde uitspraak van 11 december 2025 van belang vindt in het kader van de beoordeling van de algemene veiligheidssituatie in Syrië. Dat de minister hoger beroep heeft ingesteld tegen de uitspraak van 11 december 2025 leidt ook niet tot een ander oordeel, omdat nog geen uitspraak op het hoger beroep is gedaan.
Conclusie en gevolgen
7. Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit als geheel. Daarmee is ook het terugkeerbesluit vernietigd.
De rechtbank ziet gelet op het voorgaande geen reden om de andere beroepsgronden die op de zwaarwegendheid betrekking hebben te beoordelen en laat deze onbesproken. Ook zal de rechtbank de beroepsgronden betreffende het buiten schuld beleid niet beoordelen. De standpunten van de minister hierover staan met het doen van deze uitspraak dus niet in rechte vast. De minister dient een nieuw besluit op de asielaanvraag te nemen met inachtneming van deze uitspraak. De minister dient bij het nemen van het nieuwe besluit een geheel nieuwe beoordeling ex nunc te maken en wederom te beslissen op de andere onderdelen van het vernietigde besluit.
8. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister dient aan eiser de proceskosten te vergoeden tot een bedrag van € 1.868,- ( een punt voor het beroepschrift en een punt voor het verschijnen ter zitting)
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 25 februari 2026;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen, met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van
mr. P.C.J. Lindeijer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.