ECLI:NL:RBDHA:2026:27852

ECLI:NL:RBDHA:2026:27852

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 23-09-2026
Datum publicatie 23-09-2026
Zaaknummer NL26.14777
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Syrië / eerwraak / vrees voor vervolging of reëel risico op ernstige schade / ongegrond

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

de minister van Asiel en Migratie, de minister

Samenvatting

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.14777

geboren op [geboortedatum] ,

van Syrische nationaliteit,

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. Z.M. Alaca)

en

(gemachtigde: mr. L. Drenthe).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 16 maart 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond en heeft daarnaast een terugkeerbesluit opgelegd.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De rechtbank heeft het beroep op 4 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas

3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij vanwege de oorlog in 2014 uit Syrië naar Turkije is vertrokken en dat hij in 2024 naar Nederland gereisd. Eiser wordt bedreigd door zijn schoonfamilie en vreest dat zijn schoonfamilie hem vanwege eerwraak wil vermoorden. Hij is namelijk in 2016 in Turkije zonder toestemming van zijn schoonfamilie met zijn vrouw getrouwd. Verder vreest hij bij terugkeer naar Syrië voor (in)formele rekrutering, represailles en willekeurige detentie door verschillende machtsgroepen, te weten de aanhangers van het oude regime en van IS.

Het bestreden besluit

4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:

De minister stelt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig zijn. De bedreigingen door de schoonfamilie vindt hij niet geloofwaardig.

De minister vindt dat de verklaringen van eiser over de problemen met de schoonfamilie geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Eiser weet namelijk niet waarom of door wie zijn aanzoek is afgewezen. Ook heeft hij tegenstrijdige en wisselende verklaringen afgelegd over de bedreigingen en heeft hij onlogische verklaringen afgelegd over de reden waarom zijn schoonfamilie hem niet in Turkije kon vinden. De vrees voor militaire dienst, de vrees voor overblijfselen van het oude regime en de vrees voor de overblijfselen van IS zijn alleen op zwaarwegendheid getoetst. De minister vindt dat eiser geen reëel risico op ernstige schade loopt. Verder neemt de minister voor heel Syrië, waaronder de provincie Aleppo, aan dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. De minister vindt dat eiser geen individuele gronden heeft aangedragen die aangemerkt kunnen worden als risicoverhogende omstandigheden. Verder spelen de humanitaire omstandigheden geen doorslaggevende rol in de beoordeling van de gradatie van artikel 15, aanhef en onder c van de Kwalificatierichtlijn en zijn deze ook niet zodanig dat terugkeer leidt tot een schending van artikel 3 van het EVRM.

De geloofwaardigheid van de problemen met de schoonfamilie

5. Eiser vindt dat de minister de problemen met de schoonfamilie ten onrechte niet als geloofwaardig aanmerkt. Hij voert hiertoe een aantal argumenten aan. De rechtbank bespreekt deze hieronder.

Het huwelijksaanzoek

Eiser voert aan dat zijn verklaringen over het niet weten waarom of door wie het huwelijksaanzoek is afgewezen, ten onrechte als niet samenhangend en onvoldoende aannemelijk worden beoordeeld. Eiser stelt dat hij wel geprobeerd heeft navraag te doen bij de broer van zijn vrouw over de reden van weigering, maar dat hierover geen duidelijke toelichting werd gegeven. Dit is verklaarbaar vanuit de Syrische culturele context, waarin beslissingen over huwelijken vaak collectief en zonder openheid worden genomen. Wisselende of onvolledige kennis over interne familieprocessen is in Syrië niet ongebruikelijk.

De rechtbank overweegt dat eiser niet betwist dat hij op het punt van het huwelijksaanzoek wisselend heeft verklaard. Hij heeft namelijk eerst verteld dat zijn schoonouders het huwelijk hebben geweigerd, terwijl hij later heeft verklaard dat hij niet weet wie het huwelijk heeft geweigerd. De minister heeft juist deze omstandigheid betrokken bij zijn beoordeling van de geloofwaardigheid van de bedreigingen. De rechtbank is van oordeel dat de minister hieraan belang heeft kunnen hechten, aangezien het gebrek aan toestemming voor het huwelijk een belangrijk onderdeel is van eisers verzoek om bescherming. Ook als de algemene stelling van eiser gevolgd wordt dat het vanuit de Syrische context verklaarbaar is dat over familieprocessen weinig openheid is, verklaart dat niet dat eiser wisselend is over het geweigerde huwelijksaanzoek.

De bedreigingen

Eiser vindt daarnaast dat zijn verklaringen over de problemen met zijn schoonfamilie niet wezenlijk tegenstrijdig zijn. Daarbij is van belang dat zijn kennis over het zoeken door de schoonfamilie grotendeels indirect is en gebaseerd is op wat hij via familieleden in Syrië hoorde en niet op eigen waarneming. De manier van antwoorden past binnen het patroon dat asielzoekers onder stress en bij herhaalde, gedetailleerde ondervraging niet altijd direct het volledige verloop kunnen schetsen. Eiser heeft zijn verklaringen op bepaalde punten aangevuld. Dat maakt de verklaringen niet tegenstrijdig. Bovendien heeft eiser consistent verklaard over de dreiging van eerwraak en de omvang van de stam van zijn schoonfamilie.

De rechtbank is van oordeel dat de minister eiser terecht tegenwerpt dat hij tegenstrijdige verklaringen over de bedreigingen en de frequentie daarvan heeft afgelegd die niet enkel als aanvullingen van eerdere antwoorden zijn aan te merken. Dat eiser op andere punten eenduidig heeft verklaard, doet hieraan niet af. De rechtbank volgt het standpunt van de minister dat niet valt in te zien op welke manier het gehoor of stress op deze tegenstrijdige verklaringen van invloed is geweest.

Niet gevonden in Turkije

Tot slot betoogt eiser dat zijn verklaringen over de reden waarom zijn schoonfamilie hem niet in Turkije kon vinden niet onlogisch zijn. Het is in de Syrische context, waarin familieconflicten gevoelig liggen en communicatie beperkt kan zijn, niet ongebruikelijk dat dergelijke details niet worden uitgewisseld. Bij de tribale context van Syrië past verder dat de ooms van eiser tot 2023 vaak zijn bezocht door zijn schoonfamilie. Dit is daarom niet onaannemelijk.

De rechtbank is van oordeel dat de minister de verklaringen waarom de schoonfamilie eiser niet in Turkije kon vinden op goede gronden onlogisch kon bevinden. De rechtbank kan de reactie volgen die de minister op dit argument heeft gegeven. Hierbij neemt de rechtbank, evenals de minister heeft gedaan, in aanmerking dat eiser niet concreet heeft gemaakt hoe de gespannen familieverhoudingen of de tribale context hierop van invloed zijn geweest.

Tussenconclusie

Gelet op het voorgaande, in samenhang beschouwd, is de rechtbank van oordeel dat de minister de problemen met de schoonfamilie op goede gronden als ongeloofwaardig aanmerkt.

Vrees voor vervolging of reëel risico op ernstige schade

Persoonlijke vrees

6. Eiser voert aan dat hij vreest voor represailles door overblijfselen van het oude regime vanwege zijn familieachtergrond van opposanten en de bekendheid van persoonsgegevens bij de voormalige autoriteiten. Hierbij wijst hij op de aanhoudende instabiliteit in Syrië.

De rechtbank is van oordeel dat de minister zich goed gemotiveerd op het standpunt stelt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij persoonlijk voor represailles van het oude regime te vrezen heeft. Daarbij kan de minister betrekken dat niet is gebleken dat eisers familieleden prominente opposanten waren en dat zij na een periode van twaalf jaren nog in de belangstelling van leden van het oude regime zouden staan. Alhoewel in het algemeen ambtsbericht wordt benoemd dat geweldsincidenten door aanhangers van het vorige regime in Syrië voorkomen, volgt hieruit niet dat (familieleden van) voormalige opposanten in het bijzonder voor vervolging te vrezen hebben.

15c-situatie

Eiser voert daarnaast aan dat hij vreest voor informele rekrutering en willekeurige detentie door verschillende machtsgroepen. Hij wijst op de onvoorspelbare en aanhoudende instabiliteit in Syrië. Eiser vindt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat in Syrië, en dan specifiek in Aleppo, sprake is van de laagste gradatie van willekeurig geweld. De minister heeft de humanitaire omstandigheden die het gevolg zijn van het langdurige gewapend conflict hierbij ten onrechte niet betrokken. Daarbij is niet van belang of deze (mede) veroorzaakt zijn door het Assad-regime. Ter onderbouwing van de ernstige humanitaire situatie wijst eiser op het algemeen ambtsbericht en op een artikel van het Rode Kruis van 10 februari 2026, waaruit volgens eiser een toename van geweldsincidenten blijkt. Ook is geen rekening gehouden met het individuele risico van eiser op ernstige schade dat wordt vergroot door zijn situatie van eerwraak en zijn oppositie-achtergrond.

De rechtbank overweegt dat de meervoudige kamer van deze zittingsplaats op

9 december 2025 al een oordeel heeft gegeven over de gradatie van willekeurig geweld in Syrië. In die uitspraak heeft de rechtbank geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de minister de situatie in Syrië ten onrechte heeft gekwalificeerd als een 15c-situatie in de laagste gradatie. De rechtbank ziet in wat eiser in deze zaak heeft aangevoerd geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. De minister heeft uit het meest recente algemeen ambtsbericht terecht geconcludeerd dat het aantal geweldsincidenten in Syrië flink is gedaald en het aantal burgerdoden is afgenomen. Deze dalende trend van geweldsincidenten is ook in Aleppo te zien. Uit dit ambtsbericht blijkt dat het grootste gedeelte van de provincie Aleppo onder controle staat van de overgangsregering. Daarbij heeft in de periode van 6 januari tot 11 januari 2026 een korte geweldsopleving plaatsgevonden, waarbij de gevechten tussen veiligheidstroepen van de overgangsregering en de SDF oplaaiden. Op deze al beëindigde situatie lijkt het door eiser overgelegde artikel van het Rode Kruis eveneens te zien. Uit het ambtsbericht blijkt verder dat het aantal incidenten met ontplofbare oorlogsresten is afgenomen en er worden maatregelen genomen met betrekking tot mijnen. In de verslagperiode was sprake van ontheemding in Aleppo, maar het is niet duidelijk in hoeverre dit verband hield met conflictgerelateerd geweld. In de verslagperiode keerden ook meer dan 780.334 binnenlands ontheemden terug naar hun oorspronkelijke woonplaats in Aleppo. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat de minister tot de conclusie kon komen dat in Syrië sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat de minister deze conclusie ook deugdelijk heeft gemotiveerd. Dat betekent dat geen sprake is van een zodanige mate van willekeurig geweld dat iemand door zijn enkele aanwezigheid in het gebied al een reëel risico loopt op ernstige schade.

Ten aanzien van het meewegen van humanitaire omstandigheden verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de zittingsplaats Arnhem, van 19 mei 2026. Hierin heeft de rechtbank overwogen dat humanitaire omstandigheden die in een te ver verwijderd verband staan met het willekeurig geweld of die in hoofdzaak zijn veroorzaakt door een niet-strijdende actor, niet hoeven te worden betrokken bij de globale beoordeling van de gradatie van geweld. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat de slechte humanitaire omstandigheden, zoals beschreven in de ambtsberichten over Syrië en het door eiser genoemde artikel van het Rode Kruis, in overwegende mate het gevolg zijn van handelen van het Assad-regime dat geen actor meer is in het huidige gewapende conflict. Weliswaar kan ook het handelen van de nog actieve partijen invloed hebben op de humanitaire situatie, maar uit de landeninformatie volgt niet dat de huidige slechte humanitaire omstandigheden in hoofdzaak worden veroorzaakt of in stand gehouden door die partijen. Integendeel, uit de informatie blijkt dat de slechte humanitaire situatie in belangrijke mate wordt bepaald door een samenloop van factoren, waaronder langdurige economische ontwrichting, bestuurlijke en institutionele verzwakking, economische sancties, gebrekkige wederopbouw en de algemene staat van de infrastructuur na jaren van conflict. De slechte humanitaire omstandigheden zijn dus niet in overwegende mate te herleiden tot het actuele willekeurige geweld. Eiser heeft ook niet gesteld dan wel inzichtelijk gemaakt waaruit volgt dat de op dit moment actieve partijen in het gewapend conflict de slechte humanitaire situatie in Syrië, en in het bijzonder in de provincie Aleppo, veroorzaken of in stand houden. Gelet hierop heeft de minister de humanitaire omstandigheden buiten beschouwing mogen laten bij de vaststelling van de gradatie van het willekeurig geweld.

Daarnaast oordeelt de rechtbank dat eiser er niet in is geslaagd om met persoonlijke omstandigheden te onderbouwen dat er, ondanks het lagere niveau van willekeurig geweld, in zijn individuele geval toch sprake is van een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer als gevolg van het willekeurig geweld. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de door eiser aangevoerde omstandigheden met zijn schoonfamilie als niet geloofwaardig zijn aangemerkt. Verder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer een significant verhoogd risico op willekeurig geweld loopt ten opzichte van andere personen vanwege zijn oppositie-achtergrond.

De humanitaire situatie en art. 3 EVRM

Eiser betoogt verder dat terugkeer in strijd is met artikel 3 van het EVRM, omdat hij in Syrië terecht zal komen in zeer slechte humanitaire omstandigheden.

De rechtbank is van oordeel dat de minister zich deugdelijk en voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat niet is gebleken dat in Syrië sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden waarin de humanitaire situatie zich tegen uitzetting verzet. Hoewel de humanitaire situatie slecht en complex is, is de rechtbank niet gebleken dat in Syrië, en de provincie Aleppo in het bijzonder, sprake is van dergelijke zeer uitzonderlijke omstandigheden.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond en heeft aan eiser een terugkeerbesluit mogen opleggen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Dijkstra, rechter, in aanwezigheid van mr. P.C.J. Lindeijer, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

Deze uitspraak is openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. A. Dijkstra

Griffier

  • mr. P.C.J. Lindeijer

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand