[opposant 1] en [opposant 2], opposanten
V-nummers: [V-nummer 1] en [V-nummer 2]
(gemachtigde: [gemachtigde]),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 11 mei 2026 in het geding tussen
opposanten
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Inleiding
1. Deze uitspraak op het verzet van opposanten gaat over de uitspraak van de rechtbank van 11 mei 2026 waarin de rechtbank het beroep van opposanten na vereenvoudigde behandeling (kennelijk) ongegrond heeft verklaard.
2. De verzetsrechter heeft het verzet op 10 september 2026 op zitting behandeld. Opposanten en hun gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.
Beoordeling door de verzetsrechter
3. De verzetsprocedure is geen nieuwe inhoudelijke behandeling van het beroep. Artikel 8:54 van de Awb biedt de mogelijkheid tot vereenvoudigde afdoening van het beroep als het eindoordeel in de zaak buiten redelijke twijfel staat. De verzetsrechter beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 11 mei 2026 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep ongegrond is. Hij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden wordt pas weer toegekomen als het verzet gegrond is.
4. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak van 11 mei 2026 het beroep van opposanten ‘kennelijk’ ongegrond verklaard. Het beroep was gericht tegen het niet in behandeling nemen van hun asielaanvragen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. De rechtbank heeft geoordeeld dat verweerder de asielaanvragen terecht niet in behandeling heeft genomen, omdat opposanten niet aannemelijk hebben gemaakt dat verweerder ten aanzien van Duitsland niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan en dat er in het geval van opposanten niet is gebleken van bijzondere, individuele omstandigheden op grond waarvan verweerder had moeten besluiten om de asielaanvragen onverplicht in behandeling te nemen.
5. Opposanten hebben in verzet aangevoerd dat de rechtbank hun beroep niet zonder zitting had mogen afdoen. Opposanten hadden met eigen ogen willen zien dat het bestreden besluit door een rechter wordt getoetst.
6. De verzetsrechter komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Wat opposanten in verzet hebben aangevoerd, leidt niet tot twijfel over het oordeel van de rechtbank dat het beroep kennelijk ongegrond is. Dat opposanten niet over hun beroepsgronden zijn gehoord op een zitting, wil niet zeggen dat de uitspraak van de rechtbank op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen of dat opposanten geen effectief rechtsmiddel in handen hebben gehad.
Conclusie en gevolgen
7. Het verzet is ongegrond. De uitspraak van 11 mei 2026 blijft in stand.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 22 september 2026 door mr. M.L. Weerkamp, verzetsrechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op: