ECLI:NL:RBDHA:2026:27917

ECLI:NL:RBDHA:2026:27917

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 22-09-2026
Datum publicatie 24-09-2026
Zaaknummer NL26.12435
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

asiel – bnt – gegrond – geldigheid IGS - besluitmoratorium

Uitspraak

[eiser], eiser,

V-nummer: [V-nummer],

(gemachtigde: mr. P.H. Hillen),

en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: [gemachtigde]).

Inleiding

Eiser heeft op 5 maart 2026 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag.

De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

Heeft eiser een geldige ingebrekestelling ingediend?

1. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld. Het beroepschrift kan worden ingediend als het bestuursorgaan niet tijdig een besluit heeft genomen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen. De geldigheid van de ingebrekestelling, en daarmee de ontvankelijkheid van het beroep, is in deze zaak in geschil.

2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het beroep niet-ontvankelijk is. Verweerder stelt dat de ingebrekestelling prematuur is ingediend. Daarnaast is de ingebrekestelling ongeldig, aangezien deze naar het verkeerde e-mailadres is verstuurd. Verweerder heeft namelijk nadere eisen gesteld aan het indienen van een ingebrekestelling langs de elektronische weg: de aangewezen weg is via ‘veilig mailen’ op de website naar ingebrekestelling@ind.nl. Op 26 januari 2026 heeft eiser een ingebrekestelling per e-mail verstuurd naar het e-mailadres uw.stukken.opsturen@ind.nl. Op 28 januari 2026 is de ontvangst daarvan door verweerder bevestigd. In die brief is verwezen naar de procedure voor het juist indienen van een ingebrekestelling.

3. Een bericht dat deel uitmaakt van een procedure over een besluit, zoals een ingebrekestelling, kan ook elektronisch aan een bestuursorgaan worden verzonden. Daaraan kan een bestuursorgaan nadere eisen stellen. Indien een bericht niet is verzonden op de voor dat bericht aangewezen wijze, kan een bestuursorgaan ermee volstaan de afzender te wijzen op de juiste wijze van verzending, tenzij het bestuursorgaan het bericht zonder nadere bewerking kan behandelen als ware het op de juiste wijze ingediend.

4. Niet in geschil is dat eiser de ingebrekestelling niet naar het aangewezen e-mailadres heeft verzonden. De rechtbank stelt vast dat verweerder bij brief van 28 januari 2026 de ontvangst van de ingebrekestelling uitdrukkelijk heeft bevestigd. Daarin is slechts algemeen gewezen op de procedure voor het indienen van een ingebrekestelling. In de ontvangstbevestiging is niet vermeld dat de ingebrekestelling van eiser daadwerkelijk ongeldig was. Bovendien is de rechtbank van oordeel dat uit de ontvangstbevestiging volgt dat verweerder het bericht zonder nadere bewerking kan behandelen als ware het op de juiste wijze ingediend. Verweerder kan derhalve niet van eiser verlangen dat hij de ingebrekestelling nogmaals, op andere wijze, verstuurt.

5. De rechtbank is daarmee van oordeel dat de ingebrekestelling van 26 januari 2026 geldig is en onderdeel uitmaakt van het dossier. Meer dan twee weken later, op 5 maart 2026, heeft eiser beroep ingesteld. Hiermee is voldaan aan de eisen van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.

Is het beroep van eiser ontvankelijk en gegrond?

6. Verweerder heeft onderzocht of de asielaanvraag van eiser niet in behandeling moet worden genomen omdat een andere lidstaat van de Europese Unie daarvoor verantwoordelijk is zoals bedoeld in de Dublinverordening. Artikel 42, zesde lid, van de Vw bepaalt dat de beslistermijn in dergelijke gevallen aanvangt op het moment waarop is komen vast te staan dat Nederland verantwoordelijk is of zal worden voor de behandeling van de asielaanvraag. Dat moment is in ieder geval aangebroken wanneer de in de Dublinverordening neergelegde uiterste overdrachtstermijn is verstreken. Dat moment kan zich echter ook eerder voordoen, bijvoorbeeld als verweerder zelf eerder besluit om de asielaanvraag aan zich te trekken of als door feiten of omstandigheden blijkt dat de verantwoordelijkheid vanaf een bepaald moment aan Nederland behoort of zal gaan behoren.

7. In de memo nationale procedure heeft verweerder meegedeeld dat eiser wordt toegelaten tot de nationale procedure omdat door verweerder is besloten om geen claimverzoek in de dienen bij de Italiaanse autoriteiten. Volgens verweerder is Nederland op 9 oktober 2024 in beginsel verantwoordelijk geworden voor de behandeling van eisers asielaanvraag. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 26 april 2023 echter geoordeeld dat verweerder ten aanzien van Italië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. Dit betekent dat het vanaf 26 april 2023 voor verweerder duidelijk was, of had moeten zijn, dat een overdracht van eiser aan Italië niet mogelijk was, en dat hij verantwoordelijk is geworden voor de behandeling van eisers asielaanvraag.

8. Op grond van artikel 42, eerste lid, van de Vw moet er binnen zes maanden op een asielaanvraag worden beslist. Gelet op wat hierboven is overwogen, vangt deze beslistermijn in het geval van eiser aan op de dag van de indiening van zijn asielaanvraag op 12 september 2024. Voor zover verweerder onderzoek in het kader van de Dublinverordening bij de Italiaanse autoriteiten heeft verricht, vormde dat dus geen reden om op grond van artikel 42, zesde lid, van de Vw de beslistermijn te verlengen.Gelet hierop is verweerder al vanaf het moment dat eiser zijn asielwens kenbaar heeft gemaakt verantwoordelijk voor de behandeling van de aanvraag.

9. Eiser stelt dat hij de Syrische nationaliteit heeft. Op grond van artikel 2 van het Besluit tot instelling van het besluitmoratorium werd de beslistermijn, bedoeld in artikel 42 van de Vw, voor asielaanvragen van uit Syrië afkomstige vreemdelingen op grond van artikel 43, eerste lid, van de Vw verlengd met één jaar tot ten hoogste eenentwintig maanden. Niet is gebleken dat eiser valt onder één van de in artikel 4 van het Besluit tot instelling van het besluitmoratorium genoemde categorieën die uitgesloten zijn van de werking van het besluitmoratorium. Dit besluitmoratorium gold van 14 december 2024 tot en met 13 juni 2025. Het gevolg is dat de beslistermijn was opgeschort voor de duur van het besluitmoratorium. Daarom is de beslistermijn van eiser geëindigd op 10 september 2025. Daarmee is de ingebrekestelling van 26 januari 2026 niet prematuur ingediend. Het beroep is ontvankelijk en gegrond.

Binnen welke termijn moet verweerder alsnog een besluit nemen?

10. Er is sprake van bijzondere omstandigheden, de uiterste termijn van 21 maanden zoals genoemd in artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn is overschreden op 12 juni 2026. De rechtbank ziet daarom aanleiding om verweerder op te dragen zo snel mogelijk op de asielaanvraag te beslissen, maar uiterlijk twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak.

Is er aanleiding om een rechterlijke dwangsom op te leggen?

11. Op grond van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb bepaalt de rechtbank dat verweerder een dwangsom van € 50,- aan eisers verbeurt voor elke dag waarmee deze termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-.

Is er aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser?

12. In de gegrondverklaring van het beroep ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eisers gemaakte proceskosten. De proceskosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 467,-, bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en vermenigvuldigd met wegingsfactor 0,5 (licht). De rechtbank is van oordeel dat de wegingsfactor ‘licht’ van toepassing is aangezien het beroep alleen ziet op het niet tijdig nemen van een besluit.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;

- draagt verweerder op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit bekend te maken met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 50 verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467.

Deze uitspraak is gedaan op 22 september 2026 door mr. A.J. de Danschutter, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Strik, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. A.J. de Danschutter

Griffier

  • mr. M. Strik

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand