RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.42800
V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. R.W. Koevoets),
en
Procesverloop
Bij besluit van 28 juli 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
Overwegingen
1. Eiser is geboren op [datum] 1993 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Bij het bestreden besluit is aan eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd, waarbij hem een vertrektermijn is onthouden. Daarnaast is aan eiser een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar.
2. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert daartegen aan dat zijn visum slechts recentelijk was verlopen en dat hij reeds onderweg was om het land te verlaten. Daarnaast voer eiser aan dat het inreisverbod voor de duur van twee jaar ongegrond is.
De rechtbank oordeelt als volgt.
3. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het terugkeerbesluit voldoende heeft gemotiveerd. Op grond van artikel 62a, eerste lid, van de Vw vaardigt verweerder een terugkeerbesluit uit aan een vreemdeling die niet of niet langer rechtmatig verblijf heeft en die niet valt onder een van de in dat artikellid genoemde uitzonderingen. Op grond van artikel 62, tweede lid, van de Vw, voor zover hier relevant, kan verweerder bepalen dat een vreemdeling Nederland onmiddellijk moet verlaten, wanneer het risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken of wanneer de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser ten tijde van het bestreden besluit niet rechtmatig in Nederland verbleef. Eiser heeft immers erkend dat zijn visum was verlopen. Verweerder was daarom gehouden tegen eiser een terugkeerbesluit uit te vaardigen.
4. In de beroepsgronden zijn overigens ook geen aanknopingspunten te vinden voor het oordeel dat aan eiser geen terugkeerbesluit mocht worden uitgevaardigd. De rechtbank ziet ambtshalve evenmin aanleiding voor het oordeel dat het terugkeerbesluit in strijd is met het beginsel van non-refoulement.
5. Op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw legt verweerder een inreisverbod op tegen de vreemdeling die Nederland op grond van artikel 62, tweede lid, van de Vw onmiddellijk moet verlaten. Eiser heeft geen feiten of omstandigheden gesteld die verweerder aanleiding hadden moeten geven tot het afzien van of verkorten van de duur van het inreisverbod. Het inreisverbod van twee jaar is voldoende gemotiveerd en op de juiste gronden opgelegd.
6. Gelet op het voorgaande heeft verweerder terecht tegen eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.
7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 23 september 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heeft een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.