uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van
[opposant] , opposant
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 30 mei 2025 in het geding tussen
opposant
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Inleiding
1. Deze uitspraak op het verzet van opposant gaat over de uitspraak van de rechtbank van 30 mei 2025 waarin de rechtbank het beroep van opposant gegrond heeft verklaard.
2. Opposant heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 30 mei 2025 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep gegrond is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
4. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5. Opposant voert aan dat de rechtbank in de uitspraak van 30 mei 2025 zich ten onrechte niet heeft gehouden aan het uitgangspunt van de uitspraken van 3 juli 2024 van de Afdeling van de Bestuursrechtsspraak (Afdeling), ECLI:NL:RVS:2024:2643 en ECLI:NL:RVS:2024:2644, bij het berekenen van het nadere beslistermijn. Verder verwijst opposant naar de uitspraak van de Afdeling van 21 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2337, in het kader van het opleggen van een nader beslistermijn van twintig weken zonder hier herstel van verzuimen of nader onderzoek als voorwaarde aan te verbinden.
6. De rechtbank volgt opposant niet in zijn standpunt. Voorop staat dat de rechtbank uitspraak zonder zitting mag doen als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. Dat was hier het geval. Het verzet ziet uitsluitend op de door de rechtbank geboden nadere beslistermijn zoals bedoeld in artikel 8:55d van de Algemene wet bestuursrecht. De nadere beslistermijn is in overeenstemming met de gedragslijn van deze zittingsplaats (zie bijvoorbeeld de uitspraken van 20 mei 2025 (ECLI:NL:RBROT:2025:6011), 16 juli 2025, (ECLI:NL:RBROT:2025:8510), en 21 augustus 2025, (ECLI:NL:RBROT:2025:10146)). De rechtbank is van oordeel dat hiermee toereikend is gemotiveerd waarom in dergelijke zaken een beslistermijn van twintig weken wordt gehanteerd. De omstandigheid dat opposant zich niet kan vinden in dat oordeel, leidt niet tot het oordeel dat het beroep niet zonder zitting kon worden afgedaan. De rechtbank concludeert dan ook dat het verzetschrift in feite een verkapt hoger beroepschrift is. Daarvoor is de verzetprocedure niet bedoeld.
Conclusie en gevolgen
7. Het verzet slaagt niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 30 mei 2025. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, rechter, in aanwezigheid van F.S. Ulrich, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: