uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van
[opposant] , opposant
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: A. Khalaf),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 11 september 2025 in het geding tussen
opposant
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Inleiding
1. Deze uitspraak op het verzet van opposant gaat over de uitspraak van de rechtbank van 11 september 2025 waarin de rechtbank het beroep van opposant niet-ontvankelijk heeft verklaard.
Opposant heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 11 september 2025 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
De uitspraak van 11 september 2025
4. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat de beslistermijn van verweerder ten tijde van het instellen van het beroep nog niet was verstreken, omdat met de toepassing van het besluit- en vertrekmoratorium voor vreemdelingen uit Syrië (het ‘besluitmoratorium’) de beslistermijn in de zaak van opposant op grond van artikel 43 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) tot 27 december 2025 werd verlengd.
Het verzet van opposant
5. Opposant stelt zich op het standpunt dat de rechtbank het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Volgens opposant had de rechtbank in de aangevallen uitspraak in plaats van slechts vaststellen dat het besluitmoratorium reeds was verlopen ex-nunc moeten toetsen en het beroep gegrond moeten verklaren. Daarnaast wijst opposant op uiteenlopende rechtspraak van verschillende rechtbanken over de gevolgen van het besluitmoratorium voor beroepen wegens niet tijdig beslissen. Ook doet opposant een beroep op het Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel en het beginsel van gelijke behandeling.
6. De rechtbank overweegt als volgt. Op 11 december 2024, in werking getreden op 14 december 2024, heeft verweerder een besluit- en vertrekmoratorium ingesteld voor vreemdelingen uit Syrië. Het besluitmoratorium houdt in dat de beslistermijnen van lopende asielaanvragen en van asielaanvragen die tijdens het moratorium worden ontvangen, worden verlengd met een jaar, tot maximaal 21 maanden na de asielaanvraag. Het besluitmoratorium is beëindigd op 14 juni 2025. In haar uitspraak van 28 april 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:11503) heeft deze rechtbank en zittingsplaats echter geoordeeld dat op grond van artikel 31, vierde lid, van de Procedurerichtlijn de beslistermijn met het besluitmoratorium niet kan worden verlengd, maar hoogstens dat de beslissing kan worden uitgesteld zolang het besluitmoratorium geldt, te weten zes maanden. De rechtbank stelt vast dat verweerder op 30 december 2024 een ingebrekestelling heeft ontvangen. Op dat moment was het besluitmoratorium van kracht. De ingebrekestelling is naar het oordeel van de rechtbank daarom prematuur ingediend. Verweerder was immers niet gehouden om een besluit te nemen zolang het besluitmoratorium gold. Een ex-nunc toetsing van de situatie op 11 september 2025 leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel; dat het besluitmoratorium toen was verlopen doet er niet aan af dat de ingebrekestelling prematuur is ingediend. Ook de andere gronden van het verzet geven geen aanleiding voor het oordeel dat de ingebrekestelling niet prematuur ingediend zou zijn. In de uitspraken waar opposant naar verwijst zijn de ingebrekestelling en beroepen ingesteld nadat het besluitmoratorium was verlopen. Er is dus geen sprake van een gelijke situatie als in die beroepen. Naar het oordeel van de rechtbank is in de uitspraak van 11 september 2025 terecht vastgesteld dat het beroep niet-ontvankelijk is.
Conclusie en gevolgen
7. De grond van het verzet slaagt niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 11 september 2025. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, rechter, in aanwezigheid van F.S. Ulrich, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: