ECLI:NL:RBDHA:2026:27924

ECLI:NL:RBDHA:2026:27924

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 11-09-2026
Datum publicatie 24-09-2026
Zaaknummer C/09/704794 / HA RK 26-320
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

volgt

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel

Zaaknummer / rekestnummer: C/09/704794 / HA RK 26-320

Beschikking van 11 september 2026

in de zaak van

[verzoeker] te [woonplaats] ,

verzoeker, hierna: [verzoeker] ,

advocaat: mr. E.C. Lubbers,

tegen

1. STICHTING HAAGLANDEN MEDISCH CENTRUM te Den Haag,2. ONDERLINGE WAARBORGMAATSCHAPPIJ MEDIRISK B.A.te Utrecht,

verweersters, hierna het HMC en Medirisk,

advocaat: mr. M. van Gool.

1. De procedure

Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:

- het verzoekschrift betreffende beslissing deelgeschil ex artikel 1019w van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) van 7 mei 2026, met producties 1 tot en met 14;

- het verweerschrift met producties 1 tot en met 4.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 22 juni 2026.

Na de mondelinge behandeling is de zaak enige tijd aangehouden voor overleg tussen partijen. Zij hebben vervolgens bericht dat zij er niet onderling zijn uitgekomen. Toen is bepaald dat een beschikking wordt gegeven.

2. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

In september 2020 is [verzoeker] (destijds dertien jaar oud) door de huisarts verwezen naar de afdeling Neurologie in het HMC wegens (onder meer) pijnklachten in de rug en beide benen.

In het ziekenhuis heeft de neuroloog een MRI-scan van de lumbale wervelkolom aangevraagd. Op 1 november 2020 heeft de radioloog een MRI-scan uitgevoerd en vervolgens beoordeeld. In het verslag van de MRI-scan staat onder meer:

“Conclusie:

Normale MRI-LWK. Geen verklaring voor de klachten. Geen wortelcompressie lumbaal.”

[verzoeker] hield klachten. In oktober 2021 heeft in Turkije nader medisch onderzoek plaatsgevonden. Er werden toen bij [verzoeker] meerdere tumoren geconstateerd, in zijn hoofd en rug. [verzoeker] is hierop teruggereisd naar Nederland, waar hij in het Amsterdams Universitair Medisch Centrum met spoed is geopereerd.

Op 14 december 2021 heeft er een herbeoordeling plaatsgevonden van de MRI-scan van 1 november 2020 door de behandelend kinderoncoloog van [verzoeker] van het Universitair Medisch Centrum Utrecht. In het verslag van de herbeoordeling staat onder meer:

“Hierbij is zichtbaar dat er in het uiteinde van de duraal zak op niveau S2-S3 een afwijkende signaalintensiteit op T1 en T2 zichtbaar is die waarschijnlijk het beste kunnen passen bij weefsel gezien de signaalintensiteit. Niet overtuigend passende bij bloed producten. Waarschijnlijk is dit al pathologisch tumorweefsel.”

Op 21 april 2022 heeft (de advocaat van) [verzoeker] het HMC aansprakelijk gesteld voor de materiële en immateriële schade die [verzoeker] heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van verwijtbaar en onzorgvuldig handelen van het ziekenhuis jegens [verzoeker] , te weten het missen van de diagnose van tumoren. Het HMC heeft de aansprakelijkstelling voor verdere behandeling doorgezonden aan haar verzeraar Medirisk.

Op gezamenlijk verzoek van partijen is vervolgens een expertiseonderzoek uitgevoerd door de Nederlandse Vereniging voor Radiologie (NVvR).

In de “Leidraad expertiseprocedure NVvR ten behoeve van klachtensituatie elders” versie 2.2, geaccordeerd av 19 maart 2024 (hierna: de leidraad) staat onder meer, voor zover van belang:

IV Beoordeling door Expertisepanel

Uitgangspunt bij de herbeoordeling is dat geprobeerd wordt zo goed mogelijk de oorspronkelijke situatie rondom de eerste beoordeling van het onderzoek na te bootsen. Het is echter onvermijdelijk dat het Expertisepanel weet dat er een klacht ten grondslag ligt aan de casus die herbeoordeeld wordt. Het bestaan van hindsight bias is niet volledig te voorkomen, maar moet door een alerte houding van het panel zoveel mogelijk worden gereduceerd.

De norm die wordt aangelegd bij de herbeoordeling is die van de zorgvuldig handelend en redelijk bekwaam radioloog, die handelt volgens de richtlijnen en standpunten zoals die op het moment van de eerste beoordeling bekend en aanvaard waren binnen de beroepsgroep van radiologen.

De drie leden van het Expertisepanel beoordelen ieder afzonderlijk het toegestuurde casusmateriaal en sturen elk hun radiologisch verslag in aan de vierde radioloog-editor en (ter archivering en bewaking van de voortgang) aan het bureau NVvR. De vierde radioloog-editor stelt aan de hand van de bevindingen een concept-adviesrapportage op, waarbij melding wordt gemaakt van relevante verschillen in de beoordeling door de panelleden. De radioloog-editor vergelijkt vervolgens de bevindingen van het expertisepanel met het verslag van de oorspronkelijke beoordelaar, en formuleert zijn conclusie in de concept adviesrapportage. Deze wordt daarna voorgelegd aan de commissie Expertise NVvR.

(…)

BIJLAGE

Formuleringen van conclusie in adviesrapportage expertisepanel

(…)

2a verschil 1e verslag (afwijking niet benoemd), geen aanwijzing dat niet is gehandeld conform richtlijn

- Het Expertisepanel heeft kennis genomen van de oorspronkelijke beoordeling van het onderzoek door de radioloog en ziet daarbij verschillen met het eigen verslag. De door het expertisepanel waargenomen afwijking is in de oorspronkelijke beoordeling van het onderzoek van de radioloog niet benoemd (deze is niet waargenomen, of wel waargenomen maar niet als significant afwijkend geïnterpreteerd).

- Op basis van de aan het panel beschikbaar gestelde gegevens is het Expertisepanel van mening dat er geen aanwijzingen zijn dat de radioloog niet heeft gehandeld conform de geldende richtlijnen en standaarden, met de aantekening dat er niet op elk gebied een specifieke richtlijn bestaat.

2b verschil 1e verslag (afwijking niet benoemd), handelen niet conform richtlijn

- Het Expertisepanel heeft kennis genomen van de oorspronkelijke beoordeling van het onderzoek door de radioloog en ziet daarbij verschillen met het eigen verslag. De door het expertisepanel waargenomen afwijking is in de oorspronkelijke beoordeling van het onderzoek van de radioloog niet benoemd (deze is niet waargenomen, of wel waargenomen maar niet als significant afwijkend geïnterpreteerd).

- Op basis van de aan het panel beschikbaar gestelde gegevens is het Expertisepanel van mening dat de radioloog niet lijkt te hebben gehandeld conform de geldende richtlijnen en standaarden, gezien de inhoud van het oorspronkelijke verslag in relatie tot de aanvraag en de andere beschikbare gegevens.

(…)

Het expertiseonderzoek heeft geleid tot een definitief rapport van 18 mei 2024. Hierin staat onder meer, voor zover van belang:

“Herbeoordeling expertpanel:

Conclusie:

• Geen aanwijzingen voor wortel of cauda compressie, geen kanaal stenose (beschreven door 3 van de 3 panelleden).

• Mogelijk beeld van een arachnoditis (beschreven door 1 van de 3 panelleden).

• Verdenking op een massa of collectie sacraal, mogelijk haematoom of bloed (beschreven

door 2 van de 3 panelleden).

• Advies: aanvullende opname van de afwijking sacraal (geadviseerd door 2 van de 3 panelleden).

(…)

Verschillen met het originele verslag:

De relevante discrepanties tussen het originele verslag en de herbeoordeling:

• Mogelijke verdikking van wortels.

• Massa of collectie sacraal, mogelijk haematoom of bloed.

• Advies om aanvullende opname te maken.

(…)

Bespreking:

Verantwoordelijkheden radioloog (algemeen):

1. Beoordelen of de gemaakte röntgenologische beeldvorming kwalitatief in orde is en geschikt is om de vraagstelling te beantwoorden (het is gangbaar alleen te vermelden wanneer er beperkingen zijn of indien een voor de indicatie niet-optimale techniek is gekozen).

2. Beoordelen van gemaakte beeldvorming aan de hand van aangeleverde medische informatie en - indien aanwezig- beantwoorden van de vraagstelling.

Ad 1: de gebruikte techniek is adequaat om de klinische vraag te beantwoorden. Het gegeven dat een protocol kan worden uitgebreid wil niet zeggen dat dit noodzakelijk is.

Conclusie: geen beoordelingsbeperking

Ad 2: alle drie herbeoordelingen vermelden afwijkingen laag in de rug, waarbij tweemaal een niet eenduidig te interpreteren afwijking wordt gezien op sacraal niveau waarvoor aanvullende opname worden geadviseerd. Gezien de aard van de klachten bij de jonge patiënt is dit een relevante bevinding die nader onderzoek vereist.

Conclusie:

De discrepantie tussen initiële verslag en het samengestelde rapport van het expertisepanel wordt gecategoriseerd als 2A: Het Expertisepanel heeft kennis genomen van de oorspronkelijke beoordeling van het onderzoek door de radioloog en ziet daarbij verschillen met het eigen verslag. De door het expertisepanel waargenomen afwijking is in de oorspronkelijke beoordeling van het onderzoek van de radioloog niet benoemd. Hierbij is het van belang te vermelden dat het expertisepanel niet unaniem was.

Op basis van de aan het panel beschikbaar gestelde gegevens is het Expertisepanel van mening dat er geen aanwijzingen zijn dat de radioloog niet heeft gehandeld conform de geldende richtlijnen en standaarden, met die aantekening dat er geen specifieke richtlijn bestaat voor radiculaire klachten bij kinderen.

Partijen zijn het erover eens dat op de MRI-scan van 1 november 2020 afwijkingen te zien zijn die destijds niet door de betrokken radioloog zijn beschreven. Zij verschillen van mening over de wijze waarop het rapport moet worden uitgelegd en de betekenis hiervan voor de aansprakelijkheidsvraag. Pogingen om onderling tot een oplossing te komen zijn op niets uitgelopen.

3. Het deelgeschil

[verzoeker] verzoekt de rechtbank om, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking:

I. voor recht te verklaren dat de radioloog en/of neuroloog van het HMC niet heeft/hebben gehandeld zoals van een redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot mocht worden verwacht;

II. voor recht te verklaren dat het HMC en Medirisk jegens hem hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de vertraging in de diagnose en de nog nader vast te stellen daardoor ontstane schade;

III. de kosten van dit deelgeschil te begroten en het HMC en Medirisk hoofdelijk te veroordelen de voor het deelgeschil gemaakte (proces)kosten aan [verzoeker] te voldoen.

Aan het verzoek legt [verzoeker] ten grondslag dat een medische fout is gemaakt in het HMC omdat eerder ontdekt had kunnen en moeten worden dat hij tumoren had, zodat die eerder behandeld hadden kunnen worden. Hij voert aan dat de radioloog van het HMC op de beelden van de MRI-scan van 1 november 2020 afwijkend tumorweefsel had moeten opmerken. Een redelijk handelend en redelijk bekwaam radioloog zou aan de hand van de scan de juiste diagnose hebben gesteld of zou in ieder geval aanvullend onderzoek hebben gedaan. Als gevolg van het missen van de diagnose is er een (verwijtbare) vertraging onstaan in de behandeling van kanker. Het HMC en Medirisk zijn aansprakelijk voor de hieruit voortvloeiende (materiële en immateriële) schade.

Het HMC en Medirisk voeren verweer. Volgens het HMC en Medirisk heeft de radioloog niet onzorgvuldig gehandeld. Dat op de MRI-scan van 1 november 2020 het afwijkende weefsel is gemist is heel naar, maar geen medische fout. Het HMC en Medirisk zijn daarom niet aansprakelijk voor schade door vertraging in de behandeling van [verzoeker] .

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Behandeling in deelgeschil

[verzoeker] verzoekt de rechtbank om een oordeel over de aansprakelijkheidsvraag te geven. Die vraag leent zich voor behandeling in een deelgeschilprocedure. De rechtbank zal het verzoek dan ook inhoudelijk beoordelen.

Inhoudelijke beoordeling

De rechtbank stelt voorop dat niet in geschil is dat op de MRI-scan van 1 november 2020 afwijkingen te zien zijn die destijds niet door de betrokken radioloog zijn beschreven. Wat partijen verdeeld houdt is of de radioloog die afwijkingen niet had mogen missen en daarmee een beroepsfout heeft gemaakt.

Die vraag wordt beantwoord tegen de volgende achtergrond. De rechtsverhouding tussen partijen moet worden gekwalificeerd als een geneeskundige behandelingsovereenkomst. De maatstaf die wordt gebruikt om vast te stellen hoe de hulpverlener bij de uitoefening van zijn beroep jegens de patiënt had moeten handelen is geformuleerd in artikel 7:453 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Dit artikel bepaalt dat de hulpverlener bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht moet nemen en daarbij moet handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard. Dit betekent dat de hulpverlener de zorg moet betrachten die een redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.

Concreet betekent dit in het onderhavige geval dat het missen van het afwijkende weefsel op de MRI-scan kwalificeert als een medische fout indien een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot (radioloog) dit in gelijke omstandigheden wel zou hebben opgemerkt. Dat is een moeilijke vraag omdat bij het beoordelen en interpreteren van wat te zien is op beelden van MRI-scans bewust en onbewust keuzes en inschattingen worden gemaakt. Dat afwijkend weefsel zichtbaar was op de scan betekent daarom niet zonder meer dat de radioloog dat had moeten opmerken en dat sprake is van onzorgvuldig medisch handelen als dat wordt gemist. Juist daarom is de vraag voorgelegd aan het expertisepanel.

[verzoeker] stelt zich op het standpunt dat een redelijk handelend en redelijk bekwaam radioloog de afwijkingen op de MRI-scan van 1 november 2020 zou hebben gezien. Hij voert hiertoe aan dat twee van de drie radiologen van het expertisepanel van de NVvR (alsook de kinderoncoloog die de second opinion uitvoerde) op de betreffende scan afwijkende massa hebben geconstateerd en in dit verband hebben geadviseerd om aanvullende opnamen te maken. Ook het derde panellid heeft – hoewel hij niet benoemt dat het om een massa gaat – afwijkingen geconstateerd in de lage rug. In het expertiserapport wordt voorts expliciet benoemd dat de door de panelleden geconstateerde afwijkingen, gezien de aard van de klachten bij de jonge patiënt, nader onderzoek vereisen. Hieruit volgt volgens [verzoeker] dat de betrokken radioloog destijds de afwijkingen had moeten opmerken en nader onderzoek had moeten doen. Nu de radioloog dit niet heeft gedaan, heeft hij niet gehandeld zoals van een redelijk handelend en redelijk bekwaam radioloog had mogen worden verwacht, aldus [verzoeker] .

Daarbij stelt [verzoeker] zich op het standpunt dat de conclusie van het expertiserapport ‘dat er geen aanwijzingen zijn dat de radioloog niet heeft gehandeld conform de geldende richtlijnen en standaarden’ niet betekent dat geen medische fout is gemaakt. De conclusie lijkt enkel gebaseerd te zijn op de omstandigheden dat dat het panel niet unaniem was en dat er geen specifieke richtlijn bestaat voor radiculaire bevindingen bij kinderen. Een onderbouwing waarom het panel tot de betreffende conclusie is gekomen ontbreekt. Dat er geen richtlijnen en standaarden zijn geschonden betekent ook niet zonder meer dat de radioloog destijds zorgvuldig heeft gehandeld. Ook dan kan van een redelijk handelend en redelijk bekwaam arts worden verwacht dat nader onderzoek wordt verricht indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven. Dat aanvullend onderzoek naar aanleiding van de MRI-scan geboden was, blijkt afdoende uit de (overige) inhoud van het rapport, aldus [verzoeker] .

Volgens het HMC en Medirisk volgt uit het expertiserapport niet dat de radioloog destijds onzorgvuldig heeft gehandeld. Zij wijzen op de herbeoordeling van het expertisepanel dat concludeerde dat er geen aanwijzingen zijn dat de radioloog niet heeft gehandeld conform de geldende richtlijnen en standaarden (categorie 2a).

Het begrip ‘standaarden’ moet volgens het HMC en Medirisk in dit verband breder worden geïnterpreteerd dan alleen (medische) richtlijnen en protocollen. Zij wijzen daarbij op de hiervoor in 2.7 geciteerde leidraad van de NvvR. Volgens het HMS en Medirisk betekent de conclusie van het panel dat de radioloog geen verwijt kan worden gemaakt.

De rechtbank overweegt in de eerste plaats dat heel begrijpelijk is dat [verzoeker] zich op het standpunt stelt dat de radioloog in november 2020 het tumorweefsel had moeten opmerken, zeker aangezien verschillende andere radiologen wel afwijkend weefsel zagen op die scan. Het is verschrikkelijk naar dat het tumorweefsel destijds niet is gezien terwijl, als dat wel was ontdekt, er eerder ingegrepen had kunnen worden en er misschien een beter resultaat was behaald. Toch kan de rechtbank in dit deelgeschil niet vaststellen dat de eerste radioloog – en daarmee het HMC – onzorgvuldig heeft gehandeld.

Het expertisepanel komt immers op grond van de bevindingen uiteindelijk juist tot de conclusie dat er geen aanwijzingen zijn dat de radioloog niet heeft gehandeld volgens geldende richtlijnen en standaarden. Daarmee zijn naar het oordeel van de rechtbank niet alleen de specifieke richtlijnen en protocollen bedoeld waarin kort gezegd is beschreven hoe radiologen horen te handelen in bepaalde situaties, maar daarbij gaat het (ook) om de standaard van de redelijk handelend en redelijk bekwaam radioloog. Dat volgt uit de toelichting op de werkwijze van het expertisepanel zoals weergegeven in de leidraad. Daarin staat dat de de norm die wordt aangehouden bij de herbeoordeling, die is van de zorgvuldig handelend en redelijk bekwaam radioloog, die handelt volgens de richtlijnen en standpunten zoals die op het moment van de eerste beoordeling bekend en aanvaard waren binnen de beroepsgroep van radiologen.

Het expertisepanel heeft de bevindingen van de drie afzonderlijke panelleden vergeleken met het verslag van de oorspronkelijke radioloog. Met inachtneming van zowel de verschillen tussen de verslagen van de panelleden onderling als de verschillen tussen de verslagen van de panelleden en de oorspronkelijke radioloog, is het panel vervolgens tot een conclusie gekomen. Het panel heeft in dit verband rekening gehouden met zowel de omstandigheid dat alle drie de panelleden afwijkingen constateerden in de lage rug als de omstandigheid dat twee van de drie panelleden (een verdenking op) een massa constateerden waarnaar volgens hen nader onderzoek geboden was. Niettemin heeft het expertisepanel geoordeeld dat de casus valt onder categorie 2a (geen aanwijzingen dat de radioloog niet heeft gehandeld conform de geldende richtlijnen en standaarden) en niet onder categorie 2b (radioloog lijkt niet te hebben gehandeld conform de geldende richtlijnen en standaarden). Dat het panel op basis van de bevindingen tot een andere conclusie had moeten komen kan de rechtbank niet vaststellen. Daarbij weegt mee dat het juist aan het expertisepanel was om die inschatting te maken. Dat de meerderheid van de radiologen die de scan later hebben bekeken het weefsel opmerkte, is niet genoeg om te concluderen dat een redelijk handelend radioloog het weefsel (dus) had moeten zien.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het verzoek niet toewijsbaar is omdat de rechtbank op basis van de beschikbare gegevens niet kan vaststellen dat het ziekenhuis een fout heeft gemaakt.

Kosten deelgeschil

De rechtbank moet op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de deelgeschilprocedure begroten. Dat geldt ook als een verzoek in deelgeschil wordt afgewezen. Alleen als de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, hoeven de kosten van de procedure niet te worden begroot. Daarvan in dit geval geen sprake. Bij de begroting van de kosten dient de dubbele redelijkheidstoets gehanteerd te worden: het moet redelijk zijn dat de kosten zijn gemaakt en de hoogte van de kosten moet ook redelijk zijn.

De advocaat van [verzoeker] heeft de kosten van het deelgeschil begroot op 28 uren tegen een uurtarief van € 275 exclusief 21% btw, te vermeerderen met het griffierecht. Dit komt neer op een bedrag van € 9.317 inclusief btw. Het HMC en Medirisk hebben bezwaar gemaakt tegen zowel het aantal uren als het gehanteerde uurtarief. Zij verzoeken het uurtarief te matigen naar € 255 exclusief btw en het aan het verzoekschrift bestede aantal uren te beperken tot tien uur (in plaats van achttien uur).

Gelet op de aard van de zaak en mede in acht genomen het feit dat de advocaat van [verzoeker] een gespecialiseerd letselschadeadvocaat is, acht de rechtbank de aan dit deelgeschil bestede tijd redelijk. Het gehanteerde uurtarief acht de rechtbank niet bovenmatig. De redelijke kosten voor het opstellen van het verzoekschrift en de verdere behandeling van de zaak als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW zullen door de rechtbank dan ook worden begroot op € 9.317 inclusief btw, te vermeerderen met het door [verzoeker] betaalde griffierecht van € 93.

Nu de aansprakelijkheid van het HMC en Medirisk in deze procedure niet is komen vast te staan, zal het verzoek van [verzoeker] om hen in de kosten van deze procedure te veroordelen, worden afgewezen.

5. De beslissing

De rechtbank

wijst de verzoeken van [verzoeker] af;

begroot de kosten van dit deelgeschil op € 9.317 inclusief btw, te vermeerderen met het door [verzoeker] betaalde griffierecht van € 93.

Deze beschikking is gegeven door mr. P. Dondorp en in het openbaar uitgesproken op 11 september 2026.

3474

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand