ECLI:NL:RBDHA:2026:27925

ECLI:NL:RBDHA:2026:27925

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 24-09-2026
Datum publicatie 24-09-2026
Zaaknummer 09/315676-25 en 09/245103-25 (ttz.gev.)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Veroordeling voor poging tot doodslag en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling. De rechtbank acht de verdachte ten aanzien van beide feiten volledig ontoerekeningsvatbaar. OVAR. Oplegging van de maatregel tbs met voorwaarden. De rechtbank beveelt de dadelijke uitvoerbaarheid van de tbs met voorwaarden.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummers: 09-315676-25 en 09-245103-25 (ttz. gev.)

Datum uitspraak: 24 september 2026

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats] ,

gedetineerd in het Penitentiair Psychiatrisch Centrum (PPC),

van de penitentiaire inrichting [plaats] .

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting is gehouden op 10 september 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. R.P. Tuinenburg en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. C.I. Zaad naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

Ten aanzien van dagvaarding I (parketnummer 09-315676-25):

hij op of omstreeks 21 november 2025 te ’s-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer 1] van het leven te beroven,(meermalen) met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 21 november 2025 te ’s-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (meermalen) met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 21 november 2025 te ’s-Gravenhage [slachtoffer 1] heeft mishandeld, door die [slachtoffer 1] (meermalen) met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het lichaam te steken.

Ten aanzien van dagvaarding II (parketnummer 09-245103-25):

hij, op of omstreeks 17 september 2025 te ’s-Gravenhage [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 2] dreigend de woorden toe te voegen "ik ga een mes pakken en ik ga jou steken", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

3. De bewijsbeslissing

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ten aanzien van de ten laste gelegde feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Gebruikte bewijsmiddelen

De rechtbank heeft in bijlage I de wettige bewijsmiddelen opgenomen.

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van dagvaarding I

De rechtbank stelt op grond van het strafdossier en het onderzoek ter terechtzitting vast dat de verdachte zijn moeder (hierna: het slachtoffer), in de nacht van 21 november 2025 in een kelderbox van een woning in Den Haag, ogenschijnlijk uit het niets, meermaals heeft gestoken in haar rechterarm en in haar borstkas. Als gevolg van de messteken heeft het slachtoffer letsel opgelopen.

De vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of de verdachte zich door de het toebrengen van de messteken aan (in?) het slachtoffer schuldig heeft gemaakt aan poging tot doodslag, zoals primair tenlastegelegd.

Voor een bewezenverklaring van poging tot doodslag is tenminste voorwaardelijk opzet vereist. Van voorwaardelijk opzet is in dit geval sprake wanneer een verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer door zijn gedraging zou komen te overlijden. Daarvoor is vereist dat de verdachte wetenschap had van die aanmerkelijke kans en dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard.

De rechtbank is aan de hand van de bewijsmiddelen van oordeel dat een aanmerkelijke kans bestond dat het slachtoffer door het toebrengen van de messteken dodelijk letsel zou oplopen. Immers, de verdachte heeft het slachtoffer meerdere keren met een mes gestoken in haar linkerborst. Het is een feit van algemene bekendheid dat zich op die plek, nabij de hartstreek, vitale organen en grote slagaders bevinden en dat, naar algemene ervaringsregels, een messteek in dit gebied levensbedreigend kan zijn.

In deze omstandigheden was er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid dat de dood zou kunnen intreden. Nu dit oordeel is gebaseerd op algemene ervaringsregels, moet ook verdachte wetenschap hebben gehad van deze aanmerkelijke kans. Het handelen van de verdachte was bovendien naar uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het toebrengen van potentieel dodelijk letsel, dat het niet anders kan dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het intreden van de dood willens en wetens heeft aanvaard.

De rechtbank is gelet op deze feiten en omstandigheden van oordeel dat de verdachte met zijn gedragingen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij het slachtoffer dodelijk letsel zou toebrengen. De rechtbank acht het primair tenlastegelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van dagvaarding II

De rechtbank neemt ten aanzien van de in dagvaarding II ten laste gelegde bedreiging in overweging dat een buurman heeft verklaard dat de verdachte op 17 september 2025 tegen hem zou hebben gezegd: "ik ga een mes pakken en ik ga jou steken". De verklaring van de buurman wordt ondersteund door een getuigenverklaring. Uit de aangifte van de buurman blijkt dat hij zich door de uitlatingen van de verdachte niet veilig voelde. Op grond hiervan kan de in dagvaarding II ten laste gelegde bedreiging wettig en overtuigend worden bewezen.

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

dagvaarding I:

hij op 21 november 2025 te ’s-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, meermalen met een mes in het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

dagvaarding II:

hij, op 17 september 2025 te ’s-Gravenhage [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 2] dreigend de woorden toe te voegen "ik ga een mes pakken en ik ga jou steken".

4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5. De strafbaarheid van de verdachte

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte ten tijde van het plegen van de ten laste gelegde feiten volledig ontoerekeningsvatbaar was en op grond daarvan dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging ten aanzien van die feiten.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde feiten niet aan de verdachte kunnen worden toegerekend en dat de verdachte niet strafbaar is. De raadsman verzoekt de verdachte ten aanzien van beide ten laste gelegde feiten te ontslaan van alle rechtsvervolging en hem een tbs-maatregel met voorwaarden op te leggen. Subsidiair, voor zover de rechtbank van oordeel is dat het in dagvaarding I ten laste gelegde feit in verminderde mate aan de verdachte kan worden toegerekend, verzoekt de raadsman de verminderde toerekening ten volle in de straftoemeting te verdisconteren en geen straf op te leggen, dan wel een gevangenisstraf die de duur van het voorarrest niet overstijgt.

Het oordeel van de rechtbank

Bij de beoordeling van de strafbaarheid van de verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op de pro Justitia rapportage van het Pieter Baan Centrum van 9 juli 2026 betreffende de verdachte.

Rapport forensisch psychologisch en psychiatrisch onderzoek

In de rapportage diagnosticeren de rapporteurs bij de verdachte schizofrenie en een stoornis in het gebruik van cannabis. De genoemde stoornissen waren, gelet op het chronische karakter daarvan, aanwezig ten tijde van de ten laste gelegde feiten.

Volgens de rapporteurs was in de aanloop naar de ten laste gelegde bedreiging sprake van een ernstige psychotische ontregeling, waardoor de gedachten en gedragingen van de verdachte dusdanig werden beïnvloed dat hij hier zelf geen sturing meer aan kon geven. Op grond hiervan adviseren de rapporteurs om de ten laste gelegde bedreiging in het geheel niet aan de verdachte toe te rekenen.

Ten tijde van de primair ten gelegde poging tot doodslag was aldus de rapporteurs evident sprake van een recidiverend psychotisch toestandsbeeld, waardoor dit ten laste gelegde feit in ten minste verminderde mate aan de verdachte kan worden toegerekend. Het is volgens de rapporteur niet uitgesloten dat dit toestandsbeeld het denken en de gedragsregulatie van de verdachte zodanig verstoorde dat hij hieraan geen sturing meer kon geven, waarmee mogelijk ook sprake zou kunnen zijn van volledige ontoerekeningsvatbaarheid.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn de voormelde rapportages op zorgvuldige wijze tot stand gekomen en worden de conclusies van het psychiatrisch en psychologisch onderzoek met betrekking tot de toerekenbaarheid van het tenlastegelegde gedragen door een deugdelijke en inzichtelijk gemotiveerde onderbouwing. De rechtbank neemt de conclusies en adviezen van de voornoemde deskundigen dan ook over en maakt die tot de hare. De rechtbank is, op basis van die conclusies en adviezen, van oordeel dat de verdachte zich in ieder geval vanaf 17 september 2025 mede door een stoornis in het gebruik van cannabis in een psychotisch ontregelde toestand bevond en dat het plegen van de bewezen verklaarde feiten uit deze psychose voortkwam. De rechtbank zal de verdachte op grond hiervan volledig ontoerekeningsvatbaar verklaren op het moment van de bedreiging op 17 september 2025.

Gelet op de feiten en omstandigheden zoals die volgen uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting, ziet de rechtbank – met de officier van justitie en de verdediging – aanleiding om de verdachte eveneens voor de bewezen verklaarde poging tot doodslag volledig ontoerekeningsvatbaar te verklaren, nu de bedreiging en de poging tot doodslag binnen een tijdsbestek van ruim twee maanden zijn begaan en naar het oordeel van de rechtbank onder vergelijkbare omstandigheden van psychische decompensatie zijn gepleegd.

Op grond van deze omstandigheden is de rechtbank is van oordeel dat de verdachte ten tijde van het plegen van zowel de bedreiging als de poging tot doodslag volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden geacht. De rechtbank acht de verdachte ten aanzien van beide bewezen verklaarde feiten daarom niet strafbaar en zal hem ten aanzien van deze feiten ontslaan van alle rechtsvervolging.

6. De op te leggen maatregel

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met voorwaarden wordt opgelegd, met de voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering, met de aanvulling dat de verdachte moet meewerken aan controles op het middelenverbod. Tevens heeft de officier van justitie gevorderd de tbs met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft de rechtbank verzocht aan de verdachte een tbs met voorwaarden op te leggen en geen tbs met dwangverpleging, omdat deze maatregel verder gaat dan nodig om het risico op recidive te ondervangen. De raadsman heeft zich niet verzet tegen de door de reclassering geadviseerde voorwaarden en zich niet uitgelaten over de dadelijke uitvoerbaarheid van de tbs met voorwaarden.

Het oordeel van de rechtbank

Omdat de verdachte niet strafbaar is, kan aan hem geen straf worden opgelegd. De rechtbank dient te onderzoeken of aan de verdachte een maatregel moet worden opgelegd. Bij de beoordeling hiervan houdt de rechtbank rekening met de (hiervoor genoemde) Pro-Justitia rapportage van 9 juli 2026, opgesteld door psychiater C.M. Gouverneur en GZ-psycholoog S.F. Boers en met het reclasseringsadvies van 27 augustus 2026 .

Pro-Justitia rapportage d.d. 9 juli 2026

Volgens de psycholoog en de psychiater is de psychotische kwetsbaarheid van de verdachte naar verwachting chronisch van aard en kan deze de verdachte ernstig ontregelen. De kans op herhaling hangt primair samen met de aanwezigheid van een psychotische ontregeling. Wanneer de verdachte qua toestandsbeeld stabiel is, is het recidive-risico laag. Zodra die structuur wegvalt, ontstaat er zorgmijding, medicatiestaking en cannabisgebruik die kan leiden tot een psychotische ontregeling, met een navenant oplopend recidiverisico. Als de verdachte niet wordt behandeld, is de kans op recidive hoog.

De psycholoog en de psychiater concluderen dat langdurig toezicht noodzakelijk is en forensische scherpte voor de lange termijn van belang blijft. Het voorgaande kan worden vormgegeven binnen het kader van een tbs met voorwaarden. Hoewel het recidiverisico onbehandeld hoog is en de kwetsbaarheid chronisch, achten de onderzoekers dit kader passend en realistisch haalbaar. Daarvoor is doorslaggevend dat de verdachte in herhaalde contacten binnen een gestructureerde setting heeft laten zien dat hij behandeling en medicatie vrijwillig accepteert, bereid was tot opname, coöperatief is en geen oppositionele houding ten opzichte van gezag heeft. Het risico is bovendien goed te monitoren, omdat dit vrijwel volledig wordt bepaald door medicatietrouw en het uitblijven van psychotische ontregeling. Het uitvallen bij de verdachte komt voort uit zijn ziektegebonden neiging tot zorgmijding zodra externe structuur ontbreekt, gecombineerd met de terugval in cannabisgebruik. Die structuur en dat toezicht beoogt het kader van tbs met voorwaarden te bieden. Gelet hierop adviseren de onderzoekers om de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden op te leggen. Deze maatregel wordt proportioneel, noodzakelijk en het meest effectief geacht om de behandeling duurzaam te waarborgen en de veiligheid van de samenleving op een aanvaardbaar niveau te houden, met als aanvullende waarborg de mogelijkheid tot omzetting naar dwangverpleging bij het niet naleven van de te stellen voorwaarden.

Een tbs met dwangverpleging zou op dit moment verder strekken dan noodzakelijk is

om het risico beheersbaar laag te houden, aldus de onderzoekers. Zij schatten in dat de verdachte zich in het kader van een tbs met voorwaarden aan de voorwaarden kan houden.

reclasseringsrapport

De rechtbank heeft verder kennisgenomen van een advies van GGZ Fivoor (hierna: de reclassering) over de verdachte van 27 augustus 2026, waaruit volgt dat de reclassering

de risico's op recidive en letselschade inschat als hoog en gemiddeld, als de verdachte onbehandeld en zonder de juiste begeleiding weer terug zou keren in de maatschappij. Binnen een sterk gestructureerde setting is de verdachte in staat om zich te handhaven, staat hij open voor hulpverlening en gebruikt hij vrijwillig medicatie, aldus de reclassering. Buiten een dergelijke setting is er sprake van het niet nakomen van afspraken, medicatieontrouw en een terugval in middelengebruik, isolatie en verward gedrag wat kan escaleren in agressie.

Om de hoge kans op recidive te verkleinen, heeft de verdachte volgens de reclassering op meerdere leefgebieden hulpverlening en begeleiding nodig. Gelet op de ernst van de problematiek is de verwachting dat er een langdurig en intensief traject nodig zal zijn, met controle en beveiliging om een gereguleerde uitstroom richting de maatschappij te kunnen garanderen. Dit traject zal naar verwachting meerdere jaren in beslag nemen.

De reclassering adviseert gematigd positief over het opleggen van een tbs met voorwaarden

en heeft hiervoor als bijzondere voorwaarden opgesteld, meewerken aan reclasseringstoezicht (inhoudende diverse voorwaarden), opname in een zorginstelling, het meewerken aan een time-out, aansluitend aan klinische opname verblijven in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, ambulante behandeling met de mogelijkheid tot kortdurende klinische opname, een middelenverbod met controle, het inzetten voor een dagbesteding, meewerken aan schuldhulpverlening en een reisverbod.

Tegenover de onderzoekers heeft de verdachte te kennen gegeven zich te kunnen vinden in een terbeschikkingstelling met voorwaarden. Gelet op zijn huidige functioneren binnen een gestructureerde, beveiligde setting en zijn eerdere medewerking tijdens klinische opnames, verwacht de reclassering dat de verdachte in staat zal zijn om zich aan de voorwaarden te houden.

Maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van anderen alsmede de algemene veiligheid van personen en goederen verlangt, dat aan verdachte de tbs-maatregel wordt opgelegd. Aan de tbs-maatregel zal de rechtbank ter bescherming van de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen de voorwaarden verbinden die de reclassering heeft geadviseerd. De medewerking aan controle op het middelenverbod, zoals door de officier van justitie gewenst, is hier onderdeel van. De verdachte heeft zich, ook op de terechtzitting, bereid verklaard deze voorwaarden na te leven. Gelet hierop is een tbs met dwangverpleging naar het oordeel van de rechtbank op dit moment niet aan de orde.

De rechtbank stelt vast dat is voldaan aan de formele vereisten die de wet in artikel 37a Sr aan het opleggen van de tbs-maatregel stelt. De rechtbank beschikt over een advies van twee deskundigen van verschillende disciplines, waaronder een psychiater, die de verdachte hebben onderzocht. Het door de verdachte begane feit is een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. Met inachtneming van de conclusies en de adviezen van de deskundigen is de rechtbank van oordeel dat bij de verdachte tijdens het begaan van het bewezen verklaarde feit een ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond.

De rechtbank is verder van oordeel dat is voldaan aan het wettelijke vereiste dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel eist. Daartoe is redengevend dat het begane feit zeer ernstig is en de problematiek van de verdachte die daaraan ten grondslag ligt en het daaruit voortvloeiende herhalingsgevaar indien de problematiek van de verdachte onbehandeld blijft, zodanig is dat het niet verantwoord is om hem onbehandeld terug te laten keren in de maatschappij. De bescherming van de veiligheid van de samenleving noodzaakt daarom tot het opleggen van de tbs-maatregel.

De rechtbank zal dan ook een tbs-maatregel met voorwaarden aan de verdachte opleggen. De voorwaarden die aan de tbs worden verbonden, zullen hierna volledig worden weergegeven in het dictum van dit vonnis.

Duur van de TBS-maatregel

Nu de rechtbank niet zal bepalen dat de verdachte van overheidswege dient te worden verpleegd, kan de totale duur van de aan hem op te leggen tbs met voorwaarden de periode van negen jaren niet te boven kan gaan. Voor het geval er later alsnog verpleging van overheidswege wordt bevolen, overweegt de rechtbank nog dat de tbs-maatregel wordt opgelegd voor een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De totale duur van de tbs met dwangverpleging is in dat geval ongemaximeerd.

Dadelijke uitvoerbaarheid

Gelet op de door de verdachte gepleegde poging tot doodslag - waarmee hij onder meer ernstig inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer -, de beschreven noodzaak van de behandeling van de verdachte en het in de PJ-rapportage beschreven risico dat de verdachte zonder behandeling wederom een dergelijk misdrijf zal begaan, zal de rechtbank – in lijn met de vordering van de officier van justitie - bevelen dat terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is.

Voorlopige hechtenis

De rechtbank zal bevelen dat de voorlopige hechtenis wordt geschorst vanaf het moment dat de verdachte terecht kan in een kliniek voor klinische behandeling. Aan de schorsing van de voorlopige hechtenis zullen dezelfde voorwaarden worden verbonden als hierna aan de tbs-maatregel worden gesteld.

De schorsing onder gelijkluidende voorwaarden houdt verband met de bij het onderhavige vonnis tevens op te leggen dadelijke uitvoerbare tbs-maatregel met voorwaarden. Zou de verdachte de in dat kader te stellen voorwaarden niet naleven, terwijl dit vonnis nog niet onherroepelijk is, dan bestaat de mogelijkheid om de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis te bevelen. Op die manier worden de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen gewaarborgd. De rechtbank verwijst hiertoe naar het arrest van de Hoge Raad van 26 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1729, r.o. 6.5.

7. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 38, 38a, 45, 57, 285 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

8. De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

dagvaarding I

poging tot doodslag

dagvaarding II

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling;

verklaart de verdachte voor het bewezenverklaarde niet strafbaar en ontslaat de verdachte ter zake van alle rechtsvervolging

gelast de terbeschikkingstelling van de verdachte;

stelt daarbij de navolgende voorwaarden betreffende het gedrag van de terbeschikkinggestelde, namelijk dat de terbeschikkinggestelde:

1. zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. zal meewerken aan het reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in dat de terbeschikkinggestelde:

3. Als de reclassering dat nodig vindt en de terbeschikkinggestelde daarmee instemt, voor een time-out wordt opgenomen in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) of andere instelling. Deze time-out duurt totdat de reclassering of de terbeschikkinggestelde deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar.

4. niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden,zal reizen zonder toestemming van de reclassering.

5. zich laat opnemen in en behandelen door een FPA, FPK of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De opname start zo spoedig mogelijk en zodra de plaatsing mogelijk is. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden, schuldenproblematiek, woonoverlast en/of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de terbeschikking-gestelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken. De terbeschikkinggestelde houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt de terbeschikkinggestelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing;

6. aansluitend aan zijn klinische opname zal verblijven in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. De terbeschikkinggestelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;

7. zich ambulant laat behandelen door Ambulant Centrum Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden, schuldenproblematiek, woonoverlast en/of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de terbeschikkinggestelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken.

8. geen verdovende middelen of alcohol gebruikt tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. De terbeschikkinggestelde moet meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek, ademonderzoek of een speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;

9. zich zal inspannen in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;

10. zal meewerken aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De terbeschikkinggestelde zal de reclassering inzicht gegeven in zijn financiën en schulden.

geeft opdracht aan GGZ Reclassering Fivoor de terbeschikkinggestelde bij de naleving van die voorwaarden hulp en steun te verlenen;

beveelt dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is, op grond van artikel 38, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht;

beveelt de schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van het moment waarop verdachte zich heeft laten opnemen in een zorginstelling, dan wel in een instelling ter overbrugging, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. Aan de schorsing worden de voorwaarden verbonden, zoals deze onder 1 tot en met 10 zijn vermeld bij de voorwaarden betreffende het gedrag van de terbeschikkinggestelde.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.S. Verboom, voorzitter,

mr. G.P. Verbeek, rechter,

mr. J.M.J. Keltjens, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. E. Assies, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 september 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. M.S. Verboom
  • mr. G.P. Verbeek
  • mr. J.M.J. Keltjens

Griffier

  • mr. E. Assies

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand