RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.61723 V
uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet en het beroep van
[opposant/eiser] , V-nummer: [v-nummer] , opposant in verzet en eiser in beroep, (gemachtigde: mr. J.E. Groenenberg),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 12 maart 2026 in het geding tussen opposant/eiser
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. A.A. van Vliet).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de rechtbank op het verzet van opposant tegen de uitspraak van de rechtbank van 12 maart 2026. Het verzet heeft uitsluitend betrekking op de hoogte van de in die uitspraak toegekende proceskostenvergoeding.
De rechtbank heeft het verzet op 2 september 2026 op zitting behandeld. Daarbij was de gemachtigde van verweerder aanwezig. Eiser en zijn gemachtigde zijn, na voorafgaande aankondiging, niet verschenen.
Beoordeling van het verzet
2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Opposant betoogt dat de rechtbank in haar uitspraak van 12 maart 2026 ten onrechte de zaak heeft aangemerkt als ‘zeer licht’ en bij het toekennen van de proceskostenvergoeding daarom ten onrechte wegingsfactor 0,25 heeft toegepast.
Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 15 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3409, blijkt dat bij een opvolgend beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit wegingsfactor 0,5 (‘licht’) en niet 0,25 (‘zeer licht’) moet worden toegepast.
Het verzet is gegrond. Dat betekent dat de uitspraak van 12 maart 2026 vervalt voor zover die ziet op de proceskostenvergoeding.
Opposant krijgt een vergoeding voor de proceskosten die hij in verzet heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 0,5 punt op voor het indienen van het verzetschrift, met een waarde per punt van € 934,00 en wegingsfactor 0,5, dit laatste omdat het verzet uitsluitend ziet op de hoogte van de proceskostenvergoeding in beroep (vergelijk overweging 3 van de in 2.2 besproken uitspraak van 15 juni 2026 van de Afdeling). De proceskosten in verzet worden daarmee vastgesteld op € 233,50.
Beoordeling van het beroep
3. De rechtbank doet niet alleen uitspraak op het verzet, maar ook op het beroep. Artikel 8:55, tiende lid, van de Awb maakt dat mogelijk.
De rechtbank verwijst naar overweging in 2.2 en neemt deze ook mee in haar beoordeling van het beroep. De rechtbank ziet geen reden om in deze zaak af te wijken van het uitgangspunt dat wegingsfactor 0,5 (‘licht’) wordt toegepast bij een beroep dat is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
Eiser krijgt daarom een aangepaste vergoeding voor de proceskosten die hij in beroep heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Bpb als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,00 en wegingsfactor 0,5. De proceskosten in beroep worden daarmee vastgesteld op € 467,00.
Beslissing
De rechtbank:
in het verzet
- verklaart het verzet gegrond;
- bepaalt dat de uitspraak van 12 maart 2026 vervalt wat betreft de hoogte van de proceskostenvergoeding;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van opposant tot een bedrag van
€ 233,50;
in het beroep
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Velzen, rechter, in aanwezigheid van F.S. Ulrich, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
14 september 2026
Documentcode: [code]
Tegen de uitspraak staat voor zover daarbij is beslist op het verzet geen hoger beroep of verzet open.
Als een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover daarbij is beslist op het beroep, kan deze een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.