RECHTBANK DEN HAAG
de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. I. Dissevelt).
Samenvatting
uitspraak
Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL26.9445
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , V-nummer: [v-nummer] , eiseres (gemachtigde: mr. D.S. Harhangi-Asarfi),
en
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres als bedoeld in artikel 28 van de Vw 20001. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De door eiseres aangevoerde beroepsgronden slagen niet. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Onder 2 staat het procesverloop in dit geding. Onder 4 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 5. Daarbij gaat de rechtbank in op de beroepsgronden van eiseres. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
2. Eiseres heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Zij stelt van Peruaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1983. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 12 februari 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 28 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, [persoon A] als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Het bestreden besluit
Het asielrelaas
3. Eiseres legt aan haar asielaanvraag het volgende ten grondslag. Zij heeft verklaard dat zij in de maanden april tot juni van 2024 tweemaal is bedreigd door leden van (de criminele organisatie) Tren de Aragua. Bij het eerste incident hebben zij gezegd dat zij wilden dat eiseres maandelijks geld aan hen zou geven, maar eiseres kon dit bedrag niet betalen. Bij het tweede incident hebben zij ongeveer 500 sol van eiseres afgenomen, maar de overige 500 sol moest zij zo snel mogelijk alsnog aan hen betalen. Hierna heeft eiseres aangifte gedaan en is zij vertrokken. Zij vreest bij terugkeer naar Peru opnieuw te worden afgeperst of te worden vermoord uit wraak omdat zij hen niet heeft gegeven wat zij wilden.
4. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:
Verweerder acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres geloofwaardig. De problemen van eiseres met Tren de Aragua acht verweerder niet geloofwaardig.
Verweerder heeft de asielaanvraag van eiseres afgewezen als ongegrond, omdat hij het asielrelaas van eiseres niet geloofwaardig heeft bevonden. Verweerder legt aan dit standpunt - kort samengevat – allereerst ten grondslag dat de verklaringen van eiseres geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen, zoals bedoeld in artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw. Zo heeft eiseres vaag en summier verklaard over de bedreigingen van Tren de Aragua en de omstandigheden rond de geëiste betaling. Het is volgens verweerder, gelet op de wisselende verklaringen van eiseres, niet aannemelijk dat zij daadwerkelijk problemen heeft ondervonden met (afpersing van) Tren de Aragua. Het is volgens verweerder ook niet aannemelijk dat de vermeende daders na het vertrek van eiseres niets meer van zich hebben laten horen. Dit nu niet is gebleken dat zij wisten dat eiseres het land had verlaten, zij wisten waar eiseres woonde en zij hen nog geld was verschuldigd. Verder stelt verweerder dat de door eiseres overgelegde aangifte en haar vertrek uit Peru kort daarna laat blijken dat zij nooit daadwerkelijk bescherming heeft gezocht op lokaal niveau. Ook werpt verweerder eiseres tegen dat zij een paspoort heeft aangevraagd vóórdat zij problemen ondervond en dat haar verklaringen hierover ongerijmd zijn. Tot slot werpt verweerder aan eiseres tegen dat zij zich niet zo snel mogelijk heeft gemeld voor haar asielaanvraag en zij daarvoor geen goede verklaring heeft, zoals bedoeld in artikel 31, zesde lid, aanhef en onder d, van de Vw.
Het oordeel van de rechtbank
Beoordeling van de afwijzingsgronden
5. De rechtbank beoordeelt allereerst de tegenwerping van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw. Hetgeen verweerder ongeloofwaardig heeft bevonden in het asielrelaas van eiseres zal dan ook hieronder, in het licht van de beroepsgronden, worden beoordeeld. Daarna zal de rechtbank, indien daar aanleiding toe is, verweerders tegenwerping in het kader van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder d, van de Vw beoordelen.
De verklaringen omtrent de problemen
6. Eiseres betoogt dat zij consistent heeft verklaard dat zij tweemaal is bedreigd met een vuurwapen, dat het ging om doodsbedreigingen, en dat er daadwerkelijk geld van haar is afgenomen tijdens het tweede incident. De vermeende wisselingen in haar verklaring betreffen slechts details en kunnen worden verklaard door vertaalproblemen. Aan die details, zoals wanneer het geldbedrag uiteindelijk moest worden betaald, is volgens eiseres teveel gewicht toegekend door verweerder. Die feiten raken namelijk niet de onbetwiste kern van haar asielrelaas, namelijk dat zij slachtoffer is geweest van afpersing door criminelen die zich identificeerden als leden van Tren de Aragua. Ten aanzien van de tegenwerping van verweerder dat het ongeloofwaardig is dat de daders na haar vertrek niet bij haar woning zijn langsgekomen, stelt eiseres dat het waarschijnlijk is dat zij niet wisten waar zij woonde. Daarnaast heeft eiseres vlak voor de zitting een aangifte van haar broer bij de Peruaanse autoriteiten van 12 juni 2026 overgelegd. Daaruit blijkt volgens eiseres dat de daders haar broer op 9 juni 2026 hebben bedreigd, nadat zij het bestelbusje waarin hij reed, herkenden als het voertuig van eiseres. De daders zouden haar broer daarbij ook hebben bedreigd, eiseres bij naam hebben genoemd en hebben verklaard dat zij haar bij terugkeer naar Peru kwaad zouden aandoen. Volgens eiseres kan verweerder daarom niet langer volhouden dat de daders na haar vertrek niets meer van zich hebben laten horen, terwijl hiermee voorts de actuele vrees bij terugkeer alsnog is onderbouwd.
De rechtbank volgt eiseres niet in haar standpunt dat verweerder haar de tegenstrijdigheden en ongerijmdheden in haar verklaringen niet heeft kunnen tegenwerpen en overweegt daartoe als volgt. De verklaringen van eiseres over de inhoud van de bedreigingen en de termijn waarbinnen zij het resterende bedrag moest betalen, zien op het tweede incident en de kern van haar asielrelaas. Eiseres heeft verklaard dat zij tijdens dit incident, eind mei 2024, door de daders is beroofd van ongeveer 500 sol, dat de daders dit bedrag onvoldoende vonden en dat zij het resterende bedrag ‘zo snel mogelijk’ moest betalen. De rechtbank acht het met verweerder ongerijmd dat eiseres enerzijds heeft verklaard dat de bedreigers het (resterende) geldbedrag zo snel mogelijk wilden hebben, maar eiseres er anderzijds vanuit ging dat dit dan eind van de (volgende) maand zou zijn. Dit verdraagt zich niet met haar verklaring dat de bedreigers hadden gezegd dat ze meer geld moest geven, zo snel mogelijk, en dat ze zouden terugkomen. Daarbij komt dat eiseres in haar aangifte bij de lokale politie heeft verklaard dat de daders de daaropvolgende week zouden terugkeren. Dit is niet te rijmen met haar verklaring in het nader gehoor dat ze ervan uit ging dat de bedreigers eind van de maand zouden terugkomen om al het geld op te eisen. De stelling dat zij onder de omstandigheden enkel begreep dat zij snel zou moeten betalen maakt dat niet is in te zien waarom eiseres bij een dergelijk dreigement de indruk zou krijgen dat zij nog tot het einde van de (volgende) maand de tijd zou hebben om te betalen en als gevolg daarvan nog alle tijd zou hebben gehad om te vluchten. De nadere stelling ter zitting dat de daders niet zouden weten waar eiseres woonde, volgt de rechtbank niet. Uit het verslag van het nader gehoor, pagina 8, blijkt dat zij haar onderneming vanuit haar eigen huis beheerde en dat daar ook de observaties plaatsvonden waarmee haar problemen naar gesteld zijn begonnen. De rechtbank is, gelet op de aard van de verschillende verklaringen en anders dan eiseres heeft gesteld, van oordeel dat de verschillen niet zonder meer verklaarbaar zijn door problemen met de vertaling.
Hierbij komt overigens dat verweerder terecht aan eiseres heeft tegengeworpen dat de verklaringen over de bedreigingen en de leden van de Tren de Aragua vaag en summier zijn.
Eiseres heeft namelijk volstaan met een vage beschrijving van de bedreigers, namelijk dat het mannen met een vuurwapen waren, dat het Venezolanen waren omdat ze op een andere manier praten, en dat het de tweede keer andere mannen waren.
Ten aanzien van de door eiseres ingediende aanvulling op haar gronden en de aangifte van haar broer van 12 juni 2026, overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog dat uit de door haar overgelegde aangifte van haar broer volgt dat de daders na haar vertrek nog naar haar op zoek zijn geweest. Niet valt in te zien waarom de daders ruim twee jaar na haar vertrek opeens haar broer zouden hebben benaderd, enkel omdat hij in een bestelbusje reed dat zij herkenden als dat van eiseres, terwijl bij de Tren de Aragua al die tijd bekend was waar eiseres samen met haar familie woonde. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
De verklaringen omtrent de paspoortaanvraag
7. Eiseres stelt verder dat verweerder ten onrechte de datum van haar paspoortaanvraag haar heeft tegengeworpen, terwijl dit een normale voorzorgsmaatregel is gelet op het feit dat zij toen al merkte dat zij geobserveerd werd. Zij heeft verder ter zitting gesteld dat zij ook een paspoort heeft aangevraagd om eventueel vanuit haar onderneming internationaal zaken te kunnen doen.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de verklaringen van eiseres rondom het aanvragen van haar paspoort ongerijmd en tegenstrijdig zijn met hetgeen zij heeft verklaard. Het paspoort van eiseres blijkt op 18 oktober 2023 te zijn afgegeven. Eiseres heeft in het aanmeldgehoor op pagina 4 verklaard dat zij het paspoort heeft aangevraagd uit voorzorg, vanwege de problemen die zij had. Uit pagina 8 van het verslag van het nader gehoor blijkt evenwel dat eiseres heeft verklaard dat de observaties voor haar winkel – tevens haar woning - ongeveer drie maanden voor haar vertrek zijn begonnen. Ook ter zitting heeft zij met haar gemachtigde aangegeven dat de observaties rond 3 maart 2024, dus ongeveer drie maanden voor haar vertrek, hebben plaatsgevonden. Hieruit volgt dat de door eiseres gestelde observaties niet eerder zijn begonnen dan in maart 2024. De stelling van eiseres dat zij haar paspoort als voorzorg heeft aangevraagd omdat zij dacht geobserveerd te worden, volgt de rechtbank daarom niet. De stelling van eiseres ter zitting, dat zij ook een paspoort heeft aangevraagd om misschien internationaal zaken te kunnen doen, doet er niet aan af dat de rechtbank de asiel gerelateerde reden voor het aanvragen van haar paspoort, zoals eerder door eiseres naar voren toe gebracht, niet kan volgen.
De verklaringen omtrent de aangifte bij de politie
8. Eiseres betoogt dat ook de aangifte bij de politie, waarop geen actie is ondernomen, onterecht niet als relevant bewijs is erkend omdat zij geen werkelijke bescherming zou hebben gezocht. Daarmee gaat verweerder er volgens eiseres aan voorbij dat het begrijpelijk is dat slachtoffers van georganiseerde criminaliteit geen uitgebreidere pogingen ondernemen om bescherming te zoeken. Ter onderbouwing daarvan verwijst eiseres naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 29 september 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:17896.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder eiseres terecht tegengeworpen dat haar aangifte bij de politie in Peru geen daadwerkelijke poging is geweest om op lokaal niveau bescherming te verkrijgen, temeer nu zij zelf in het nader gehoor heeft verklaard dat zij de dag
na de aangifte meteen is vertrokken en al vóór het tweede incident een vliegticket had geboekt. De door eiseres aangehaalde uitspraak ziet op de situatie in Colombia en de daarbij horende landeninformatie over de toegankelijkheid van lokale bescherming bij afpersing. Nu eiseres op dit punt geen landeninformatie of andere stukken ten aanzien van Peru heeft overgelegd, is het de rechtbank niet gebleken dat sprake is van een vergelijkbare situatie als in de aangehaalde uitspraak. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat eiseres weliswaar in het nader gehoor heeft verklaard dat het doen van aangifte niet betekent dat de politie je gaat helpen of ondersteunen, maar ze heeft niet afgewacht of de politie in Peru daadwerkelijk bij haar langs zou komen, zodat zij dus geen persoonlijke ervaringen kan delen over de mogelijkheid van lokale bescherming. Daarbij merkt de rechtbank overigens op dat uit het EUAA rapport (Peru Country Focus september 20232, p 49) volgt dat de Peruaanse autoriteiten met politieacties optraden tegen bendes die zich onder meer bezig hielden met misdrijven zoals afpersing. In dat kader vonden er arrestaties plaats en werden criminele groepen ontmanteld. Gelet daarop valt evenmin in te zien waarom eiseres zich niet heeft gemeld voor bescherming, maar met het doel om een aangifte te verkrijgen ter onderbouwing van haar asielrelaas.
Verklaringen ten aanzien van verhuizing binnen Peru
9. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiseres niet inzichtelijk heeft gemaakt dat internationale bescherming de enige mogelijkheid was om zichzelf in veiligheid te brengen. Daartoe acht verweerder redengevend dat eiseres enerzijds heeft verklaard dat zij geen geld had om te verhuizen, terwijl zij anderzijds wel naar Nederland is vertrokken. De verklaring in de zienswijze, dat zij nergens in Peru veilig was, strookt niet met haar eerdere verklaring over geldgebrek. Ook is niet onderbouwd dat de Tren de Aragua overal in Peru actief is, aldus verweerder. Volgens eiseres is verweerder er daarmee aan voorbij gegaan dat zij primair niet heeft verklaard dat zij geen geld had om te verhuizen, maar dat zij niet binnen Peru kon verhuizen vanwege het gebrek aan bescherming vanuit de autoriteiten. Volgens eiseres is informatie over beschermingsmogelijkheden in het algemeen niet voldoende wanneer deze niet specifiek ziet op bescherming tegen afpersing door criminele groeperingen. Ter onderbouwing van dat standpunt verwijst eiseres naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 25 februari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:2911.
De rechtbank volgt eiseres niet in haar standpunt. Eiseres heeft immers (blijkens p. 13 van het nader gehoor) verklaard niet binnen Peru te willen verhuizen omdat zij daar geen geld voor heeft. Zij heeft die verklaring niet gecorrigeerd in de correcties en aanvullingen op het nader gehoor. Verder overweegt de rechtbank, zoals ook reeds hiervoor onder 8.1 is overwogen, dat niet is gebleken dat er in Peru op nationaal niveau geen beschermingsmogelijkheden zijn. De uitspraak van 25 februari 2025 waarnaar eiseres verwijst ziet op de situatie in Colombia. Zoals ook eerder is overwogen, is niet gebleken dat de situatie in Colombia vergelijkbaar is met de situatie in Peru. Daarnaast overweegt de rechtbank, zoals ook in 8.1 is overwogen, dat uit het EUAA rapport ten aanzien van Peru blijkt dat de Peruaanse autoriteiten eerder optraden tegen afpersing door bendes. De beroepsgrond slaagt niet.
Eiseres als interessant doelwit
10. Eiseres stelt dat uit landeninformatie over Peru, onder meer pagina 42 van het EUAA rapport van September 2023, blijkt dat juist kleine zelfstandige ondernemers vaak het slachtoffer zijn van afpersing.
De rechtbank stelt voorop dat uit het EUAA rapport waar eiseres naar verwijst weliswaar kan worden afgeleid dat ondernemers in Peru het slachtoffer kunnen worden van afpersing, maar dat niet zonder meer betekent dat moet worden aangenomen dat óók eiseres daadwerkelijk het slachtoffer is geworden van de door haar gestelde afpersing. De landeninformatie heeft betrekking op de algemene situatie in Peru en biedt daarmee geen bevestiging van de individuele verklaringen van eiseres over de gebeurtenissen die zij stelt te hebben meegemaakt. Daarbij is van belang dat niet iedere ondernemer in Peru zonder meer slachtoffer is van afpersing en dat het enkele behoren tot een groep die een verhoogd risico kan lopen, zoals ondernemers, onvoldoende is om de door eiseres gestelde gebeurtenissen aannemelijk te achten. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, heeft verweerder terecht door eiseres gestelde gebeurtenissen ongeloofwaardig geacht. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Integrale geloofwaardigheidsbeoordeling
11. Eiseres stelt zich tot slot op het standpunt dat op grond van artikel 31, zesde lid, van de Vw en de Werkinstructie 2024/6 (WI 2024/6) verweerder een geloofwaardigheidsbeoordeling dient te maken waarbij alle relevante elementen in onderlinge samenhang worden beoordeeld. Dit heeft verweerder niet gedaan, door ten onrechte aspecten zoals de aangifte bij de politie, de identificatie van de bedreigers als zijnde leden van Tren de Aragua, en de correcties en aanvullingen op het nader gehoor ten aanzien van de interpretatieproblemen, niet af te zetten tegen de kernpunten van het asielrelaas. Die kernpunten zien volgens eiseres op de doodsbedreigingen die zij van haar afpersers met een vuurwapen heeft ervaren en de consistente verklaringen die zij daarover heeft afgelegd.
De rechtbank volgt eiseres niet in haar standpunt dat verweerder de verschillende elementen van haar asielrelaas onvoldoende in onderlinge samenhang heeft beoordeeld. Uit artikel 31, zesde lid, van de Vw en WI 2024/6 volgt dat bij de beoordeling van de geloofwaardigheid alle relevante elementen van het asielrelaas moeten worden betrokken. Dat heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank, in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen, genoegzaam gedaan. Dat eiseres consistent heeft aangegeven dat sprake is geweest van een bedreiging met een vuurwapen, maakt dat, het standpunt van verweerder en het oordeel van de rechtbank daarover, niet anders. Daarbij merkt de rechtbank overigens op dat verweerder de door eiseres ingediende correcties en aanvullingen op het nader gehoor, waaronder de mogelijke vertaalproblemen, kenbaar bij de beoordeling heeft betrokken. De beroepsgrond slaagt niet.
12. Het voorgaande brengt de rechtbank tot de slotsom dat de asielaanvraag reeds terecht is afgewezen op de grond dat de verklaringen van eiseres niet samenhangend en aannemelijk zijn, als bedoeld in artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw. De overige beroepsgronden, waaronder de gronden gericht tegen de afwijzing van de asielaanvraag op grond van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder d, van de Vw, behoeven daarom geen verdere bespreking.Conclusie en gevolgen
13. Nu geen van de beroepsgronden slaagt, is het beroep ongegrond. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.
1 Vreemdelingenwet 2000. Op het onderhavige beroep is van toepassing de Vreemdelingenwet 2000 van vóór 12 juni 2026.
2 Dit rapport ziet op de verslagleggingsperiode van januari 2021 tot 19 september 2023, dus niet lang voor het vertrek van eiseres uit Peru. Uit het EUAA rapport van 11 juli 2025 (p 8) volgt dat er eerst in juli 2024, dus na het vertrek van eiseres, een wetsvoorstel is gedaan om de definitie van georganiseerde misdaad te beperken, waarmee opsporingsacties werden ondermijnd.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.J. Adriaansen, rechter, in aanwezigheid van F.S. Ulrich, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
17 september 2026
Documentcode: [code]
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.