Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummers: 09/252461-25, 09/008361-26, 09/030162-26 en 96/275398-25 (ttz. gev.)
Datum uitspraak: 24 september 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats] ,
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] ,
locatie [locatie] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 10 september 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. B. Verheesen en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. K.H.T. van Gijssel naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in een viertal dagvaardingen, te weten:
- dagvaarding I (09/252461-25);
- dagvaarding II (09/008361-26);
- dagvaarding III (09/030162-26);
- dagvaarding IV (96/275398-25).
De tenlastelegging in dagvaarding II is op vordering van de officier van justitie gewijzigd op de terechtzitting. De tekst van de (gewijzigde) tenlasteleggingen is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3. De bewijsbeslissing
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft namens de verdachte vrijspraak bepleit voor de bij dagvaarding II onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, het bij dagvaarding III ten laste gelegde feit, alsmede het bij dagvaarding IV onder 4 ten laste gelegde feit. Ten aanzien van de bij dagvaarding I onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, het bij dagvaarding II onder 3 ten laste gelegde feit en de bij dagvaarding IV onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Vrijspraak
Ten aanzien van dagvaarding II, feit 1
Oplichting
Met de raadsman en anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de bij dagvaarding II onder 1 ten laste gelegde oplichting niet wettig en overtuigend is bewezen. De rechtbank stelt vast dat zich in het dossier een proces-verbaal van aangifte bevindt met foto’s van de persoon die de aangeefster zou hebben opgelicht. In de aangifte vermeldt de aangeefster dat zij aan ene [naam] , die zich voordeed als makelaar, een contant geldbedrag van € 5.000,- zou hebben gegeven als borg voor een huurwoning. De aangeefster zou een video-opname hebben gemaakt van deze contante betaling, maar deze video ontbreekt in het dossier. Ook nader concreet bewijs van de betaling ontbreekt. De rechtbank is op grond hiervan van oordeel dat er geen steunbewijs voorhanden is die de aangifte ondersteunt. Ook de aan de aangifte gehechte foto’s zijn afkomstig van aangeefster en daarmee afkomstig uit dezelfde bron als de aangifte. Hoewel de verdachte door twee verbalisanten op de foto’s van de aangeefster is herkend, overweegt de rechtbank dat de herkenningen de kern van de beschuldiging niet raken. Uit het bovenstaande, in onderling verband en samenhang bezien, volgt dat de verdachte bij gebrek aan wettig en overtuig dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde oplichting.
Ten aanzien van dagvaarding III
Heling fatbike
Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de bij dagvaarding III ten laste gelegde heling van de fatbike niet wettig en overtuigend is bewezen. De rechtbank stelt vast dat de fatbike is aangetroffen in een woning van een vriendin van de verdachte, waar de verdachte zich bevond op het moment dat de politie de fatbike aantrof. De fatbike stond als gestolen gesignaleerd. De verdachte heeft ter terechtzitting ontkend dat hij zou hebben gezegd dat de fatbike van hem was en verklaard dat hij de achterband van de fatbike zou repareren, maar dat hij daar nog niet aan was begonnen. De rechtbank is van oordeel dat op basis van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting niet kan worden vastgesteld dat de verdachte daadwerkelijk beschikkingsmacht over de fatbike heeft gehad. Onduidelijk is op welk moment de verdachte met de fatbike in aanraking is gekomen en onder welke omstandigheden dat zou zijn geschied. De rechtbank is daarom van oordeel dat niet met de voor een bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid is vast te stellen dat de verdachte de fatbike voorhanden heeft gehad. De rechtbank acht de ten laste gelegde heling dan ook niet wettig en overtuigend bewezen en spreekt de verdachte hiervan vrij.
Ten aanzien van dagvaarding IV, feit 4
Rijden met een ongeldig verklaard rijbewijs
Anders dan de officier van justitie en met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat het bij dagvaarding IV onder feit 4 ten laste gelegde rijden met een ongeldig verklaard rijbewijs niet wettig en overtuigend is bewezen. De rechtbank stelt op grond van de stukken in het dossier vast dat de verdachte op 11 september 2025 een auto heeft bestuurd terwijl zijn rijbewijs op dat moment ongeldig was verklaard. Door het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: CBR) is het besluit tot ongeldig verklaring van het rijbewijs op 21 augustus 2025 per aangetekende brief verzonden naar het GBA-adres van de verdachte, te weten de [adres 1] . Uit deze brief blijkt dat het rijbewijs van de verdachte per 28 augustus 2025 ongeldig verklaard werd. De aangetekende brief is niet retour gekomen naar het CBR. Evenmin is gebleken dat de verdachte de brief van het CBR in ontvangst heeft genomen. Uit de enkele omstandigheid dat het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de verdachte per aangetekende brief aan hem is verzonden en niet als onbestelbaar retour is gekomen, mag volgens vaste jurisprudentie niet zonder meer worden afgeleid dat de verdachte wist of redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Andere omstandigheden waaruit die wetenschap dan toch zou kunnen volgen zijn niet gebleken. Onder deze omstandigheden kan naar het oordeel van de rechtbank niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat de verdachte wist dan wel redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Gelet hierop is hetgeen de verdachte bij dagvaarding IV onder 4 ten laste is gelegd niet wettig en overtuigend bewezen en wordt de verdachte hiervan vrijgesproken.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in bijlage II opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Bewijsoverwegingen
Ten aanzien dagvaarding II feit 2
De raadsman heeft vrijspraak van de verduistering van de auto bepleit, nu de verdachte zich de auto nimmer heeft willen toe-eigenen. De verdachte heeft geen opzet gehad om de auto te verduisteren, maar kon de auto niet meer betalen en heeft hem daarom noodgedwongen doorverhuurd aan een derde. Deze derde is er met de auto vandoor gegaan.
De rechtbank stelt vast dat tussen [bedrijf 1] , het bedrijf van de verdachte, en [bedrijf 2] B.V. op 30 juli 2025 een leaseovereenkomst is gesloten, waarbij conform de overeenkomst gedurende een periode van 12 maanden een bedrag van € 2.359,50 per maand door de verdachte betaald diende te worden. Het door de verdachte geleasde voertuig betrof een Mercedes-Benz E300 E met kenteken [kenteken] dat in eigendom toebehoort aan [bedrijf 2] B.V. Vervolgens heeft [bedrijf 2] B.V. op 29 september 2025 aangifte gedaan van verduistering, nadat zij de verdachte meermaals heeft aangemaand vanwege de achterstand in betalingen, maar zonder resultaat en de auto ook niet retour heeft ontvangen. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard het leasebedrag twee maanden te hebben betaald, waarna hij de auto niet meer kon betalen en deze heeft verhuurd aan een vriend met als doel om met de leaseauto extra inkomsten te genereren. De desbetreffende vriend is evenwel, samen met de auto, met de noorderzon vertrokken, waardoor geen teruggave van de auto aan de leasemaatschappij heeft plaatsgevonden.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdachte zich in de onderhavige zaak schuldig gemaakt aan verduistering van de auto. Daartoe overweegt de rechtbank dat de verdachte niet alleen heeft verzuimd alle huurtermijnen te betalen en de auto in te leveren, ook heeft de verdachte de auto zonder medeweten en toestemming van [bedrijf 2] B.V verhuurd en ter beschikking gesteld aan een vriend om extra inkomsten te genereren. De verdachte heeft hiermee een handeling verricht die exclusief aan de eigenaar van de auto toebehoorde en als ‘heer en meester’ over de auto beschikt. In deze omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank sprake van opzettelijke wederrechtelijke toe-eigening van de auto.
Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank de ten laste gelegde verduistering van de personenauto met kenteken [kenteken] wettig en overtuigend bewezen.
Ten aanzien van dagvaarding II feit 3
De verdachte heeft bekend dat hij bij Shell Hoge Rijndijk, Shell Station Kempeneers en BP De Hucht benzine heeft getankt en is vertrokken zonder te betalen. Nu hij evenmin binnen 24 uur is teruggekeerd om, zoals hij had toegezegd, de rekening alsnog te voldoen, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van diefstal.
De rechtbank acht eveneens de diefstal bij Shell Hillegom wettig en overtuigend bewezen. Tegenover de ontkenning van de verdachte, staat de op de terechtzitting getoonde foto, waarop de rechtbank heeft waargenomen, dat de benzine bij Shell Hillegom werd getankt door de verdachte.
De rechtbank spreekt de verdachte vrij van de ten laste gelegde diefstallen bij Esso Noordwijkerhout en Shell Ede, nu aan de hand van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting niet met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden vastgesteld dat de verdachte deze diefstallen heeft gepleegd. Hierbij is van belang dat de verdachte heeft verklaard dat zijn auto ook gebruikt werd door een vriend, wiens uiterlijke kenmerken enigszins overeenkomen met de verdachte.
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
Dagvaarding I
1
hij op 24 september 2025 te Voorhout, gemeente Teylingen een wapen van categorie II, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een RCIED (radio controlled improvised explosive device), zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing voorhanden heeft gehad;
2
hij op 13 april 2026 te Katwijk meerdere blikjes en een flesje drinken en vleesproducten die aan [bedrijf 3] B.V., toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
Dagvaarding II
2
hij in de periode van 28 september 2025 tot en met 09 januari 2026 te Voorhout, gemeente Teylingen opzettelijk een personenauto met kenteken [kenteken] , toebehorende aan [bedrijf 2] B.V., welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten op basis van een leaseovereenkomst, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;
3
hij op tijdstippen in de periode van 5 maart 2025 tot en met 2 mei 2025 te Hillegom, Leiden, Ugchelen benzine dat aan
- Shell Hillegom,
- Shell Hoge Rijndijk,
- Shell Station Kempeneers en
- Bp de Hucht
toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
Dagvaarding IV
1
hij op 11 september 2025, in een of meerdere gemeentes in Nederland, als bestuurder van een personenauto, daarmee rijdende op een of meerdere wegen, de Willem de Zwijgersingel het rode verkeerslicht heeft genegeerd waarbij een voertuig moest uitwijken ten einde een aanrijding te voorkomen, en
- vervolgens ter hoogte van de Kooilaan zeer krachtig heeft geremd voor stilstaande voertuigen die voor de verkeerlichten stonden te wachten, waarbij hij, verdachte, bijna in aanrijding kwam met een motorfiets, en
- vervolgens op de Kooilaan zigzaggend door het overige verkeer is gereden, en
- vervolgens op de Lage Rijndijk het rode verkeerslicht heeft genegeerd waarbij twee fietsers moesten remmen ten einde een aanrijding te voorkomen, en
- vervolgens op de Rietschans, Engelendaal en de Oude Spoorbaan tegen de rijrichting heeft gereden, waarbij meerdere voertuigen moesten uitwijken ten einde een aanrijding te voorkomen, en door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt en het verkeer op die weg werd gehinderd;
2
hij op 11 september 2025 te Leiden, binnen de bebouwde kom, als bestuurder van een personenauto op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Willem de Zwijgerlaan, heeft gereden met een snelheid van ongeveer 129 kilometer per uur, in elk geval de aldaar voor motorvoertuigen toegestane maximumsnelheid van 50 kilometer per uur met meer dan 30 kilometer per uur heeft overschreden;
3
hij op 11 september 2025 te Leiden, als bestuurder van een personenauto, dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 705 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.
4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
5. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte ten aanzien van de misdrijven wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 19 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. Ten aanzien van de overtredingen heeft de officier van justitie gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis. Daarnaast heeft de officier van justitie ten aanzien van de overtredingen de oplegging gevorderd van een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 2 jaren.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om aan de verdachte een gevangenisstraf op te leggen die het voorarrest niet overstijgt in combinatie met maximale taakstraffen, subsidiair in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf. Daarbij heeft de raadsman verzocht om de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden op te leggen met uitzondering van de klinische opname. Ten aanzien van de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen heeft de raadsman verzocht deze (grotendeels) voorwaardelijk op te leggen.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een veelvoud van strafbare feiten, te weten het voorhanden hebben van een explosief, meerdere diefstallen, verduistering van een leaseauto, het zich zodanig op de weg gedagen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt en dat het verkeer wordt gehinderd, het overschrijden van de maximumsnelheid binnen de bebouwde kom alsmede het rijden onder invloed van alcohol.
Explosieven brengen een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen en goederen met zich mee en het onbevoegd bezit van een dergelijk explosief is, gelet op de enorme risico’s, maatschappelijk onaanvaardbaar. De rechtbank weegt strafverzwarend mee dat de verdachte het explosief in zijn woning voorhanden heeft gehad. Dat levert potentieel ernstig gevaar op voor zijn woonomgeving. Dit neemt de rechtbank de verdachte kwalijk.
Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan de diefstal van winkelgoederen en diefstal van benzine door vier keer te tanken zonder te betalen. Door zijn handelen heeft de verdachte een aantal bedrijven en personen financiële schade en overlast toegebracht en heeft hij misbruik gemaakt van het vertrouwen dat in het handelsverkeer noodzakelijk is.
Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan de verduistering van een leaseauto, die in eigendom aan [bedrijf 2] B.V. toebehoort. Dergelijke feiten veroorzaken schade en overlast voor de benadeelde en de maatschappij in het algemeen. Met zijn handelen heeft de verdachte aangetoond geen enkel respect te hebben voor het eigendomsrecht van anderen.
De verdachte heeft daarnaast gevaar op de weg veroorzaakt door met zeer hoge snelheid te rijden, rode verkeerslichten te negeren, krachtig te remmen voor voertuigen die voor het verkeerslicht stilstonden waarbij de verdachte bijna in aanrijding kwam met een motorfiets, zigzaggend door het verkeer te rijden en tegen de rijrichting in te rijden waarbij meerdere voertuigen moesten uitwijken om een aanrijding te voorkomen. De verdachte reed op dat moment onder invloed van alcohol. Door aldus te handelen heeft de verdachte niet alleen zijn eigen veiligheid, maar ook die van anderen ernstig in gevaar gebracht. Dat er geen medeweggebruikers of omstanders gewond zijn geraakt, is een gelukkige omstandigheid die geenszins aan de verdachte te danken is.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 20 augustus 2026. In het nadeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat de verdachte in de afgelopen vijf jaren eerder is veroordeeld voor overtredingen van de Wegenverkeerswet 1994 en het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte d.d. 11 juni 2026, waaruit volgt dat sprake is van diverse risicofactoren, waaronder het gebrek aan dagbesteding, het gebrek aan inkomen, de omgang met een pro-crimineel netwerk en middelengebruik. De verdachte is in 2025 en 2026 meermaals in aanraking gekomen met justitie en in de tussenliggende periode werden zijn levensomstandigheden steeds instabieler en nam zijn middelengebruik toe. De verschillende pogingen die de verdachte ondernam tot het volgen van een (klinische) behandeling in vrijwillige setting hebben niet het gewenste resultaat opgeleverd. De reclassering heeft ingeschat dat er sprake is van een hoog recidiverisico. De reclassering adviseert bij veroordeling de verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met bijzondere voorwaarden, te weten: een meldplicht bij de reclassering, opname in een zorginstelling, ambulante behandeling, dagbesteding, aflossing van schulden en beheersing middelengebruik.
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Het zwaartepunt in het bepalen van de straf ligt bij het voorhanden hebben van het explosief. De rechtbank heeft daarbij aansluiting gezocht bij het oriëntatiepunt voor explosieven in een woning. Daarin is als uitgangspunt vermeld een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. De rechtbank acht, alles afwegende, ten aanzien van de misdrijven een gevangenisstraf van 15 maanden passend en geboden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. De rechtbank zal een deel van die straf, te weten 6 maanden, voorwaardelijk opleggen met een proeftijd van twee jaren en daaraan de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden verbinden met uitzondering van de klinische opname, om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken en te bewerkstelligen dat er een oplossing wordt gevonden voor de problematiek van de verdachte en zo de kans op recidive terug te dringen.
Ten aanzien van de overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 acht de rechtbank, alles afwegende, een taakstraf voor de duur van 120 uren te vervangen door 60 dagen vervangende hechtenis en een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 2 jaren passend en geboden. Ten aanzien van de snelheidsovertreding zal de rechtbank toepassing geven aan artikel 9a Wetboek van Strafrecht en de verdachte geen straf of maatregel opleggen, met het oog op de straf die de rechtbank reeds voor de overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 heeft opgelegd.
Gelet op de opgelegde straf wordt het verzoek om de voorlopige hechtenis op te heffen afgewezen, De ernstige bezwaren en gronden zijn nog steeds aanwezig en de situatie als bedoeld in artikel 67a lid 3 van het Wetboek van strafvordering is niet aan de orde.
7. De vorderingen van de benadeelde partijen
De vordering
Dagvaarding II, feit 2
[bedrijf 2] B.V. heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert schadevergoeding van € 77.873,27, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.
Dagvaarding III
[benadeelde] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert schadevergoeding van € 790,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de officier van justitie
Benadeelde partij [bedrijf 2] B.V.
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, tot een bedrag van € 51.593,71, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr.
Benadeelde partij [benadeelde]
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, tot een bedrag van € 240,- , te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr. Voor het overige heeft de officier van justitie verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering.
Het standpunt van de verdediging
Benadeelde partij [bedrijf 2] B.V.
De raadsman heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij.
Benadeelde partij [benadeelde]
De raadsman heeft verzocht om de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, gelet op de bepleite vrijspraak van het ten laste gelegde feit.
Het oordeel van de rechtbank
Benadeelde partij [bedrijf 2] B.V.
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bij dagvaarding II onder 2 bewezenverklaarde feit. De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de post ‘boekwaarde voertuig HFG-13-P exclusief BTW’, is namens de verdachte niet (gemotiveerd) betwist en namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. De rechtbank zal dit bedrag ter grootte van € 51.593,71 aan gevorderde materiële schadevergoeding dan ook toewijzen.
De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de overige posten, de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien deze schade posten geen rechtstreeks gevolg zijn van het bewezenverklaarde feit, maar van de niet nakoming van de overeenkomst die de verdachte met de benadeelde partij is aangegaan. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen. .
De rechtbank zal bepalen dat de verdachte over het voormelde bedrag de wettelijke rente dient te voldoen met ingang van 28 september 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Nu de verdachte ten opzichte van de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag € 51.593,71, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 28 september 2025 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van de benadeelde partij [bedrijf 2] B.V..
Benadeelde partij [benadeelde]
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien
de verdachte van het feit waarop de vordering betrekking heeft, zal worden vrijgesproken.
De rechtbank zal de kosten die in verband met deze vordering zijn gemaakt compenseren door te bepalen dat de verdachte en de benadeelde partij ieder de eigen kosten dragen.
8. De inbeslaggenomen voorwerpen
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de onder 2 en 3 genoemde voorwerpen op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen (beslaglijst, die als bijlage III aan dit vonnis is gehecht) zullen worden onttrokken aan het verkeer.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen standpunt ingenomen.
Het oordeel van de rechtbank
Nu uit het onderzoek ter terechtzitting niet naar voren is gekomen dat het bouwmateriaal en de kentekenplaat voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer in aanmerking komen, zal de rechtbank de teruggave gelasten van deze op de beslaglijst genoemde voorwerpen aan de rechthebbende, te weten de verdachte.
9. De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:
- 9, 14 a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 62, 63, 310, 321 van het Wetboek van Strafrecht;
- 5, 8, 176, 177, 179 van de Wegenverkeerswet 1994;
- 26, 55 van de Wet wapens en munitie.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
10. De beslissing
De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding II ( parketnummer 09/008361-26) onder 1, de bij dagvaarding III (parketnummer 09/030162-26) en de bij dagvaarding IV (parketnummer 96/275398-25) onder 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding I (parketnummer 09/252461-25) onder 1 en 2, de bij dagvaarding II (parketnummer 09/008361-26) onder 2 en 3, en de bij dagvaarding IV (parketnummer 96/275398-25) onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van dagvaarding I (09/252461-25) onder 1 ten laste gelegde:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, onderdeel 7º;
ten aanzien van dagvaarding I (09/252461-25) onder 2 ten laste gelegde:
diefstal;
ten aanzien van dagvaarding II (09/008361-26) onder 2 ten laste gelegde:
verduistering;
ten aanzien van dagvaarding II (09/008361-26) onder 3 ten laste gelegde:
diefstal, meermalen gepleegd;
ten aanzien van dagvaarding IV (96/275398-25) onder 1 ten laste gelegde:
overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994;
ten aanzien van dagvaarding IV (96/275398-25) onder 2 ten laste gelegde:
overtreding van het bepaalde bij artikel 20, aanhef en onder a van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;
ten aanzien van dagvaarding IV (96/275398-25) onder 3 ten laste gelegde:
overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994 (705 microgram);
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
ten aanzien van dagvaarding I (parketnummer 09/252461-25) feit 1 en 2, dagvaarding II (parketnummer 09/008361-26) feit 2 en 3 en dagvaarding IV (parketnummer 96/275398-25) feit 3:
een gevangenisstraf voor de duur van 15 (VIJFTIEN) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 6 (ZES) MAANDEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
- zich gedurende de proeftijd meldt bij de Reclassering Fivoor, zo vaak enzolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de veroordeelde zich binnen 5 dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij GGZ reclassering Fivoor, [adres 2] ;
- zich gedurende de proeftijd laat behandelen door de forensische polikliniek van Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start zo spoedig mogelijk. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek en verslavingsproblematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken;
- zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;
geeft opdracht aan Reclassering Fivoor tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen.
ten aanzien van dagvaarding IV (parketnummer 96/275398-25) feit 1:
veroordeelt de verdachte tot:
een taakstraf voor de tijd van 120 (HONDERDTWINTIG) UREN;
beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 60 (ZESTIG) DAGEN;
veroordeelt de verdachte voorts tot:
een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 2 (TWEE) JAREN;
bepaalt dat die straf niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
ten aanzien van dagvaarding IV (parketnummer 96/275398-25) feit 2:
bepaalt dat ter zake van het bewezen verklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd;
wijst af het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis;
de vordering van de benadeelde partij Wenslink Lease B.V.;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 51.593,71 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 28 september 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [bedrijf 2] B.V.;
bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 51.593,71, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 september 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 230 (tweehonderddertig) dagen;
verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;
de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] ;
bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;
bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen;
de inbeslaggenomen goederen;
gelast de teruggave aan de verdachte van de op de beslaglijst onder 2 en 3 genoemde voorwerpen, te weten: het bouwmateriaal en de kentekenplaat.
Dit vonnis is gewezen door
mr. G.P. Verbeek, voorzitter,
mr. J.M.J. Keltjens, rechter,
mr. M.S. Verboom, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. E. Assies, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 september 2026.