ECLI:NL:RBDHA:2026:27931

ECLI:NL:RBDHA:2026:27931

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 23-09-2026
Datum publicatie 24-09-2026
Zaaknummer NL26.54041
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Bewaring, artikel 59a Vw, onrechtmatige ophouding, vergoeding proceskosten, ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [nummer], eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.54041

(gemachtigde: mr. F. Boone),

en

(gemachtigde: mr. J.E. Herlaar).

Procesverloop

Bij besluit van 11 september 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.

Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 17 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K. Wali als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader

1. Verweerder kan de vreemdeling op wie de Asiel- en migratiebeheerverordening van toepassing is, met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat in vreemdelingenbewaring stellen met inachtneming van artikel 44 van de Asiel- en migratiebeheerverordening. In de Asiel- en migratiebeheerverordening staat dat de lidstaten wanneer er een onderduikrisico bestaat of indien dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde, de lidstaten de betrokken persoon in vreemdelingenbewaring kunnen houden om overdrachtsprocedures overeenkomstig deze verordening veilig te stellen, op basis van een individuele beoordeling van de situatie van de betrokken persoon en enkel voor zover vreemdelingenbewaring evenredig is en andere, minder dwingende alternatieve maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast.

Op grond van het Vb kan een vreemdeling in vreemdelingenbewaring worden gesteld of een vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat als bedoeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening indien er een onderduikrisico bestaat of dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.

Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.

Ophouding

2. Eiser voert aan dat verweerder de wettelijke termijn voor ophouding heeft overschreden en dat daardoor de maatregel van bewaring onrechtmatig is. Verweerder heeft dit onderkend maar de motivering van verweerder voor de overschrijding van de termijn is onvoldoende, aldus eiser. Verweerder kon bij aanvang van de ophouding de avond ervoor al beginnen met het plannen van het gehoor. Verweerder heeft voldoende tijd gehad om eiser te horen en de wettelijke termijnoverschrijding is daarom fataal.

De rechtbank overweegt als volgt. De ophouding mag ingevolge artikel 50, tweede lid, van de Vw niet langer dan zes uur duren, waarbij de tijd tussen middernacht en negen uur ‘s morgens niet wordt meegerekend. Uit het proces-verbaal van ophouding en onderzoek blijkt dat de ophouding van eiser is aangevangen op 10 september 2026 om 23:55 uur. Eiser is op de volgende dag op 11 september 2026 om 15:46 uur in bewaring gesteld. De maximum duur van zes uur is daarmee overschreden met 51 minuten. Dit heeft verweerder in de maatregel en ter zitting erkend. Gelet hierop is sprake van een gebrek.

Uit de Afdelingsuitspraak van 2 september 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:3540), volgt dat de onrechtmatigheid van de ophouding de daaropvolgende inbewaringstelling slechts onrechtmatig maakt, indien de met de bewaring gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen. Bij afweging van de betrokken belangen is de rechtbank van oordeel dat voornoemd gebrek in de ophouding niet kan leiden tot de conclusie dat de daaropvolgende inbewaringstelling onrechtmatig is. Er is immers sprake van een relatief geringe overschrijding van de maximum duur en gelet op hetgeen onder 3.2. is overwogen, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat ten aanzien van eiser een onderduikrisico bestaat. Verweerder heeft verder de redenen voor de vertraging van het opleggen van de maatregel – de omstandigheid dat eiser voorafgaand aan het gehoor in gebed was, dat hij daarna de gelegenheid kreeg om met zijn advocaat te spreken en de duur van het gehoor zelf - voldoende gemotiveerd (zie pagina 3 van de maatregel). De stelling dat verweerder beter had kunnen plannen en de avond van tevoren al had kunnen beginnen volgt de rechtbank niet aangezien de ophouding immers pas aanving om 23:55 uur. Daarnaast blijkt uit het proces-verbaal van het gehoor voorafgaande aan het opleggen van de maatregel dat dit gehoor is aangevangen op 11 september 2026 om 09:42 uur, derhalve vóór het verstrijken van de zes uur. Gelet op het voorgaande valt de belangenafweging uit in het voordeel van verweerder.

Nu sprake is van een onrechtmatige ophouding, heeft eiser recht op vergoeding van de proceskosten.

Bewaringsmaatregel en gronden

3. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening en een onderduikrisico bestaat.

In de maatregel heeft verweerder ter onderbouwing van het onderduikrisico als gronden zoals bedoeld in artikel 5.6, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) vermeld dat eiser:

a. de vreemdeling is Nederland niet op de voorgeschreven wijze binnengekomen of een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;

p. de vreemdeling zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 heeft gehouden;

r. de vreemdeling geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;

s. de vreemdeling niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

Eiser heeft de gronden die ten grondslag zijn gelegd aan de maatregel van bewaring, en de daarop gegeven toelichtingen, niet betwist. De onbestreden gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.

Ambtshalve toetsing

4. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Eiser krijgt gelet op hetgeen onder 2.3. is overwogen een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af en

- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. E. op den Kamp, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. S.N. Abdoelkadir

Griffier

  • mr. E. op den Kamp

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand