[naam], eiseres,
V-nummer: [v-nummer:],
(gemachtigde: mr. M.R. van der Pol),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. J. Veendorp).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 2 juni 2026 niet in behandeling genomen, omdat Zweden verantwoordelijk is voor de aanvraag.
De rechtbank heeft het beroep, tegelijk met het verzoek om een voorlopige voorziening op 11 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, een tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Op het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt apart beslist.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat, mede, aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van haar aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Toepasselijk recht en verantwoordelijkheid Zweden
4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.
Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland op 9 april 2026 bij Zweden een verzoek om overname gedaan. Zweden heeft dit verzoek op 15 april 2026 aanvaard op grond van artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
5. Eiseres voert aan dat de minister de actuele landeninformatie over de situatie van Dublinterugkeerders in Zweden onvoldoende heeft betrokken. Zij verwijst met name naar het AIDA-rapport van mei 2025 (update 2024) waaruit volgens haar blijkt dat Dublinterugkeerders kunnen worden geconfronteerd met financiële beperkingen, beperkte toegang tot sociale of noodhulp en beperkte toegang tot effectieve rechtsbijstand. Volgens eiseres heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom deze informatie in haar specifieke situatie niet relevant is en kan, gelet op deze informatie en haar individuele omstandigheden, niet zonder meer worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
In de aan de Afdelingsuitspraak ten grondslag liggende rechtbankuitspraak is het AIDA-rapport van april 2024 (update 2023) betrokken. Over de meest recente AIDA-rapporten heeft de Afdeling zich nog niet uitgelaten. De rechtbank is echter van oordeel dat uit het door eiseres aangehaalde AIDA-rapport van 2025 geen wezenlijke verslechtering blijkt ten opzichte van het eerdere AIDA-rapport dat door de Afdeling is betrokken in voornoemde uitspraak. Ook uit het meest recente AIDA-rapport blijkt niet dat in Zweden zodanige problemen zijn met betrekking tot de toegang tot de asielprocedure en opvangvoorzieningen, dat sprake is van structurele tekortkomingen die de hoge drempel van zwaarwegendheid van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest bereiken.
Ook het persoonlijke relaas van eiseres leidt niet tot de conclusie dat zij bij overdracht naar Zweden een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling. Eiseres heeft in dit verband op zitting voor het eerst aangevoerd dat overdracht, vanwege haar biseksualiteit, ook om die reden in strijd zou zijn met deze bepalingen. Zij heeft hiertoe verwezen naar het eerdergenoemde AIDA-rapport van mei 2025 (update 2024), waarin staat dat de juridische kwaliteit van de beoordelingen van LHBTQI-zaken door de Zweedse autoriteiten ernstige tekort schoot. De rechtbank betrekt bij de beoordeling van dit punt het meest recente AIDA-rapport, namelijk dat van juni 2026 (update 2025). Hoewel daaruit blijkt dat er kritiek bestaat op de geloofwaardigheidsbeoordeling in LHBTQI+-gerelateerde asielzaken, blijkt daaruit ook dat de Zweedse autoriteiten dit onderkennen en verbetermaatregelen hebben getroffen en dat bij de opvang rekening wordt gehouden met de kwetsbaarheid van LHBTQI+-personen, onder meer door de mogelijkheid van aparte huisvesting. Ook staat in het rapport vermeld dat deze personen, indien zij problemen ondervinden, hierover kunnen klagen bij onder meer de Discrimination Ombudsman en kunnen verzoeken om overplaatsing. De rechtbank volgt eiseres dan ook niet in haar standpunt dat overdracht vanwege haar biseksualiteit in strijd zou zijn met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest.
De rechtbank merkt daarbij op dat eiseres tijdens het aanmeldgehoor van 28 april 2026 heeft verklaard dat zij nooit in Zweden heeft verbleven, maar direct is doorgereisd. Eiseres heeft dus zelf geen ervaring met de asiel- en opvangvoorzieningen in Zweden. Bovendien hebben de Zweedse autoriteiten met het claimakkoord gegarandeerd dat het verzoek van eiseres om internationale bescherming in behandeling zal worden genomen met inachtneming van de Europese asielrichtlijnen. Mocht eiseres problemen ondervinden, dan ligt het op haar weg om hierover te klagen bij de (hogere) Zweedse autoriteiten. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze mogelijkheid voor haar niet bestaat of dat dit bij voorbaat zinloos is.
Artikel 17 Dublinverordening
6. Eiseres voert aan dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met haar bijzondere individuele omstandigheden en onvoldoende heeft gemotiveerd waarom deze omstandigheden niet aan overdracht aan Zweden in de weg staan. Zij verwijst daarbij naar haar kwetsbare positie als alleenstaande vrouw zonder sociaal netwerk in Zweden en naar haar psychische klachten. Volgens eiseres had de minister deze omstandigheden, gelet op het arrest X, nader moeten onderzoeken en in het kader van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening moeten beoordelen of aanleiding bestaat om de asielaanvraag zelf te behandelen.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden. De door eiseres genoemde omstandigheden zijn niet dermate bijzonder dat overdracht aan Zweden van onevenredige hardheid getuigt. De minister is op de door eiseres gestelde bijzondere omstandigheden gemotiveerd ingegaan en heeft daarbij mogen verwijzen naar het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen in 5.1 tot en met 5.3, oordeelt de rechtbank dat de minister niet gehouden was om nader onderzoek te doen als bedoeld in het arrest X.
De psychische gesteldheid van eiseres
7. Eiseres voert aan dat haar psychische toestand zodanig ernstig is dat deze volgens haar aan overdracht in de weg staat. Zij stelt dat overdracht tot hertraumatisering en een aanzienlijke verslechtering van haar gezondheid zal leiden en dat zij nog in afwachting is van medische diagnostiek en behandeling. Volgens eiseres moet de minister daarom nader medisch onderzoek laten verrichten, waaronder zo nodig een BMA-advies, voordat tot overdracht wordt besloten. Ter onderbouwing verwijst eiseres naar uitspraken van deze rechtbank van 31 december 2019 en 31 januari 2023, waarin volgens haar vergelijkbare omstandigheden aan de orde waren.
De Afdeling heeft overwogen dat niet kan worden uitgesloten dat de overdracht van een vreemdeling met een ernstige mentale of lichamelijke aandoening op zichzelf bezien een reëel en bewezen risico op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van diens gezondheidstoestand kan inhouden. De vreemdeling moet in dat verband objectieve gegevens overleggen die de bijzondere ernst van haar gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen daarvoor van een overdracht aantonen. Vervolgens moet de minister bij het nemen van het overdrachtsbesluit beoordelen wat het risico is dat die gevolgen zich voordoen. WI 2021/3 sluit hierop aan. Daarbij is uiteengezet wanneer wel en wanneer niet een BMA-onderzoek wordt opgestart.
De rechtbank is van oordeel dat de minister, gelet op het hiervoor geschetste toetsingskader, in het door eiseres overgelegde patiëntendossier en in wat zij overigens naar voren heeft gebracht, geen aanleiding heeft hoeven zien om een BMA-onderzoek te starten of om van overdracht aan Zweden af te zien. De rechtbank leest in het dossier, waaronder het patiëntendossier, geen medische gegevens die de stelling ondersteunen dat overdracht tot een bijzondere ernst of onomkeerbare gevolgen voor haar gezondheidstoestand zou leiden.De door eiseres aangehaalde uitspraken van 31 december 2019 en 31 januari 2023 leiden niet tot een ander oordeel. Van vergelijkbare omstandigheden is in dit geval niet gebleken.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.