proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer en de
voorzieningenrechter van 11 september 2026 in de zaak tussen
[naam], eiser,
V-nummer: [v-nummer:],
(gemachtigde: mr. A.J. de Boer),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. J. Veendorp).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 27 juli 2026 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
De rechtbank heeft het beroep, gelijktijdig met het verzoek om een voorlopige
voorziening, op 11 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen.
Na afloop van de behandeling van de zaak op de zitting is onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Overwegingen
2. De minister heeft de rechtbank op 21 augustus 2026 bericht dat eiser met onbekende bestemming (mob) is vertrokken. De minister heeft zich daarbij gebaseerd op informatie van het COa, waaruit blijkt dat eiser op 11 augustus 2026 mob staat gemeld.
De gemachtigde van eiser heeft de rechtbank op 8 september 2026 laten weten dat hij geen contact met eiser heeft, maar dat hij het beroep handhaaft, omdat hij geen verzoek tot intrekking heeft ontvangen.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling blijkt het volgende. Wanneer een vreemdeling, die een asielaanvraag heeft ingediend met onbekende bestemming vertrekt zonder aan de minister te laten weten waar hij verblijft, kan er in principe vanuit wordt gegaan dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem in eerste instantie gezochte bescherming in Nederland. Dit is alleen anders als een vreemdeling nog contact met zijn gemachtigde onderhoudt en dus nog prijs stelt op deze bescherming.
In dit geval heeft eiser de opvang verlaten, heeft hij de minister en zijn gemachtigde niet op de hoogte gesteld van zijn verblijfsplaats en heeft hij ook geen contact meer met zijn gemachtigde. Dit maakt dat de rechtbank ervan uitgaat dat eiser geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland. Het is de rechtbank ook niet gebleken van concrete aanknopingspunten om hiervan af te wijken. Daarom bestaat geen belang meer bij een inhoudelijke behandeling van het beroep en is het beroep niet-ontvankelijk.
Nu op het beroep wordt beslist bestaat er geen aanleiding om een voorlopige
voorziening te treffen.
Ook wordt geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.
Partijen zijn gewezen op het rechtsmiddel dat tegen deze uitspraak openstaat, op de hieronder omschreven wijze.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 11 september 2026 door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en gepubliceerd door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen twee weken na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.
Tegen de uitspraak op het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.