Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/117773-26
Datum uitspraak: 24 september 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres] te [woonplaats] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 10 september 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. T. de Haan en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. J. Gravesteijn naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
De rechtbank heeft in bijlage I opgenomen de tenlastelegging.
3. De bewijsbeslissing
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit. De officier van justitie vordert dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft namens de verdachte vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit. Er kan niet worden vastgesteld dat de verdachte de ten laste gelegde gedragingen heeft gepleegd.
Vrijspraak
De rechtbank acht het tenlastegelegde niet bewezen en overweegt daartoe het volgende.
Op basis van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt de rechtbank het volgende vast. Op 16 maart 2025 is de aangever [aangever] van zijn contant geld en zijn bankpas beroofd. Hij had op het [straatnaam] te [plaats] (verder: het park) afgesproken met een persoon genaamd ‘ [accountnaam] ’ via de applicatie [applicatie] . Deze persoon zou zich, afgaande op [applicatie] , in de dagen voorafgaand aan de afspraak op 167 meter van de woning van de aangever hebben bevonden. Toen de aangever zich in het park bevond, kwamen er twee jongens op hem afgelopen. Hij werd door de jongens op het gras gedrukt en met geweld beroofd. De aangever is met een ketting in zijn gezicht geslagen en heeft fors letsel opgelopen, met name in zijn gezicht.
Op de vluchtroute van de daders zijn een muts, jas en een shirt gevonden. Verder is op de plaats delict een zonnebril gevonden. Deze kledingstukken en zonnebril zijn onderworpen aan een DNA-onderzoek waarbij er een mengprofiel is aangetroffen. Het mengprofiel leverde een match op met het DNA-profiel van de verdachte.
De verdachte wordt verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van diefstal met geweld, terwijl dit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad.
De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of kan worden vastgesteld dat de verdachte één van de daders was van de diefstal met geweld van [aangever] op 16 maart 2025.
De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat de jas die is aangetroffen op de vluchtroute van hem is. Hij zou de jas, en de overige kledingstukken, eerder per ongeluk hebben laten liggen bij het basketbalveld in het park, waar hij in de buurt woont en vaak basketbalt. Over het aantreffen van DNA op de zonnebril heeft de verdachte verklaard dat hij geen zonnebril draagt en deze waarschijnlijk in een jolige bui een keer heeft opgeraapt en opgehad, en vervolgens weer weg heeft gegooid.
De rechtbank moet toetsen of de verklaring van de verdachte over het door hem geschetste zogenoemde alternatieve scenario ongeloofwaardig is. Als dat zonder meer het geval is, kan deze verklaring terzijde worden geschoven, anders niet. Is die verklaring niet zonder meer ongeloofwaardig, dan moet als uitgangspunt de alternatieve gang van zaken worden weerlegd, door de bewijsmiddelen of aan de bewijsmiddelen te ontlenen feiten en omstandigheden die de alternatieve lezing van verdachte uitsluiten.
De rechtbank onderkent dat de verklaring van de verdachte vragen oproept. Tegelijkertijd staat vast dat de verdachte woont in de buurt van de plaats delict. Het scenario dat de verdachte rondom de plaats delict kleding is verloren, is daarmee niet onaannemelijk. Op de kledingstukken en de zonnebril die zijn aangetroffen op de plaats delict en de vluchtroute van de verdachten is verder, zoals al is benoemd, een mengprofiel met DNA van onder meer de verdachte aangetroffen. Dit betreft dus niet enkel het DNA van de verdachte. De kledingstukken bevatten ook dragersporen van anderen dan de verdachte, waarmee niet uitgesloten is dat iemand anders deze kleding ten tijde van het delict heeft gedragen. Verder blijkt niet uit het dossier dat één van de daders een zonnebril (bij zich) droeg. Het voorgaande in onderlinge samenhang bezien maakt dat het door de verdachte geschetste alternatieve scenario niet zonder meer ongeloofwaardig is. De omstandigheid dat de verdachte deze verklaring pas voor het eerst ter terechtzitting heeft afgelegd, doet aan het vorenstaande niet af. Daarbij weegt de rechtbank mee dat de verdachte tijdens zijn verhoor bij de politie geen foto is getoond van de jas die langs de vluchtroute is aangetroffen en de verdachte zich op advies van zijn advocaat op zijn zwijgrecht heeft beroepen. Onder die omstandigheden kan het pas ter terechtzitting afleggen van een verklaring niet in het nadeel van de verdachte worden uitgelegd.
Verder zijn er weliswaar cookies van de applicatie [applicatie] op de telefoon van de verdachte gevonden, maar deze cookies dateren van 23 augustus 2025. Dit betreft een ruime tijd na de tenlastegelegde pleegdatum en deze bevindingen zijn daarom onvoldoende redengevend.
De officier van justitie heeft gewezen op de afstand van 167 meter tussen de woning van de verdachte en de woning van de aangever. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank dit gegeven onvoldoende onderscheidend. Deze woningen bevinden zich immers in een woonwijk waarbij ook andere mensen op de straal van 167 meter van de aangever wonen. Nog daargelaten dat niet is gebleken dat de gebruiker van het [applicatie] -account [accountnaam] ook één van de daders in het park was, strekt de conclusie dat de verdachte [accountnaam] moet zijn, tegen deze achtergrond naar het oordeel van de rechtbank te ver.
Gelet op het voorgaande kan evenmin gezegd worden dat de alternatieve gang van zaken door de bewijsmiddelen of aan de bewijsmiddelen ontleende redengevende feiten en omstandigheden wordt weerlegd of dat daaraan anderszins voorbij kan worden gegaan.
Dit alles maakt dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten biedt voor de conclusie dat buiten redelijke twijfel vaststaat dat de verdachte een van de daders is van het geweld tegen, en de beroving van, het slachtoffer.
De conclusie is daarmee dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan. De verdachte zal hier dan ook van worden vrijgesproken.
4. De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel
[aangever] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 28.782,91, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 13.782,91 aan materiële schade en € 15.000,- aan immateriële schade.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij, gelet op de bepleite integrale vrijspraak, niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering. Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering voor wat betreft de materiële schade, omdat het een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren om de vordering te behandelen. De immateriële schade dient volgens de raadsman te worden gematigd tot € 7.500,-.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien de verdachte van het feit waarop de vordering betrekking heeft, zal worden vrijgesproken.
Dit brengt mee dat de benadeelde partij moet worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil.
5. De beslissing
De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door
mr. S. Pereth voorzitter,
mr. M.C. Ritsema van Eck-van Drempt, rechter,
mr. S.M. van der Schenk, rechter,
in tegenwoordigheid van mrs. N. de Jong en B.J. Stil, griffiers,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 september 2026.