ECLI:NL:RBDHA:2026:27944

ECLI:NL:RBDHA:2026:27944

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 25-09-2026
Datum publicatie 24-09-2026
Zaaknummer 09/251143-21 en 09/252417-22 (ttz. gev.)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Veroordeling voor vier oplichtingen en (eenvoudig) witwassen. Oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden, waarvan 18 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. Vorderingen van de benadeelde partijen gedeeltelijk toegewezen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummers: 09/251143-21 en 09/252417-22 (ttz. gev.)

Datum uitspraak: 25 september 2026

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1963 te [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [adres 1] .

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 11 september 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. S. Sleeswijk Visser, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman, mr. H. Weisfelt, naar voren is gebracht.

Verschillende benadeelde partijen hebben zich in het strafproces gevoegd. De rechtbank heeft kennisgenomen van hun vorderingen tot schadevergoeding en de nadere toelichting daarop ter terechtzitting.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen en de op de terechtzitting van 5 maart 2024 toegelaten nadere omschrijving van de tenlastelegging en de op de terechtzitting van 11 september 2026 toegelaten vordering tot wijziging van de tenlastelegging. De tekst van de gewijzigde tenlasteleggingen is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

Aan de verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij meerdere mensen heeft opgelicht (dagvaarding met parketnummer 09/251143-21, hierna te noemen dagvaarding I, en dagvaarding met parketnummer 09/252417-22, hierna te noemen dagvaarding II, onder feit 1, 2 en 4). Daarnaast is de verdachte het witwassen van geldbedragen en/of voorwerpen (dagvaarding II onder feit 3) ten laste gelegd.

3. De bewijsbeslissing

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het bij dagvaarding II onder 2 en 3 ten laste gelegde.

Gebruikte bewijsmiddelen

De rechtbank heeft in bijlage II opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.

Bewijsoverwegingen

Ten aanzien van dagvaarding II, feit 2 (oplichting van [aangever 1] )

De verdachte heeft erkend dat hij de sieraden van aangever [aangever 1] in ontvangst heeft genomen en enige tijd onder zich heeft gehad. Hij heeft echter verklaard dat hij de sieraden vervolgens per pakket aan aangever heeft teruggestuurd. Volgens aangever heeft hij na ontvangst van het pakket slechts een goedkope armband, een servetring en een muntje aangetroffen, en niet zijn eigen sieraden. Deze verklaring vindt steun in het dossier. Uit de chatgesprekken tussen aangever en de verdachte blijkt dat aangever langere tijd op de betaling dan wel teruggave van zijn sieraden heeft gewacht en dat hij aanvankelijk positief heeft gereageerd toen de verdachte hem liet weten dat de sieraden zouden worden teruggestuurd. Na ontvangst van het pakket heeft aangever zeer boos en emotioneel gereageerd, omdat volgens hem goedkope spullen waren toegestuurd. De rechtbank ziet in deze emotionele en boze reactie van aangever direct na het ontvangen van het pakket ondersteuning voor de juistheid van zijn verklaring. Daar komt bij dat de verklaring van de verdachte juist geen steun in het dossier. Weliswaar bevinden zich in het dossier foto’s waarop een pakket en sieraden te zien zijn, maar daaruit kan niet zonder meer worden afgeleid dat de verdachte de sieraden van aangever daadwerkelijk in dat pakket heeft gedaan en aan hem heeft verzonden. De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van dagvaarding II, feit 3 (witwassen)

De rechtbank is, evenals de officier van justitie, van oordeel dat het witwassen van de in de tenlastelegging genoemde tassen en dure horloges niet kan worden bewezen. Dat geldt eveneens voor de kleding. De rechtbank gaat er ten aanzien van de overige in de tenlastelegging genoemde voorwerpen van uit dat deze afkomstig zijn uit eigen misdrijf van de verdachte. Een deel van deze voorwerpen kan rechtstreeks worden herleid tot de door de verdachte gepleegde oplichtingen, die ten laste zijn gelegd bij dagvaarding I en bij dagvaarding II onder feit 1, 2 en 4. De rechtbank acht aannemelijk dat ook de overige voorwerpen die niet aan een specifieke aangifte in het dossier kunnen worden gekoppeld, waaronder de auto’s en schilderijen, afkomstig zijn uit eigen misdrijf van de verdachte.

De verdachte heeft bij meerdere gelegenheden door middel van oplichting goederen en geldbedragen verkregen. Daarnaast is uit het dossier niet gebleken dat de verdachte beschikte over enige legale bron van inkomsten waarmee hij deze goederen zou hebben kunnen betalen. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat vaststaat dat een van de auto’s, te weten de Porsche met het kenteken [kenteken 1] , op 14 maart 2023 door de verdachte is gekocht voor een bedrag van € 23.000,-. Uit het dossier blijkt dat aangeefster [aangeefster 1] kort daarvoor eveneens een bedrag van € 23.000,- contant aan de verdachte heeft gegeven. Gelet op het korte tijdsverloop, de hoogte van het bedrag en het ontbreken van een andere aannemelijke verklaring, gaat de rechtbank ervan uit dat de verdachte dit bedrag heeft gebruikt voor de aankoop van deze auto. Ook ten aanzien van de aangetroffen schilderijen blijkt uit het dossier dat deze afkomstig zijn uit een door de verdachte gepleegde oplichting. De rechtbank is van oordeel dat ook dit de conclusie steunt dat de overige genoemde goederen op vergelijkbare wijze met de opbrengsten uit door de verdachte gepleegde oplichtingen zijn verkregen. De rechtbank acht het ten laste gelegde feit dan ook in zoverre wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van dagvaarding I en dagvaarding II, feit 1, 2 en 4

De rechtbank acht de bij dagvaarding I en bij dagvaarding II onder feit 1 en 4 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank betrekt daarbij dat de in de bewijsmiddelen opgenomen aangiften op essentiële punten met elkaar overeenkomen met betrekking tot de door de verdachte gehanteerde werkwijze en elkaar daarin ondersteunen. Uit de aangiften komt naar voren dat de verdachte zich telkens op vergelijkbare wijze heeft voorgedaan en daarbij eenzelfde modus operandi heeft gehanteerd. De rechtbank ziet hierin voldoende overeenkomsten om de aangiften in deze zaken over en weer als schakelbewijs te gebruiken.

De rechtbank is van oordeel dat ook ten aanzien van dagvaarding II, feit 2, in aanvulling op hetgeen de rechtbank daarover eerder heeft overwogen, de aangifte steun vindt in de andere aangiften. Ook in deze zaak deed de verdachte zich voor als iemand anders en heeft hij de sieraden van aangever onder zich genomen, terwijl hij daarbij een andere bedoeling had dan hij aan aangever had voorgespiegeld. De omstandigheid dat de verdachte zich ook tegenover andere aangeefsters op een vergelijkbare wijze heeft gedragen, ondersteunt deze aangifte.

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

Dagvaarding I

hij in de periode van 16 januari 2021 tot en met 1 juli 2021 te Nederland en/of te Spanje met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en van een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels en listige kunstgrepen

- [aangeefster 2] heeft bewogen tot de afgifte van een iPhone (type 12 pro) met een 2-jarig telefoonabonnement en een geldbedrag van € 500 aan goederen aangekocht bij Bol.com en € 375 voor een systeemcamera en een geldbedrag van € 15.500 (voor zogenaamde notariskosten) en door [aangeefster 2] van [naam] geleende bedragen ad € 4250,- en

€ 20.000,-

hebbende verdachte met voren omschreven oogmerk valselijk en in strijd met de waarheid- zich op een datingsite voorgedaan als [schuilnaam 1] die een vaste relatie wil aangaan en die een bedrijf heeft in Spanje en eigenaar is van een huis in Spanje en zich voorgedaan als ter goeder trouw zijnde geldnemer en- waarbij hij, verdachte, zich heeft voorgedaan als iemand die ongeneeslijk ziek was en- die [aangeefster 2] zou opnemen in zijn testament waarbij het noodzakelijk was om een geldbedrag over te maken aan een notaris om de opname in het testament en het erven van een huis (van verdachte) mogelijk te kunnen maken en

- die [aangeefster 2] door verdachte op de loonlijst van zijn bedrijf zou worden gezet en tegen die [aangeefster 2] gezegd dat zij een auto nodig heeft in Spanje en dat zij [aangeefster 2] van verdachte geld voor de aangeschafte auto en het door [aangeefster 2] geleende bedrag van € 20.000,

- in ieder geval een of meerdere geldbedragen contant in Spanje en/of Nederland terug zou krijgen en- tegen die [aangeefster 2] gezegd dat hij voornoemde iPhone en geldbedrag van € 500 aan goederen aangekocht bij Bol.com en € 375 voor een systeemcamera zou terugbetalen aan die [aangeefster 2]

en

- [aangeefster 3] heeft bewogen tot de afgifte van een BMW met kenteken [kenteken 2] en een geldbedrag van € 22.000 (overgemaakt voor een zogenaamde aankoop Mercedes GLA 180) en een geldbedrag van € 20.000 (overgemaakt als lening ), hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk valselijk en in strijd met de waarheid,- zich voorgedaan als [schuilnaam 1] met een bedrijf in Spanje en met onroerend goed in Spanje en- aangegeven dat hij een Mercedes GLA 180 te koop wist in Italië en deze aan haar, [aangeefster 3] , zou doen leveren en- de voornoemde BMW van [aangeefster 3] voor haar zou verkopen in Italië en vervolgens de aan te kopen Mercedes op transport naar Nederland zou gaan en- zich voorgedaan als ter goeder trouw zijnde geldnemer, en een hoge rente toegezegd voor de lening van € 20.000,- met een korte looptijd,

waardoor telkens voornoemde [aangeefster 3] en [aangeefster 2] en [naam] werden bewogen tot bovengenoemde afgiften;

Dagvaarding II

1.hij op in de periode van 27 april 2022 tot en met 29 augustus 2022 te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, meermalen telkens met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels,

[aangeefster 4] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten de afgifte van

- meerdere meubelen en (bronzen) beelden ter waarde van ongeveer 6.500,- euro en- een horloge (merk Cartier) ter waarde van ongeveer 5.000,- euro en- een armband en een diamanten ring ter waarde van in totaal ongeveer 3.000,- euro,

door- in contact met die [aangeefster 4] gebruik te maken van de valse naam [schuilnaam 2] en- zich voor te doen als een persoon met een zeer groot vermogen en een of meer huizen in het buitenland (Spanje en Monaco) en een (liefdes)relatie aan te gaan met die [aangeefster 4] en zich voor te doen als een persoon met kennis op het gebied van sieraden en edelstenen en als een persoon met goede contacten in de diamantairsbranche en- door die [aangeefster 4] voor te houden dat hij een deel van de verbouwingskosten van haar woning, gelegen aan de [adres 2] , te regelen en begeleiden en (mede)financieren en- zich voor te doen als bonafide koper van voornoemde meubelen en (bronzen) beelden en- daarbij deze meubelen en (bronzen) beelden van die [aangeefster 4] over te nemen voor een bedrag van 6.500,- euro, terwijl hij, verdachte, nimmer voornemens was voornoemde bedrag aan die [aangeefster 4] te betalen en dit ook nimmer heeft gedaan en- door, met goedkeuring van die [aangeefster 4] , voornoemde horloge (merk Cartier) van [aangeefster 4] in ontvangst te nemen voor een servicebeurt, terwijl hij, verdachte, nimmer voornemens was voornoemde horloge (hierna) terug te geven aan die [aangeefster 4] en dit ook nimmer heeft gedaan en- door, met goedkeuring van die [aangeefster 4] , voornoemde armband en (diamanten) ring van [aangeefster 4] in ontvangst te nemen voor het (laten) plegen van herstelwerkzaamheden, terwijl hij, verdachte, nimmer voornemens was voornoemde armband en diamanten ring hierna terug te geven aan die [aangeefster 4] en dit ook nimmer heeft gedaan

en

[aangever 2] en [aangever 3] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten de afgifte van- meerdere geldbedragen ter hoogte van ongeveer 43.000,- euro (waarvan 25.000,- euro giraal en 18.000,- euro contant) en- een personenauto (merk/type: Peugeot 3008, kenteken [kenteken 3] ) ter waarde van ongeveer 28.500,- euro en- meerdere gouden sieraden ter waarde van ongeveer 30.000,- euro,

door- in contact met die [aangever 2] en [aangever 3] gebruik te maken van de valse naam [schuilnaam 2] en- zich voor te doen als een persoon met een zeer groot vermogen en een of meer huizen in het buitenland (Spanje en Monaco) en een (liefdes)relatie aan te gaan met die [aangeefster 4] en zich voor te doen als een persoon met kennis op het gebied van sieraden en edelstenen en als een persoon met goede contacten in de diamantairsbranche en- door die [aangever 2] en [aangever 3] voor te houden dat hij een deel van de verbouwingskosten van de woning van hun (stief)dochter, gelegen aan de [adres 2] , zou regelen en begeleiden en (mede)financieren en- daarbij tegen die [aangever 2] en [aangever 3] te zeggen dat de voornoemde geldbedragen ter hoogte van 43.000,- euro dienden ter financiering van een verbouwing van de woning van die [aangeefster 4] , gelegen aan de [adres 2] , terwijl hij verdachte, nimmer van plan was voornoemde geldbedrag(en) over te maken naar aannemers/bouwvakker/leveranciers ten behoeve van voornoemde verbouwing en dit ook nimmer heeft gedaan en- zich voor te doen als bonafide verkoper van voornoemde personenauto en- daarbij tegen die [aangever 2] en [aangever 3] te zeggen dat hij, verdachte, voornoemde personenauto voor hen zou verkopen en aan hen de opbrengst, zijnde een geldbedrag van ongeveer 28.500,- euro, zou overmaken, terwijl hij, verdachte, nimmer van plan was dit geldbedrag aan hen over te maken en dit ook nimmer heeft gedaan en- door, met goedkeuring van die [aangever 2] en [aangever 3] , voornoemde gouden sieraden van [aangever 2] en [aangever 3] in ontvangst te nemen voor het (laten) plegen van herstelwerkzaamheden, terwijl hij, verdachte, nimmer voornemens was voornoemde (gouden) sieraden (hierna) terug te geven aan die [aangever 2] en [aangever 3] en dit ook nimmer heeft gedaan;

2.hij in de periode van 29 augustus 2022 tot en met 29 november 2022 te 's-Gravenhage en/of Bussum, telkens met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels,

[aangever 1] heeft bewogen tot de afgifte van twee witgouden ringen en een gouden tennisarmband (met een totale waarde van ongeveer 3.200 euro), door- zich voor te doen als bonafide koper van voornoemde ringen en armband en- daarbij het vertrouwen van die [aangever 1] heeft gewekt door een aanzienlijke tijd met hem via chatberichten te communiceren over de (eventuele) aankoop van die ringen en tennisarmband en- die [aangever 1] bij hem, verdachte, thuis uit te nodigen om gezamenlijk de ringen en tennisarmband te bekijken en- daarbij met die [aangever 1] overeen te komen dat hij, verdachte, voornoemde ringen en tennisarmband zou kopen van die [aangever 1] voor een bedrag van 3.200,- euro, nadat hij, verdachte, de goudkwaliteit van deze sieraden had geverifieerd bij een deskundige, terwijl hij, verdachte, nimmer voornemens was voornoemde bedrag aan die [aangever 1] te betalen en dit ook nimmer heeft gedaan;

3.hij in de periode van 1 april 2022 tot en met 1 april 2023 in Nederland en/of te Spanje, voorwerpen, te weten een Cartier horloge, een armband en een ring met diamant (aangifte [aangeefster 4] ) en/of meerdere gouden sieraden (aangifte [aangever 2] en [aangever 3] ) en/of meerdere witgouden ringen en een gouden tennisarmband (aangifte [aangever 1] ) en/of een S21 Ultra Samsung telefoon en een iPhone Pro Max (aangifte [aangeefster 1] ) en/of meerdere geldbedragen afkomstig van [aangeefster 4] en/of [aangever 2] en/of [aangever 3] en/of [aangeefster 1] en/of meerdere personenauto's en de verkoopopbrengsten van die auto's waaronder een Peugeot 3008 [kenteken 3] en een Range Rover [kenteken 4] en een Porsche [kenteken 1] en/of schilderijen met goudkleurige lijst van kunstenaar Donkersloot heeft verworven, voorhanden gehad en/of omgezet, terwijl hij wist dat die voorwerpen geheel of gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig eigen misdrijf;

4.hij in de periode van 1 augustus 2022 tot en met 1 april 2023 te Zoetermeer en/of te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels,

[aangeefster 1] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed en het aangaan van een schuld, te weten de afgifte van- een contant geldbedrag van ongeveer € 19.000,- en een contant geldbedrag van € 2500,- en- een of meerdere telefoonabonnementen en (bijbehorende) telefoons (een S21 Ultra Samsung en een Iphone Pro Max en- een trouwringdoor- in contact met die [aangeefster 1] gebruik te maken van de valse naam [schuilnaam 2] en - zich voor te doen als een persoon met een groot vermogen en woonachtig in Monaco en een eigen onderneming en in bezit van meerdere dure horloges en in het bezit van meerdere dure auto's en van huizen en onroerend goed in Den Haag (waaronder de [adres 1] ) en het buitenland (Spanje en Monaco) in eigendom heeft en- door die [aangeefster 4] te laten denken dat hij een (liefdes)relatie aan zou gaan met die [aangeefster 4] en zich voor te doen als een persoon met kennis op het gebied van (luxe)horloge en sieraden en edelstenen en als een persoon met goede contacten in de juweliersbranche en- door die [aangeefster 1] voor te houden dat verdachte samen met [aangeefster 1] een zakelijke en een financiële investering zouden gaan doen in Spanje (in een B&B) en meerdere auto's te weten meerdere Toyota CHR auto's zouden gaan kopen en- die [aangeefster 1] een lening van € 23.595 te laten afsluiten en waarbij de toezegging is gedaan dat hij zou gaan helpen met de aflossingen- door, met goedkeuring van die [aangeefster 1] , een trouwring in ontvangst te nemen voor het(laten) plegen van herstelwerkzaamheden, terwijl hij, verdachte, nimmer voornemens was voornoemde trouwring of opbrengst daarvan voornemens was (hierna) terug te geven aan die [aangeefster 4] en dit ook nimmer heeft gedaan.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5. De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van veertig maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan achttien maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit aan de verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die langer is dan de duur van het voorarrest en een deels voorwaardelijke straf op te leggen.

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan vier oplichtingen. Hij heeft telkens een valse naam gebruikt en zich in drie gevallen voorgedaan als een vermogend persoon die een relatie met de slachtoffers wilde aangaan. De verdachte vertelde dat hij veel contacten had, ook in het buitenland, en dat hij zich bezighield met de handel in dure horloges en woningen in Spanje en Monaco verhuurde. Op deze manier heeft de verdachte het vertrouwen van de slachtoffers gewonnen. Vervolgens heeft hij hen in de waan gebracht dat hij hen (financieel) zou helpen. Zo zei hij dat hij kon helpen met het aflossen van op zijn voorstel aangegane leningen, met een verbouwing van een huis en het inschakelen en betalen van een aannemer. Ook vertelde hij dat hij dure sieraden kon laten repareren en auto’s voor hen kon (ver)kopen. De slachtoffers hebben hem in dat vertrouwen geldbedragen, auto’s en kostbare sieraden meegegeven. De verdachte is zijn beloften echter niet nagekomen. Zo werd de door hem ingeschakelde aannemer niet betaald en werden de sieraden, auto’s en andere goederen niet teruggegeven. In het vierde geval heeft de verdachte zich voorgedaan als een bonafide koper van twee witgouden ringen en een gouden armband. Hij heeft ervoor gezorgd dat de eigenaar de sieraden bij hem achterliet, naar zijn zeggen om de kwaliteit ervan te kunnen laten beoordelen. Deze sieraden heeft de verdachte echter nooit betaald of teruggegeven. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan (eenvoudig) witwassen door de geldbedragen en goederen die hij door middel van zijn eigen oplichtingen had verkregen, voorhanden te hebben dan wel om te zetten.

De rechtbank rekent het de verdachte aan dat hij het vertrouwen van de slachtoffers op ernstige wijze heeft misbruikt. Hij is met een aantal vrouwen een relatie aangegaan en heeft hen laten geloven dat hij hen zou helpen en zij samen een toekomst zouden opbouwen. Vervolgens heeft hij dit vertrouwen gebruikt om geld en goederen van hen te verkrijgen. Daarbij heeft hij zich niet beperkt tot de slachtoffers zelf, maar heeft hij ook ouders en vrienden bij zijn handelen betrokken. De gevolgen van het handelen van de verdachte zijn voor de slachtoffers niet beperkt gebleven tot financieel nadeel. Zij zijn geconfronteerd met gevoelens van schaamte, onzekerheid en stress. De verdachte heeft op geraffineerde wijze misbruik gemaakt van het in hem gestelde vertrouwen en uitsluitend oog gehad voor zijn eigen financiële gewin. De verdachte heeft daarnaast ter terechtzitting weinig inzicht getoond in de laakbaarheid van zijn handelen en daar slechts beperkt verantwoordelijkheid voor genomen.

Strafblad

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 6 augustus 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte zowel in Nederland als in het buitenland reeds eerder voor soortgelijke oplichtingen is veroordeeld. Deze veroordelingen hebben de verdachte niet weerhouden van het opnieuw plegen van soortgelijke feiten.

De persoon van de verdachte

De rechtbank heeft verder kennisgenomen van de Pro Justitia-rapportage van 26 februari 2024 van het Pieter Baan Centrum (PBC), opgemaakt door N.M. van der Veen, arts in opleiding tot psychiater, onder supervisie van F.R. Kruisdijk, psychiater, en I. van Woudenberg, GZ-psycholoog, allen verbonden aan het PBC.

Uit de rapportage blijkt dat de verdachte voldoet aan alle criteria van een antisociale persoonlijkheidsstoornis, behoudens de benodigde gedragsstoornis op jeugdige leeftijd. Deze wordt weliswaar verondersteld, maar kon niet geobjectiveerd worden middels een ontwikkelingsanamnese bij familie-referenten. Binnen de persoonlijkheid van de verdachte zijn narcistische en histrionische trekken aanwezig. Er is volgens de deskundigen sprake van een egocentrisch perspectief bij de verdachte, waarbij genoegen wordt beleefd aan persoonlijk gewin. De persoonlijkheidsopbouw en -stoornis was ook aanwezig ten tijde van de ten laste gelegde feiten. Gezien de geobserveerde wilsvrijheid menen de deskundigen dat er geen directe doorwerking van de geconstateerde persoonlijkheidsstoornis bestaat in de ten laste gelegde feiten. Geconcludeerd wordt dat de ten laste gelegde feiten de verdachte volledig toe te rekenen zijn. Volgens de deskundigen bestaat er een hoge kans op recidive van soortgelijke feiten, mede op grond van het verleden van de verdachte.

Naar het oordeel van de rechtbank is de rapportage van de deskundigen van het PBC op zorgvuldige wijze tot stand gekomen en worden de conclusies gedragen door een deugdelijke en inzichtelijk gemotiveerde onderbouwing. De rechtbank neemt deze conclusies dan ook over en maakt deze tot de hare.

Redelijke termijn

De rechtbank is van oordeel dat de redelijke termijn is overschreden.

De termijn is in dit geval gaan lopen vanaf de dag dat de verdachte door de politie in verzekering is gesteld, te weten op 31 januari 2022 voor dagvaarding I en op 4 april 2023 voor dagvaarding II. Uitgangspunt is dat de behandeling van de strafzaak dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden die een langere behandelduur rechtvaardigen. De rechtbank wijst geen vonnis binnen twee jaar na aanvang van die termijnen, maar na bijna vier jaar en acht maanden (dagvaarding I) en na bijna drie jaar en vijf maanden (dagvaarding II). Van bijzondere omstandigheden is de rechtbank niet gebleken, zodat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank zal bij het bepalen van de straf met deze omstandigheid rekening houden.

Op te leggen straf

Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt. De rechtbank acht, alles afwegend, een gevangenisstraf voor de duur van veertig maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, passend en geboden. De rechtbank zal een deel van die straf voorwaardelijk opleggen. Waar de rechtbank zonder overschrijding van de redelijke termijn een voorwaardelijk deel voor de duur van zestien maanden passend en geboden had geacht, acht de rechtbank nu een voorwaardelijk deel van achttien maanden passend en geboden. De rechtbank zal daaraan een proeftijd van drie jaren verbinden.

Voorlopige hechtenis

De voorlopige hechtenis van de verdachte in de zaak met parketnummer 09/252417-22 is geschorst met ingang van 6 maart 2024 tot de einduitspraak in eerste aanleg. Daaruit volgt dat de schorsing met het wijzen van dit vonnis automatisch eindigt en dat de voorlopige hechtenis van de verdachte herleeft. De raadsman heeft verzocht de voorlopige hechtenis per datum van de einduitspraak op te heffen.

De rechtbank wijst dit verzoek af, nu de redenen die tot de voorlopige hechtenis hebben geleid, nu ook nog bestaan. De rechtbank overweegt dat uit dit vonnis volgt dat er ernstige bezwaren zijn tegen de verdachte voor de bewezen verklaarde feiten. De rechtbank heeft een afweging gemaakt tussen het maatschappelijk belang bij voortduring van de voorlopige hechtenis en het persoonlijk belang van de verdachte bij een eventuele hernieuwde schorsing. Het recidivegevaar is door de deskundigen van het PBC als hoog ingeschat. Daarbij in aanmerking genomen de ernst van de feiten waarvoor de verdachte zal worden veroordeeld, is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken van bijzondere (persoonlijke) omstandigheden die moeten prevaleren boven het maatschappelijk belang bij voortduring van de voorlopige hechtenis.

De voorlopige hechtenis van de verdachte in de zaak met parketnummer 09/251143-21 is geschorst met ingang van 8 april 2022 voor onbepaalde tijd. De rechtbank zal dit geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen. In de andere, hierboven genoemde zaak zal de rechtbank namelijk de voorlopige hechtenis in stand laten en gelet op de gevoegde behandeling van beide zaken ter terechtzitting zal die voorlopige hechtenis ook op deze tweede zaak betrekking hebben.

Dit alles betekent dat de voorlopige hechtenis met ingang van heden op beide zaken betrekking heeft.

7. De vorderingen van de benadeelde partijen

[aangeefster 3] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 62.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 60.000,- aan materiële schade en € 2.000,- aan immateriële schade.

[aangeefster 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 30.500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 28.000,- aan materiële schade en € 2.500,- aan immateriële schade.

[aangever 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 4.200,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 3.200,- aan materiële schade en € 1.000,- aan immateriële schade.

[aangever 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 59.827,21, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 59.377,21 aan materiële schade en € 450,- aan immateriële schade.

[aangeefster 4] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 6.450,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 6.000,- aan materiële schade en € 450,- aan immateriële schade.

[aangever 3] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 43.571,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 43.121,- aan materiële schade en € 450,- aan immateriële schade.

[aangeefster 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 26.052,29, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 24.552,29 aan materiële schade en € 1.500,- aan immateriële schade.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen [aangeefster 3] , [aangever 2] , [aangeefster 4] en [aangeefster 1] geheel kunnen worden toegewezen. De vordering van de benadeelde partij [aangever 3] kan worden toegewezen tot een bedrag van € 28.121,-, de vordering van de benadeelde partij [aangever 1] tot een bedrag van € 1.800,- en de vordering van benadeelde partij [aangeefster 2] tot een bedrag van € 22.500,-. De officier van justitie heeft gevorderd dat de toegewezen bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente en dat de schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partijen met betrekking tot de gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard nu geen sprake is van psychisch letsel. De vordering van benadeelde partij [aangeefster 3] kan worden toegewezen tot een bedrag van € 45.500,- en de vordering van benadeelde partij [aangeefster 2] tot een bedrag van € 20.000,-.

De raadsman heeft ten aanzien van benadeelde partij [aangever 1] bepleit het bedrag te matigen, nu het om gebruikte sieraden gaat. Ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [aangever 3] heeft de raadsman aangevoerd dat het onmogelijk is om een inschatting te maken van de waarde van de geplaatste en geleverde kozijnen. Naar het oordeel van de raadsman kan benadeelde partij [aangever 2] de waarde van de auto via de civiele rechter terugvorderen van de autohandelaar, nu geen sprake is van een rechtsgeldige koop. De gevorderde materiële schadevergoeding voor het horloge van benadeelde partij [aangeefster 4] dient tot slot te worden gematigd tot € 2.500,-.

Het oordeel van de rechtbank

De vordering van de benadeelde partij [aangeefster 3] (dagvaarding I)

Materiële schade

Voor zover de vordering betrekking heeft op de materiële schade is deze door de benadeelde partij voldoende onderbouwd en, in het licht van de ter terechtzitting gegeven aanvullende onderbouwing, onvoldoende betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bij dagvaarding I bewezen verklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag van € 60.000,-.

Immateriële schade

De rechtbank kan begrijpen dat het bij dagvaarding I bewezen verklaarde feit een impact op de benadeelde partij heeft gehad. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de nadelige gevolgen van het bewezen verklaarde echter niet van dien aard dat zonder meer kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in persoon op andere wijze als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW). Uit de onderbouwing bij de vordering tot schadevergoeding moet blijken dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat sprake is van een dergelijke aantasting in persoon. Deze onderbouwing ontbreekt. De benadeelde partij de gelegenheid geven om de geleden schade nader te onderbouwen levert een onevenredige belasting van dit strafproces op. De benadeelde partij zal daarom ten aanzien van de gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partij kan de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Conclusie

De rechtbank zal de vordering toewijzen tot een bedrag van € 60.000,-, bestaande uit materiële schade.

Wettelijke rente

De rechtbank zal de aanvangsdatum van de wettelijke rente vaststellen op de einddatum van de bewezen verklaarde periode, zijnde 1 juli 2021.

Proceskostenveroordeling

Nu de vordering deels wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel

De verdachte zal voor het bij dagvaarding I bewezen verklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 60.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 1 juli 2021 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangeefster 3] .

De vordering van de benadeelde partij [aangeefster 2] (dagvaarding I)

Materiële schade

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bij dagvaarding I bewezen verklaarde feit. Voor zover de vordering betrekking heeft op het geldbedrag van € 20.000,- is deze door de benadeelde partij tot een bedrag van € 19.715,42 voldoende onderbouwd en door de verdediging niet betwist. De rechtbank wijst de vordering in zoverre toe. Naar het oordeel van de rechtbank is het resterende bedrag van € 284,58 niet aan te merken als rechtstreekse schade, zodat de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

Voor zover de vordering betrekking heeft op de post ‘kleding, schoenen en tassen’ is deze onvoldoende onderbouwd en door de verdediging gemotiveerd betwist. De benadeelde partij de gelegenheid geven om deze post nader te onderbouwen levert een onevenredige belasting van dit strafproces op. De benadeelde partij zal daarom ten aanzien van de overige materiële schade niet-ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partij kan haar vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Immateriële schade

Net als in het geval van de benadeelde partij [aangeefster 3] kan de rechtbank begrijpen dat het bij dagvaarding I bewezen verklaarde feit impact op de benadeelde partij heeft gehad. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de nadelige gevolgen van het bewezen verklaarde echter niet van dien aard dat zonder meer kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in persoon op andere wijze als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, BW. Uit de onderbouwing bij de vordering tot schadevergoeding moet blijken dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat sprake is van een dergelijke aantasting in persoon. Deze onderbouwing ontbreekt. De benadeelde partij de gelegenheid geven om de geleden schade nader te onderbouwen levert een onevenredige belasting van dit strafproces op. De benadeelde partij zal daarom ten aanzien van de gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partij kan de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Conclusie

De rechtbank zal de vordering toewijzen tot een bedrag van € 19.715,42, bestaande uit materiële schade.

Wettelijke rente

De rechtbank zal de aanvangsdatum van de wettelijke rente vaststellen op de einddatum van de bewezen verklaarde periode, zijnde 1 juli 2021.

Proceskostenveroordeling

Nu de vordering deels wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel

De verdachte zal voor het bij dagvaarding I bewezen verklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 19.715,42, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 1 juli 2021 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangeefster 2] .

De vordering van de benadeelde partij [aangever 1] (dagvaarding II, feit 2)

Materiële schade

Voor zover de vordering betrekking heeft op de materiële schade is deze door de benadeelde partij voldoende onderbouwd en door de verdediging onvoldoende betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bij dagvaarding II onder 2 bewezen verklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag van € 3.200,-.

Immateriële schade

Ook hier kan de rechtbank begrijpen dat het bij dagvaarding II onder 2 bewezen verklaarde feit impact op de benadeelde partij heeft gehad. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de nadelige gevolgen van het bewezen verklaarde echter niet van dien aard dat zonder meer kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in persoon op andere wijze als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, BW. Uit de onderbouwing bij de vordering tot schadevergoeding moet blijken dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat sprake is van een dergelijke aantasting in persoon. Deze onderbouwing ontbreekt. De benadeelde partij de gelegenheid geven om de geleden schade nader te onderbouwen levert een onevenredige belasting van dit strafproces op. De benadeelde partij zal daarom ten aanzien van de gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partij kan de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Conclusie

De rechtbank zal de vordering toewijzen tot een bedrag van € 3.200,-, bestaande uit materiële schade.

Wettelijke rente

De rechtbank zal de aanvangsdatum van de wettelijke rente vaststellen op de einddatum van de bewezen verklaarde periode, zijnde 29 november 2022.

Proceskostenveroordeling

Nu de vordering deels wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel

De verdachte zal voor het bij dagvaarding II onder feit 2 bewezen verklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 3.200,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 29 november 2022 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever 1] .

De vordering van de benadeelde partij [aangever 2] (dagvaarding II, feit 1)

Materiële schade

Voor zover de vordering betrekking heeft op de post ‘sieraden’ is deze door de benadeelde partij voldoende onderbouwd en door de verdediging niet betwist. De verdediging heeft aangevoerd dat de benadeelde partij de schade met betrekking tot de auto via een civielrechtelijke procedure tegen de autohandelaar kan proberen te verhalen. De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij er echter voor heeft gekozen – en dat staat haar vrij – om de schade in het kader van deze strafzaak op de verdachte te verhalen. De vordering is voldoende onderbouwd en de verdediging heeft de vordering op dit punt verder niet betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bij dagvaarding II onder 1 bewezen verklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag van € 59.377,21.

Immateriële schade

Net als in de gevallen van de hiervoor genoemde benadeelde partijen, kan de rechtbank begrijpen dat het bij dagvaarding II onder 1 bewezen verklaarde feit impact op de benadeelde partij heeft gehad. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de nadelige gevolgen van het bewezen verklaarde echter niet van dien aard dat zonder meer kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in persoon op andere wijze als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, BW. Uit de onderbouwing bij de vordering tot schadevergoeding moet blijken dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat sprake is van een dergelijke aantasting in persoon. Deze onderbouwing ontbreekt. De benadeelde partij de gelegenheid geven om de geleden schade nader te onderbouwen levert een onevenredige belasting van dit strafproces op. De benadeelde partij zal daarom ten aanzien van de gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partij kan de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Conclusie

De rechtbank zal de vordering toewijzen tot een bedrag van € 59.377,21, bestaande uit materiële schade.

Wettelijke rente

De rechtbank zal de aanvangsdatum van de wettelijke rente vaststellen op de einddatum van de bewezen verklaarde periode, zijnde 29 augustus 2022.

Proceskostenveroordeling

Nu de vordering deels wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel

De verdachte zal voor het bij dagvaarding II onder feit 1 bewezen verklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 59.377,21, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 29 augustus 2022 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever 2] .

De vordering van de benadeelde partij [aangeefster 4] (dagvaarding II, feit 1)

Materiële schade

Voor zover de vordering betrekking heeft op de materiële schade is deze door de benadeelde partij voldoende onderbouwd, onder andere met een taxatierapport. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bij dagvaarding II onder 1 bewezen verklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag van € 6.000,-.

Immateriële schade

Het bij dagvaarding II onder 1 bewezen verklaarde feit zal impact op de benadeelde partij hebben gehad. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de nadelige gevolgen van het bewezen verklaarde echter niet van dien aard dat zonder meer kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in persoon op andere wijze als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, BW. Uit de onderbouwing bij de vordering tot schadevergoeding moet blijken dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat sprake is van een dergelijke aantasting in persoon. Deze onderbouwing ontbreekt. De benadeelde partij de gelegenheid geven om de geleden schade nader te onderbouwen levert een onevenredige belasting van dit strafproces op. De benadeelde partij zal daarom ten aanzien van de gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partij kan de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Conclusie

De rechtbank zal de vordering toewijzen tot een bedrag van € 6.000,-, bestaande uit materiële schade.

Wettelijke rente

De rechtbank zal de aanvangsdatum van de wettelijke rente vaststellen op de einddatum van de bewezen verklaarde periode, zijnde 29 augustus 2022.

Proceskostenveroordeling

Nu de vordering deels wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel

De verdachte zal voor het bij dagvaarding II onder feit 1 bewezen verklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 6.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 29 augustus 2022 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangeefster 4] .

De vordering van de benadeelde partij [aangever 3] (dagvaarding II, feit 1)

Materiële schade

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bij dagvaarding II onder 1 bewezen verklaarde feit. Voor zover de vordering betrekking heeft op de materiële schade is deze door de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Ter terechtzitting is gebleken dat de benadeelde partij een deel van de kozijnen waarvoor hij had betaald, heeft ontvangen en dat een deel daarvan ook is geplaatst. De rechtbank ziet hierin aanleiding om niet het volledige gevorderde bedrag toe te wijzen. De rechtbank zal gebruikmaken van haar schattingsbevoegdheid en stelt de schade vast op € 28.121,-. De rechtbank wijst de vordering voor wat betreft de gevorderde materiële schade voor het overige af.

Immateriële schade

De rechtbank gaat ervan uit dat het bij dagvaarding II onder 1 bewezen verklaarde feit impact op de benadeelde partij heeft gehad. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de nadelige gevolgen van het bewezen verklaarde echter niet van dien aard dat zonder meer kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in persoon op andere wijze als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, BW. Uit de onderbouwing bij de vordering tot schadevergoeding moet blijken dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat sprake is van een dergelijke aantasting in persoon. Deze onderbouwing ontbreekt. De benadeelde partij de gelegenheid geven om de geleden schade nader te onderbouwen levert een onevenredige belasting van dit strafproces op. De benadeelde partij zal daarom ten aanzien van de gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partij kan de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Conclusie

De rechtbank zal de vordering toewijzen tot een bedrag van € 28.121,-, bestaande uit materiële schade.

Wettelijke rente

De rechtbank zal de aanvangsdatum van de wettelijke rente vaststellen op de einddatum van de bewezen verklaarde periode, zijnde 29 augustus 2022.

Proceskostenveroordeling

Nu de vordering deels wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel

De verdachte zal voor het bij dagvaarding II onder feit 1 bewezen verklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 28.121,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 29 augustus 2022 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever 3] .

De vordering van de benadeelde partij [aangeefster 1] (dagvaarding II, feit 4)

Materiële schade

Voor zover de vordering betrekking heeft op de materiële schade is deze door de benadeelde partij voldoende onderbouwd en door de verdediging niet betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bij dagvaarding II onder 4 bewezen verklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag van € 24.552,29.

Immateriële schade

Artikel 6:106 BW geeft een limitatieve opsomming van gevallen waarin het recht bestaat op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen. Het eerste lid, aanhef en onder b, van genoemd artikel bepaalt dat dit hiervan sprake kan zijn indien de benadeelde ‘op andere wijze in zijn persoon is aangetast’. Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat van de bedoelde aantasting in persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan.

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bij dagvaarding II onder 4 bewezen verklaarde feit. De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij voor haar psychische klachten onder behandeling is geweest bij een psycholoog. De psycholoog constateerde posttraumatische stressstoornis gerelateerde klachten naar aanleiding van het bewezen verklaarde en de benadeelde partij heeft hiervoor EMDR-therapie gevolgd. Gelet hierop en op hetgeen namens de benadeelde partij ter toelichting op haar vordering is aangevoerd, acht de rechtbank het gevorderde bedrag van € 1.500,- billijk en zal zij de gevorderde immateriële schade volledig toewijzen.

Conclusie

De rechtbank zal de vordering toewijzen tot een bedrag van € 26.052,29, bestaande uit € 24.552,29 aan materiële schade en € 1.500,- aan immateriële schade.

Wettelijke rente

De rechtbank zal de aanvangsdatum van de wettelijke rente vaststellen op het einde van de bewezen verklaarde periode, zijnde 1 april 2023.

Proceskostenveroordeling

Nu de vordering deels wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel

De verdachte zal voor het bij dagvaarding II onder feit 4 bewezen verklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 26.052,29, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 1 april 2023 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangeefster 1] .

8. De in beslag genomen voorwerpen

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de op de beslaglijst genoemde voorwerpen met een waarde van minder dan € 10,- moeten worden onttrokken aan het verkeer. Bijna alle voorwerpen zijn beoordeeld door een externe taxateur. Volgens de officier van justitie moet, gelet op de uitkomst van deze taxatie, worden aangenomen dat de voorwerpen met een waarde van minder dan € 10,- namaak zijn. De op de beslaglijst genoemde voorwerpen die gerelateerd zijn aan een bewezen verklaard feit dienen terug te worden gegeven aan de rechthebbende.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen standpunt ingenomen.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de op de beslaglijst onder 116, 117, 118, 119 en 556 genoemde geldbedragen verbeurd verklaren. Deze geldbedragen zijn voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien deze aan de verdachte toebehoren en door middel van de bewezen verklaarde strafbare feiten zijn verkregen. Bij de vaststelling van deze bijkomende straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.

De rechtbank kan op grond van het onderzoek ter terechtzitting en de inhoud van het dossier met betrekking tot de op de beslaglijst onder 1 tot en met 115, onder 120 tot en met 555 en onder 557 tot en met 562 genoemde voorwerpen niet vaststellen of, en zo ja, van welk misdrijf deze afkomstig zijn. De rechtbank kan evenmin vaststellen welke persoon of personen als rechthebbende(n) kan/kunnen worden aangemerkt. De rechtbank zal daarom de bewaring van deze voorwerpen ten behoeve van de rechthebbende gelasten.

9. De toepasselijke wetsartikelen

10. De beslissing

De op te leggen straffen en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36f, 57, 60, 63, 326, 420bis en 420bis.1 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding I (09/251143-21) en bij dagvaarding II (09/252417-22) onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

ten aanzien van dagvaarding I:

oplichting, meermalen gepleegd;

ten aanzien van dagvaarding II, feit 1:

oplichting, meermalen gepleegd;

ten aanzien van dagvaarding II, feit 2:

oplichting;

ten aanzien van dagvaarding II ,feit 3:

eenvoudig witwassen, meermalen gepleegd

en

witwassen, meermalen gepleegd;

ten aanzien van dagvaarding II, feit 4:

oplichting;

verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 40 (VEERTIG) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 18 (ACHTTIEN) MAANDEN, niet zal worden ten uitvoer gelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 3 (DRIE) JAREN vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

ten aanzien van parketnummer 09/252417-22

verstaat dat de schorsing van de voorlopige hechtenis met ingang van heden eindigt en dat de voorlopige hechtenis herleeft;

wijst af het verzoek tot opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis;

ten aanzien van parketnummer 09/251143-21

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;

de vordering van de benadeelde partij [aangeefster 3]

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 60.000,-, zijnde materiële schade, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 1 juli 2021 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangeefster 3] ;

bepaalt dat de benadeelde partij ten aanzien van de immateriële schade niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;

legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van

€ 60.000,-, zijnde materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 1 juli 2021 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangeefster 3] ;

bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 92 dagen. De toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

de vordering van de benadeelde partij [aangeefster 2]

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 19.715,42, zijnde materiële schade, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 1 juli 2021 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangeefster 2] ;

bepaalt dat de benadeelde partij ten aanzien van de overige materiële schade ad € 284,58 niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;

bepaalt dat de benadeelde partij ten aanzien van de post ‘kleding, schoenen en tassen’ en de immateriële schade niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;

legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van

€ 19.715,42 zijnde materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 1 juli 2021 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangeefster 2] ;

bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 44 dagen. De toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

de vordering van de benadeelde partij [aangever 1]

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 3.200,-, zijnde materiële schade, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 29 november 2022 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangever 1] ;

bepaalt dat de benadeelde partij ten aanzien van de immateriële schade niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;

legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 3.200,-, zijnde materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 29 november 2022 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangeefster 2] ;

bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 11 dagen. De toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

de vordering van de benadeelde partij [aangever 2]

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 59.377,21, zijnde materiële schade, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 29 augustus 2022 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangever 2] ;

bepaalt dat de benadeelde partij ten aanzien van de immateriële schade niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;

legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van

€ 59.377,21, zijnde materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 29 augustus 2022 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever 2] ;

bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 91 dagen. De toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

de vordering van de benadeelde partij [aangeefster 4]

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 6.000,-, zijnde materiële schade, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 29 augustus 2022 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangeefster 4] ;

bepaalt dat de benadeelde partij ten aanzien van de immateriële schade niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;

legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van

€ 6.000,-, zijnde materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 29 augustus 2022 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangeefster 4] ;

bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 20 dagen. De toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

de vordering van de benadeelde partij [aangever 3]

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 28.121,-, zijnde materiële schade, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 29 augustus 2022 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangever 3] ;

wijst de vordering ten aanzien van de overige gevorderde materiële schade af;

bepaalt dat de benadeelde partij ten aanzien van de immateriële schade niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;

legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van

€ 28.121,-, zijnde materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 29 augustus 2022 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever 3] ;

bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 54 dagen. De toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

de vordering van de benadeelde partij [aangeefster 1]

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe tot een bedrag van

€ 26.052,29, bestaande uit € 24.552,29 aan materiële schade en € 1.500,- aan immateriële schade, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 1 april 2023 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangeefster 1] ;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;

legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van

€ 26.052,29, bestaande uit € 24.552,29 aan materiële schade en € 1.500,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 1 april 2023 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangeefster 1] ;

bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 53 dagen. De toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

de in beslag genomen goederen

verklaart verbeurd de op de beslaglijst onder 116, 117, 118, 119 en 556 genoemde voorwerpen, te weten:

116. een geldbedrag van € 160,-,

117. een geldbedrag van € 10,-,

118. een geldbedrag van € 100,-,

119. een geldbedrag van € 25,-,

556. een geldbedrag van € 2.430,-;

gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de op de in bijlage III opgenomen beslaglijst onder 1 tot en met 115, onder 120 tot en met 555 en onder 557 tot en met 562 genoemde voorwerpen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.R.K.A.M. Waasdorp, voorzitter,

mr. H.P.M. Meskers, rechter,

mr. H.M.P. Hillenaar, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. K.Z. Zeeman, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 25 september 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. J.R.K.A.M. Waasdorp
  • mr. H.P.M. Meskers
  • mr. H.M.P. Hillenaar

Griffier

  • mr. K.Z. Zeeman

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand