ECLI:NL:RBDHA:2026:2796

ECLI:NL:RBDHA:2026:2796

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 14-01-2026
Datum publicatie 14-02-2026
Zaaknummer C/09/688964 / FA RK 25-5580
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Vernietiging erkenning

Uitspraak

Vernietiging erkenning

Beschikking op het op 22 juli 2025 ingekomen verzoek van:

[verzoekster] ,

verzoekster,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat mr. J.H.J. Rijntjes te Rotterdam.

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

[de man] ,

de man,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

Verzoek

Het verzoekschrift strekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, tot:

Feiten

Beoordeling

Ontvankelijkheid

Op grond van artikel 1:205 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan een verzoek tot vernietiging van de erkenning, op de grond dat de erkenner niet de biologische vader van het kind is, worden ingediend bij de rechtbank:

Op grond van artikel 1:205 lid 4 BW wordt het verzoek door het kind ingediend binnen drie jaren nadat het kind bekend is geworden met het feit dat de man vermoedelijk niet zijn biologische vader is. Als het kind evenwel gedurende zijn minderjarigheid bekend is geworden met dit feit kan het verzoek tot uiterlijk drie jaren nadat het kind meerderjarig is geworden, worden ingediend.

De rechtbank overweegt als volgt.

Verzoekster heeft aangegeven dat zij medio januari 2022 bekend is geworden met het feit dat de man niet haar biologische vader is. Vast staat dat het verzoek tot vernietiging van de erkenning daardoor niet is ingediend binnen de hiervoor genoemde in de wet gestelde termijn. Gelet hierop is verzoekster in beginsel niet-ontvankelijk in haar verzoek. De vraag die aan de rechtbank nu voorligt, is of verzoekster toch ontvankelijk kan worden geacht in haar verzoek, nu de wet niet voorziet in deze mogelijkheid.

Verzoekster beroept zich op artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (Verdrag van 4 november 1950, Trb. 1951, 154, hierna te noemen: EVRM) en stelt dat sprake is van omstandigheden die maken dat het vasthouden aan de wettelijke termijn voor de vernietiging van de erkenning een ongerechtvaardigde inbreuk op familie- en gezinsleven. Na het besef dat verzoekster jarenlang is opgegroeid met een onjuist beeld van haar afkomst en gelet op de omstandigheden waarin verzoekster is opgegroeid heeft dit geleid tot intensieve begeleiding van verzoekster voor psychiatrische problematiek, waaronder trauma en complexe PTSS. Verzoekster voert aan tot drie keer toe klinisch opgenomen te zijn geweest en ook nu nog onder behandeling te staan voor angststoornissen door middel van psychotherapie.

Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat in dit geval een strikte toepassing van de uit artikel 1:205 lid 1 en lid 4 BW voortvloeiende vereisten een ongerechtvaardigde inmenging betekent in het door artikel 8 EVRM beschermde recht op eerbiediging van ‘family life’ en ‘private life’ van verzoekster. Het respect voor het familie- en gezinsleven eist in de onderhavige zaak dat het belang van de biologische en maatschappelijke werkelijkheid prevaleert boven het belang van de strikte hantering van de in artikel 1:205, vierde lid, BW gestelde termijn en de daarmee voorgestane rechtszekerheid. De rechtbank zal verzoekster dan ook ontvangen in haar verzoek. De rechtbank heeft daarbij in overweging genomen dat de man – als enige belanghebbende bij het verzoek tot vernietiging van de erkenning – geen bezwaar heeft gemaakt tegen toewijzing van dit verzoek door een instemmingsverklaring te overleggen. Bovendien zijn er ook geen andere aanwijzingen dat de rechtszekerheid en de belangen van andere betrokkenen dan de rechtstreeks belanghebbende in het onderhavige geval zullen worden geschaad wanneer niet wordt vastgehouden aan de wettelijke termijn.

Inhoudelijke beoordeling

Verzoekster verzoekt de door de man gedane erkenning te vernietigen. Ter onderbouwing voert zij aan dat de man niet haar biologische vader kan zijn nu uit het door het DNA Diagnostics Center in Vlaardingen gedane DNA-test is gebleken dat het 99,8% waarschijnlijk is dat er een half-zus-familierelatie bestaat tussen verzoekster en een derde, te weten de dochter van de vermoedelijk biologische vader van verzoekster. Daarnaast heeft de man ook een instemmingsverklaring overgelegd waaruit blijkt dat hij geen bezwaar heeft tegen de vernietiging van de erkenning. Verder blijkt ook uit de door verzoekster overgelegde Whatsapp-berichten dat de man zich in het verzoek kan vinden.

De rechtbank zal dan ook het verzoek van verzoekster tot vernietiging van de erkenning door de man toewijzen.

Nadat deze beschikking in kracht van gewijsde is gegaan, wordt de erkenning door de man geacht nimmer gevolg te hebben gehad. Door de vernietiging van de erkenning staat verzoekster enkel in familierechtelijke betrekking tot de moeder en zij zal dan ook van rechtswege ingevolge artikel 1:5 lid 1 BW de geslachtsnaam van de moeder dragen.

De rechtbank zal ook conform het verzoek de griffier de opdracht geven om een afschrift van deze beschikking aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente ’s-Gravenhage te sturen.

Uitvoerverklaring bij voorraad

Nu de aard van de zaak zich verzet tegen het uitvoerbaar bij voorraad verklaren van deze beslissing, zal de rechtbank het hiertoe strekkend verzoek afwijzen.

Proceskosten

In het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten als na te melden te compenseren.

Beslissing

De rechtbank:

*

vernietigt de erkenning – gedaan op 12 mei 1999 bij de ambtenaar van de burgerlijke stand van de [gemeente] door [de man] , geboren op [geboortedatum 3] 1975 te [geboorteplaats 3] , [land] van: [verzoekster] , geboren op [geboortedatum 1] 1995 te [geboorteplaats 1] als ‘ [voornaam] [geslachtsnaam] ’;

*

draagt de griffier – op grond van artikel 1:20e lid 1 BW – op niet eerder dan drie maanden na de dag van de uitspraak van deze beschikking – en indien daartegen geen hoger beroep is ingesteld – een afschrift van deze beschikking te zenden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente ’s-Gravenhage;

*

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

*

wijst af het meer of anders verzochte.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. A.M. Brakel

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl PFR-Updates.nl 2026-0046
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand