RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.14280
geboren op [geboortedatum],
van Turkse nationaliteit,
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. G.J. van Kammen)
en
(gemachtigde: mr. J.H.A. van Eijk).
1. Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. De reden hiervoor is dat eiser internationale bescherming in Cyprus geniet. Eiser is het niet eens met deze beslissing. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 13 maart 2026 deze aanvraag in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 4 september 2026 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep, op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Het bestreden besluit
3. De minister heeft de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a van de Vw 2000. De reden hiervoor is dat eiser internationale bescherming in Cyprus geniet. Daarnaast heeft de minister bepaald dat eiser onmiddellijk naar Cyprus moet gaan.
De minister vindt dat de door eiser ondervonden problemen in Cyprus niet aan terugkeer naar Cyprus in de weg staan. Het is aan eiser om in Cyprus zijn rechten, zoals het recht op een uitkering en het vinden van werk, te effectueren. Eiser heeft niet alle mogelijkheden benut die hem als erkend vluchteling in Cyprus worden geboden. De minister komt daarom tot de conclusie dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de verleende bescherming in Cyprus niet effectief is.
Beoordeling door de rechtbank
Is het besluit van de minister voldoende zorgvuldig tot stand gekomen?
Is het gehoor van eiser zorgvuldig geweest?
4. Eiser voert aan dat het gehoor van 10 maart 2026 niet op een zorgvuldige manier heeft plaatsgevonden. Tijdens dat gehoor heeft eiser aangegeven dat hij zich niet goed voelde. Ook heeft hij verklaard dat hij zich onvoldoende voorbereid voelde op het gehoor, omdat hij pas kort daarvoor contact heeft gehad met zijn advocaat. Daarom kan niet worden uitgesloten dat eiser zijn relaas niet volledig heeft kunnen toelichten. Het gehoor kan dan ook niet zonder meer als een voldoende zorgvuldige basis voor het bestreden besluit dienen.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat het gehoor van eiser onzorgvuldig is geweest. De minister heeft er namelijk terecht op gewezen dat eiser tijdens het gehoor weliswaar heeft aangegeven dat hij zich geestelijk en lichamelijk niet goed voelt, maar dat hij ook heeft verklaard dat het gehoor wel kan doorgaan. De gehoormedewerker heeft eiser daarnaast laten weten dat hij om een pauze kan vragen als hij daar behoefte aan heeft. Verder neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser volgens zijn eigen verklaring voorafgaand aan het gehoor contact heeft gehad met zijn toenmalige advocaat en het gehoor heeft kunnen voorbespreken. Niet is gebleken dat eiser zijn relaas niet voldoende heeft kunnen toelichten. Daarbij komt dat eiser geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om zijn relaas in het vervolg van de procedure aan te vullen.
Zijn de correcties en aanvullingen voldoende in de besluitvorming betrokken?
5. Eiser betoogt dat de correcties en aanvullingen van eiser ten onrechte niet bij de beoordeling zijn betrokken.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de correcties en aanvullingen, die na het voornemen zijn ontvangen, voldoende in de besluitvorming zijn betrokken. De rechtbank verwijst hiervoor naar de inhoud van de beschikking. Daarin heeft de minister gemotiveerd dat hij de in de correcties en aanvullingen opgenomen stellingen heeft meegenomen, maar dat deze niet tot een andere beoordeling leiden.
Heeft de minister ten onrechte niet gewacht of geen nader onderzoek verricht?
6. Eiser voert verder aan dat hij tijdens het gehoor heeft verklaard dat hij over aanvullende bewijsstukken beschikt. Daarom heeft eiser de minister verzocht om de besluitvorming aan te houden. De minister heeft de besluitvorming ten onrechte doorgezet en evenmin nader onderzoek verricht. Dit handelen is niet zorgvuldig.
Deze beroepsgrond faalt. De rechtbank is van oordeel dat de minister niet onzorgvuldig heeft gehandeld door dit verzoek gemotiveerd af te wijzen. Daarbij komt dat eiser deze stukken tot op heden niet heeft overgelegd.
Kan de minister uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
7. Eiser voert tot slot aan dat hij bij terugkeer naar Cyprus in een situatie van verregaande materiële deprivatie terecht zal komen. Hij heeft daar namelijk eerder problemen ondervonden. Na de verleende verblijfsstatus in Cyprus kon eiser moeilijk woonruimte vinden en had hij te weinig bestaansmiddelen. Ook kon hij geen werk vinden. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij voldoende inspanningen heeft verricht om hulp te krijgen. Verder is eiser slachtoffer geworden van een ernstig geweldsincident en heeft hij daarna geen effectieve bescherming van de autoriteiten gekregen. De minister heeft hier onvoldoende rekening mee gehouden en heeft de landeninformatie niet kenbaar betrokken.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt als uitgangspunt voorop dat de minister ten aanzien van Cyprus van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. Dat betekent dat de minister er in beginsel van mag uitgaan dat de behandeling van een vreemdeling in de lidstaat waar hij internationale bescherming geniet, in overeenstemming is met de bepalingen van het Handvest, het Vluchtelingenverdrag en het EVRM, waaronder artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM. Dit vermoeden is weerlegbaar. Het is aan eiser om concrete aanwijzingen aan te dragen waaruit blijkt dat hij bij terugkeer naar Cyprus, als gevolg van onverschilligheid van de Cypriotische autoriteiten, buiten zijn wil en keuzes om terechtkomt in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie, waardoor hij niet kan voorzien in zijn belangrijkste basisbehoeften. Deze ‘bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid’ volgt uit het arrest Ibrahim.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat eiser er niet in is geslaagd om dit vermoeden te weerleggen. De minister heeft er in dit kader terecht op gewezen dat eiser voorafgaand aan zijn vertrek beschikte over een woning en geld om deze te huren. Dit betekent dat het voor eiser feitelijk niet onmogelijk was om in deze basisbehoefte te voorzien. Dat hij hiervoor hulp nodig had van hulporganisaties maakt dit niet anders. Ook heeft hij toegang tot de gezondheidszorg gehad en mocht hij als statushouder werken. Uit de omstandigheid dat de politie geen aangifte heeft willen opnemen toen eiser slachtoffer werd van een geweldsincident, volgt niet dat hij in Cyprus niet effectief beschermd wordt. De minister heeft er in dat verband terecht op gewezen dat eiser ook heeft verklaard dat de dader door de politie is aangehouden. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich daarom terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet is gebleken dat eiser alle mogelijkheden heeft benut die hem als erkend vluchteling in Cyprus worden geboden en dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat de verleende bescherming in Cyprus niet effectief is. Anders dan eiser betoogt, volgt uit de inhoud van de beschikking dat de minister hierbij landeninformatie heeft betrokken. De minister heeft hier echter een andere conclusie aan verbonden, die past bij de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid die volgt uit het arrest Ibrahim.
Conclusie en gevolgen
8. De minister heeft de aanvraag terecht niet-ontvankelijk verklaard en daarom heeft hij eiser ook terecht opgedragen onmiddellijk naar Cyprus te gaan. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Dijkstra, rechter, in aanwezigheid van mr. V. Vegter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.