RECHTBANK DEN HAAG
[Eiseres] , V-nummer: [v-nummer] , eiseres/verzoekster
de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.56406 en NL26.56407
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
(gemachtigde: mr. A. Agayev),
en
(gemachtigde: mr. A.E. van Midden).
Procesverloop
Bij besluit van 22 september 2026 (het bestreden besluit) is eiseres/verzoekster krachtens artikel 14, gelezen in samenhang met artikel 6 van Verordening (EU) nr. 2016/399 (Schengengrenscode) de toegang tot Nederland geweigerd.
Eiseres heeft op 23 september 2026 beroep ingesteld bij de rechtbank tegen het bestreden besluit (zaak NL26.56406). Verzoekster heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen (zaak NL26.56407).
Verweerder heeft op 23 september 2026 een verweerschrift ingediend. Kort daarna heeft eiseres/verzoekster een reactie ingediend.
Vervolgens heeft de (voorzieningen)rechter het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting in het beroep, omdat dat op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in deze zaak niet nodig is. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Awb uitspraak op het verzoek zonder zitting. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. Uit navraag bij verweerder blijkt dat verzoekster op 24 september 2026, om 20.20 uur ‘s avonds, per vlucht zou terugkeren naar Marokko; daarmee wordt uitvoering gegeven aan een ‘removal order’. De spoedeisendheid is daarmee gegeven.
2. Eiseres/verzoekster heeft de Marokkaanse nationaliteit en is geboren op [datum 1] .
3. De rechtbank stelt vast dat aan eiseres/verzoekster geen vrijheidsontnemende, maar een vrijheidsbeperkende maatregel is opgelegd in een afgeschermd gebied (transitzone van: Internationale Lounge, Schiphol). Daarom stond tegen de toegangsweigering eerst administratief beroep open. Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 18 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2728. Gelet hierop is het door eiseres tegen de toegangsweigering ingestelde beroep kennelijk niet-ontvankelijk. De rechtbank zal dat beroep krachtens artikel 6:15, tweede lid, van de Awb ter behandeling als administratief beroep doorzenden aan de IND (de minister van Asiel en Migratie).
4. Aan verzoekster is de toegang tot Nederland geweigerd, omdat zij niet in het bezit was van een geldig visum of een geldige verblijfsvergunning (de c-grond), en niet in het bezit is van een passende documentatie waaruit het doel en de omstandigheden van het verblijf blijken (de e-grond). Verzoekster is het daar niet mee eens. Zij stelt, kort gezegd, naar Nederland te zijn gereisd met een geldig visum en betoogt verder dat het doel en de omstandigheden van haar verblijf voldoende duidelijk zijn.
5. De voorzieningenrechter dient te beoordelen of het doorgezonden administratief beroep van verzoekster tegen de toegangsweigering een redelijke kans van slagen heeft.
6. Bij afzonderlijk besluit van 22 september 2026 (voorafgaand aan het bestreden besluit tot toegangsweigering) heeft verweerder het visum van verzoekster ingetrokken.
7. Verweerder heeft erop gewezen dat het aan verzoekster verleende visum vanwege twijfel aan het verblijfsdoel is ingetrokken. Verweerder stelt zich op het standpunt dat verzoekster geen bezwaar heeft gemaakt tegen de intrekking van het visum en dat daarmee vaststaat dat verzoekster niet in het bezit was van een geldig visum. De c-grond is daarom terecht tegengeworpen. Verweerder verwijst naar een uitspraak van 5 november 2018 van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, ECLI:NL:RBDHA:2018:13374, onder 5.
8. Verzoekster voert aan dat zij Nederland is ingereisd met een rechtsgeldig, door de bevoegde autoriteiten afgegeven Schengenvisum dat op het moment van de grenscontrole onverkort van kracht was. Zij betoogt verder over passende documentatie te beschikken waaruit het doel en omstandigheden van het verblijf voldoende blijken. Zij beschikt over een retourticket ( [datum 2] , vlucht [vluchtnummer] ), en heeft verblijf (van 22 september – 26 september 2026 in een hostel in Amsterdam en van 26 september – 30 september in een hotel in Rotterdam) geboekt en reeds betaald middels een creditcard. Verder heeft zij een telefoonnummer toegestuurd van haar nicht in België.
9. De voorzieningenrechter overweegt het volgende. Het standpunt van verweerder is juist. Het klopt dat verzoekster een geldig visum had toen zij naar Nederland reisde, maar zoals ook volgt uit wat zij (hierboven gecursiveerd) heeft aangevoerd, ligt dat inmiddels in het verleden: haar visum is ingetrokken, omdat verzoekster het doel en de omstandigheden van haar verblijf, naar gesteld toerisme, bij de grenscontrole niet aannemelijk wist te maken. Verzoekster heeft enkel een rechtsmiddel ingesteld tegen de toegangsweigering en in dat kader een voorlopige voorziening verzocht. Zij heeft (tot het moment van sluiting van het onderzoek door de voorzieningenrechter) geen bezwaar gemaakt tegen de intrekking van haar visum en haar verzoek om een voorlopige voorziening niet tot dat kader uitgebreid, ook niet nadat verweerder in het verweerschrift op het ontbreken van bezwaar tegen de intrekking heeft gewezen. Verzoekster heeft daar niet inhoudelijk op gereageerd. De beoordeling door de voorzieningenrechter strekt zich dan ook niet uit tot de rechtmatigheid van het besluit tot intrekking van het visum, maar die intrekking is voor de voorzieningenrechter een gegeven. Aldus heeft het administratief beroep tegen de toegangsweigering geen redelijke kans van slagen, aangezien verzoekster terecht de toegang tot Nederland is geweigerd omdat zij niet (meer) in het bezit is van een geldig visum (c-grond). Gelet hierop is het niet nodig om nog in te gaan op de vraag of verzoekster in het bezit is van voldoende passende documentatie waaruit het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf blijken (e-grond).
Uitkomst
10. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk. Het verzoek om een voorlopige voorziening moet worden afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk (zaak NL26.56406).
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af (zaak NL26.56407).
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter-Rijksen, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. S. Feijtel, griffier. Het dictum van de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening is telefonisch meegedeeld aan de gemachtigde van verzoekster op 23 september 2026 om 18.46 uur en aan de gemachtigde van verweerder om 18.49 uur.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open. Als partijen het niet eens zijn met de uitspraak op het beroep, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.