RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiserV-nummer: [V-nummer]
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.55307
(gemachtigde: mr. G.A. Dorsman),
en
Procesverloop
Bij besluit van 28 augustus 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, eerste lid aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Bij uitspraak van 3 september 2026 heeft de rechtbank het beroep van eiser tegen dat besluit ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel beroep ingesteld. Eiser heeft ook verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
Verweerder heeft op 18 september 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten op 24 september 2026.
Beoordeling door de rechtbank
4. Eiser voert aan dat verweerder in het voortgangsrapport erkent dat in het besluit op eisers asielaanvraag van 23 juli 2026 abusievelijk is vermeld dat hij zijn verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet in Nederland mag afwachten. Omdat eisers asielaanvraag dateert van voor de inwerkingtreding van het Asiel- en Migratiepact op 12 juni 2026, wordt deze asielaanvraag beoordeeld naar het oude recht en mag eiser zijn verzoek om een voorlopige voorziening bij een afwijzing als kennelijk ongegrond wel in Nederland afwachten. De grondslag van eisers maatregel van vreemdelingenbewaring is door verweerder, na de afwijzing van eisers opvolgende asielaanvraag op 27 augustus 2026, op 28 augustus 2026 omgezet naar een maatregel op grond van artikel 59, eerste lid aanhef en onder a, van de Vw. Verweerder erkent in het voortgangsrapport dat eiser sinds dat moment op de verkeerde titel in bewaring heeft gezeten en heeft de maatregel op 18 september 2026 opgeheven. Eiser verzoekt daarom het beroep gegrond te verklaren onder toekenning van een schadevergoeding aan eiser over de periode van 3 september 2026 tot en met 18 september 2026. Tevens verzoekt eiser om verweerder te veroordelen in de proceskosten.
De rechtbank oordeelt als volgt.
5. Verweerder bevestigt in het voortgangsrapport dat eisers verzoek om een voorlopige voorziening hangende het besluit van 23 juli 2026 schorsende werking heeft en eiser daarmee zijn verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening in Nederland mag afwachten. Niet is in geschil dat de maatregel van vreemdelingenbewaring in de periode van 3 september 2026 tot en met 18 september 2026 ten onrechte op grond van artikel 59, eerste lid aanhef en onder a, van de Vw is opgelegd. De rechtbank verklaart het beroep gegrond.
6. Omdat de maatregel van bewaring is opgeheven, is een bevel tot opheffing niet nodig. De rechtbank wijst eisers verzoek tot toekenning van schadevergoeding toe op grond van artikel 106, eerste lid, van de Vw. De rechtbank kent aan eiser een vergoeding toe voor vijftien dagen onrechtmatig verblijf in het detentiecentrum vanwege de tenuitvoerlegging van de onrechtmatige vrijheidsontnemende maatregel. 15 dagen maal €120,-- per dag (verblijf in het detentiecentrum) is een bedrag van €1.800,--. Het betreft de periode van 3 september 2026 tot en met 18 september 2026.
7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,-- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond; - veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1.800,-- te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding; - veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 934,--.
Deze uitspraak is gedaan op 24 september 2026 door mr. M.J. Paffen, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.