RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.51761
V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. J.J.J. Jansen),
en
Procesverloop
Bij het besluit van 27 augustus 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Zwitserland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb uitspraak zonder zitting.
Beoordeling door de rechtbank
1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1988 en de Ethiopische nationaliteit te hebben. Hij heeft op 9 juli 2026 een asielaanvraag ingediend in Nederland.
2. Uit onderzoek in EU-Vis is gebleken dat eiser door de buitenlandse vertegenwoordiging van Zwitserland in het bezit is gesteld van een visum, dat geldig was van 25 juni 2026 tot 24 juli 2026. Eiser was dus houder van een geldig Zwitsers visum op het moment van zijn verzoek om internationale bescherming in Nederland. Daarom heeft Nederland aan Zwitserland op 28 juli 2026 een kennisgeving van overname verstuurd. Zwitserland heeft, na een verzoek tot heroverweging, de kennisgeving op 17 augustus 2026 bevestigd. Bij het bestreden besluit heeft verweerder daarom de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen en aan eiser meegedeeld dat hij aan Zwitserland zal worden overgedragen.
3. Eiser betwist allereerst dat sprake was van de vereiste spoed voor het inzetten van een niet-registertolk tijdens zijn gehoor. Daarnaast is volgens hem door de gebrekkige vertolking tijdens het gehoor een wezenlijk onderdeel van zijn verklaringen niet in het gehoorverslag terechtgekomen. Hij kan niet naar Zwitserland terugkeren, omdat hij vreest van daaruit naar Ethiopië te worden teruggestuurd. De agency waarmee hij Ethiopië heeft verlaten zou volgens eiser nauwe contacten hebben met de Ethiopische overheid, waardoor deze overheid op de hoogte zou zijn van zijn vertrek naar Zwitserland. Tot slot is het voor eiser onduidelijk op welke grond Zwitserland de overname aanvankelijk heeft geweigerd.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Per 12 juni 2026 zijn de Asielprocedureverordening en de Asiel- en migratiebeheerverordening (Ambv) in werking getreden. Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw, zoals die bepaling sindsdien luidt, neemt verweerder een asielaanvraag overeenkomstig artikel 39, eerste lid, onderdeel a, van de Procedureverordening niet in behandeling wanneer op grond van de Ambv is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.
5. Daargelaten of artikel 43 van de Ambv aan beoordeling van deze beroepsgrond in de weg staat, overweegt de rechtbank dat eiser niet heeft toegelicht welk belang door het gebruik van een niet-registertolk is geschaad. Uit het rapport van het gehoor Ambv blijkt dat eiser meermaals heeft aangegeven dat hij de tolk goed kon verstaan en begrijpen. Na beluistering van de opname is de rechtbank van oordeel dat de stelling dat het Nederlands van de tolk te beperkt was, niet juist is. Ook overigens heeft eiser geen feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit volgt dat het gebruik van een niet-registertolk ertoe heeft geleid dat relevante feiten of omstandigheden niet naar voren zijn gekomen die van belang zijn voor de beoordeling van de overdracht aan Zwitserland. De beroepsgrond slaagt niet.
6. Voor zover eiser stelt dat uit de afwijzing van Zwitserland niet blijkt waarom de kennisgeving aanvankelijk is geaccepteerd, volgt de rechtbank hem daarin niet. Uit de afwijzing van 29 juli 2026 volgt dat het verzoek is afgewezen omdat volgens de Zwitserse autoriteiten geen visum aan eiser was afgegeven. Uit het heroverwegingsverzoek blijkt dat de Zwitserse autoriteiten zich hebben vergist in de datum van het visum, er was eerder een visumaanvraag afgewezen. Na het verzoek om heroverweging heeft Zwitserland de overname alsnog bevestigd.
7. De rechtbank komt niet toe aan een boordeling of eiser bij overdracht aan Zwitserland een reëel risico loopt op indirect refoulement. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft immers in haar uitspraak van 12 juni 2024, in navolging van het arrest van het Hof van 30 november 2023, geoordeeld dat een dergelijk risico in de aangezochte lidstaat niet kan worden beoordeeld zolang een vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat in de betreffende lidstaat sprake is van systeemfouten in de zin van het arrest Jawo. Zwitserland heeft met de bevestiging van de overname gegarandeerd eisers asielaanvraag in behandeling te nemen met inachtneming van de internationale verplichtingen. Verweerder heeft zich bovendien terecht op het standpunt gesteld dat ten aanzien van Zwitserland kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser heeft dit standpunt niet betwist.
8. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het bestreden besluit van 27 augustus 2026 in stand blijft.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 24 september 2026 door mr. M.J. Paffen, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.