[naam], eiser,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. H.A. Jeuring),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 11 juni 2026 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Toepasselijk recht
4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.
Totstandkoming van het besluit
5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Duitsland op 26 maart 2026 een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek op 31 maart 2026 aanvaard.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel en individueel risico
6. Eiser vreest bij terugkeer voor de broer van zijn ex-echtgenote. Hij is door deze broer met de dood bedreigd, en heeft hiervoor aangifte gedaan in Duitsland. De Duitse politie heeft niets met deze aangifte gedaan. Hierdoor loopt eiser een individueel en persoonlijk risico op schending van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. De minister heeft dit ten onrechte niet als zelfstandig toetsingskader behandeld. Ook heeft de minister ten onrechte aan eiser tegengeworpen dat hij geen documentatie heeft van de aangifte. Eiser heeft dit noodgedwongen achtergelaten en het kan niet van hem worden verlangd dat hij deze documenten bij het aanmeldgehoor overlegt. Eiser stelt dat zijn verklaringen consistent, gedetailleerd en niet ongeloofwaardig zijn bevonden. De minister had nader onderzoek moeten doen.
De rechtbank stelt voorop dat de minister in zijn algemeenheid ten aanzien van Duitsland mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit is tussen partijen niet in geschil. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan ervan worden uitgegaan dat eiser bij overdracht aan Duitsland geen risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. Dat eiser in Duitsland werd bedreigd door de broer van zijn ex-vrouw doet hier niet aan af. Nederland mag er immers vanuit gaan dat eiser hier in Duitsland bescherming voor kan vragen van de Duitse autoriteiten. De enkele, niet onderbouwde, stelling dat de Duitse politie niets met zijn aangifte heeft gedaan doet hier niet aan af. Eiser is er niet in geslaagd om aan te tonen dat de Duitse autoriteiten hem niet kunnen of willen beschermen.
Artikel 17
7. Eiser stelt zich op het standpunt dat de minister de concrete, persoonlijke bedreigingen door een private actor buiten de asielprocedure om had moeten beoordelen in het kader van artikel 17 van de Dublinverordening. Het risico waarop eiser zich beroept heeft geen betrekking op zijn eerdere ervaringen in de asielprocedure in Duitsland, waardoor het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet aan de beoordeling van dit risico in de weg staat.
De rechtbank is van oordeel dat de minister geen aanleiding heeft hoeven zien om toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Uit hetgeen eiser heeft aangevoerd is niet gebleken van zodanige bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat overdracht aan Duitsland van onevenredige hardheid getuigt. De minister is in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd ingegaan op wat eiser heeft verklaard over zijn persoonlijke situatie en de bedreigingen in Duitsland. Zoals onder 6.1. is overwogen kan eiser zich voor bescherming tegen deze bedreigingen wenden tot de Duitse autoriteiten.
Zorgvuldigheidsbeginsel
8. Eiser stelt voorts dat de minister heeft nagelaten om te onderzoeken of de gestelde aangifte in Duitsland verifieerbaar is via de German Dublin Unit of andere beschikbare kanalen. Ook heeft de minister in het bestreden besluit niet kenbaar onderzocht of zijn beroep bij de Duitse rechter nog loopt en wat overdracht betekent voor eisers rechtspositie in het kader van artikel 47 van het Handvest.
De rechtbank overweegt dat het aan eiser is om aannemelijk te maken dat hij aangifte heeft gedaan in Duitsland. Zoals reeds overwogen is het uitgangspunt dat Duitsland de rechten van vreemdelingen respecteert, waaronder hun verzoeken om (rechts)bescherming. Nu eiser zijn stellingen niet nader heeft onderbouwd met stukken, of anderszins aannemelijk heeft gemaakt, heeft de minister geen aanleiding hoeven zien om nader onderzoek te doen naar de aangifte of de asielprocedure van eiser in Duitsland. Dat betekent ook dat overdracht aan Duisland geen negatieve invloed heeft op eisers rechtspositie, althans dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat het zijn rechtspositie zou kunnen schaden.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. van der Meulen-Postma, griffier.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.