RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.54353
(gemachtigde: mr. M.S. Yap),
en
(gemachtigde: mr. W. Vrooman).
Procesverloop
Met het bestreden besluit van 14 september 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
Partijen hebben ingestemd met een schriftelijke behandeling. Eiser heeft zijn gronden van beroep op 17 september 2026 ingediend. Verweerder heeft op 18 september 2026 een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek op 23 september 2026 gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
1. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
2. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het onderduikrisico bestaat en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Eiser voert aan dat onvoldoende is gemotiveerd dat sprake is van een onderduikrisico. Niet is gebleken dat eiser op een onjuiste wijze Nederland is binnengekomen.
4. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding om de gronden die aan de maatregel ten grondslag liggen onvoldoende te achten. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden b, p, r en s niet inhoudelijk heeft betwist. Deze gronden zijn feitelijk juist en voor zover nodig voldoende toegelicht. De gronden kunnen de maatregel dragen. Hieruit volgt het risico op onderduiken. Wat eiser aanvoert tegen grond a behoeft daarom geen bespreking meer.
Lichter middel
5. Eiser voert verder aan dat de maatregel van vreemdelingenbewaring onevenredig is en dat een lichter middel had kunnen worden toegepast. Eiser heeft geen mogelijkheid gekregen om zelfstandig Nederland te verlaten en werkt volledig mee.
6. Eiser wordt hierin niet gevolgd. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend is om het risico op onderduiken te ondervangen. Eiser heeft de mogelijkheid gehad om na ontvangst van het besluit van 8 augustus 2026, waarin vastgesteld is dat eiser geen rechtmatig verblijf meer heeft, zelfstandig te vertrekken uit Nederland. Dit heeft hij echter niet gedaan. Dat eiser nu stelt volledig mee te werken aan zijn terugkeer, heeft verweerder onvoldoende kunnen achten voor de toepassing van een lichter middel. Verder is niet gebleken van omstandigheden die de vreemdelingenbewaring voor eiser onredelijk bezwarend maken.
Ambtshalve toets
7. Ook de ambtshalve toetsing leidt niet tot het oordeel dat de maatregel van vreemdelingenbewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
8. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 25 september 2026 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.