RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.55156
[eiser] , eiserV-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M.S. Yap),
en
(gemachtigde: mr. W. Vrooman).
Procesverloop
Bij besluit van 16 september 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
Partijen hebben ingestemd met een schriftelijke behandeling. Eiser heeft zijn gronden van beroep ingediend. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek op 25 september 2026 gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
Toetsingskader
1. Verweerder kan de vreemdeling in vreemdelingenbewaring stellen als de voor de terugkeer van de vreemdeling noodzakelijke bescheiden voorhanden zijn, dan wel binnen korte termijn voorhanden zullen zijn, tenzij de vreemdeling rechtmatig verblijf heeft gehad op grond van artikel 8, onder a tot en met e, en l, van de Vw. Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.
2. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In de maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat de voor de terugkeer van de vreemdeling noodzakelijke bescheiden voorhanden zijn, dan wel binnen korte tijd voor handen zullen zijn.
3. Eiser voert aan dat uit zijn dossier niet blijkt dat hij op 22 juni 2026 een bevel heeft ontvangen om zich onmiddellijk naar België te begeven, dan wel dat hij in Nederland gesignaleerd staat en hier zes maanden niet mag zijn. Eiser stelt zich daarom op het standpunt dat hij zich wel in Nederland mocht begeven en anders op 16 september 2026 in de gelegenheid moest worden gesteld om terug te keren naar België. Daarbij ontbreekt een terugkeerbevel dat zou zijn uitgevaardigd op 16 september 2026. Volgens eiser is de maatregel van meet af aan onrechtmatig, omdat hij niet illegaal in Nederland verbleef en de openbare orde de maatregel niet vordert. Er was daarom geen grond om hem in bewaring te stellen.
4. Eiser wordt hierin niet gevolgd. Verweerder heeft de M106-A van eiser aan het dossier toegevoegd. Dit betreft het bevel voor eiser om zich onmiddellijk naar België te begeven. In dit bevel is tevens opgenomen dat eiser zal worden gesignaleerd in het Executie en Signaleringssysteem met het doel hem de toegang tot en het verblijf in Nederland te weigeren. Ook volgt uit dit bevel dat eiser op de hoogte is gesteld dat hij voor de duur van zes maanden niet in Nederland mag komen en gesignaleerd zal worden. Eiser heeft hierop verklaard dat hij dit begrijpt. Niet is gebleken dat eiser hieraan heeft voldaan. Hieruit volgt genoegzaam dat eiser illegaal in Nederland verblijft. Daarbij wordt door eiser niet betwist dat hij beschikt dan wel binnenkort zal beschikken over geldige reisdocumenten op basis waarvan hij uitgezet of overgedragen kan worden. De maatregel is terecht aan eiser opgelegd.
5. Subsidiair voert eiser aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet kon worden volstaan met het opleggen van een lichter middel. Uit de enkele omstandigheid dat eiser tijdens het gehoor niet hardop wilde spreken kan zonder nadere onderbouwing niet worden afgeleid dat hij zijn vertrek zal frustreren. Verweerder heeft niet concreet toegelicht welke gedragingen van eiser een daadwerkelijk risico op het frustreren van zijn terugkeer naar België opleveren.
6. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd waarom het opleggen van een lichter middel voor de daadwerkelijke effectuering van eisers vertrek niet doeltreffend is. In dit kader heeft verweerder van belang kunnen achten dat eiser geen gehoor heeft gegeven aan een eerder bevel van 22 juni 2026 om zich onmiddellijk naar België te begeven en de door eiser veroorzaakte overlast. Daarnaast heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat eiser tijdens zijn gehoor heeft aangetoond niet aan zijn vertrek naar België te willen meewerken door niet hardop te willen spreken met de hoorambtenaar. De hoorambtenaar heeft eiser hierna in de gelegenheid gesteld om zijn zienswijze schriftelijk kenbaar te maken. Verweerder heeft in dat kader terecht overwogen dat er door eiser geen feiten of omstandigheden zijn aangevoerd die zouden moeten leiden tot het opleggen van een minder dwingende maatregel en dat niet is gebleken van omstandigheden die de detentie voor eiser onredelijk bezwarend maken.
7. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 25 september 2026 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.