RECHTBANK DEN HAAG
[eiser], eiser en verzoeker, hierna eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna de minister
Samenvatting
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL26.23477 (beroep)
NL26.23478 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
(gemachtigde: mr. R.E.J.M. van den Toorn),
en
(gemachtigde: mr. W. Vrooman).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag. Eiser heeft ook aan de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening.
De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Het beroep is ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 3 april 2026 een herhaalde aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 17 april 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Ook heeft hij verzocht om een voorlopige voorziening die ertoe strekt dat hij niet zal worden uitgezet totdat op het beroep is beslist.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 8 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, A.H. Hassan als tolk in de taal Somali en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn herhaalde asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is geboren op [geboortedag] 2003 en heeft de Somalische nationaliteit. Hij verklaart homoseksueel te zijn en daarom niet terug te kunnen keren naar Somalië.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de asielmotieven:
identiteit, nationaliteit en herkomst; en
homoseksuele gerichtheid
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig wordt geacht. Eisers homoseksuele gerichtheid is niet geloofwaardig. De minister concludeert dat de asielaanvraag kennelijk ongegrond is.
Het beroep
De bedreigingen van Al-Shabaab
5. Eiser voert aan dat hij op elfjarige leeftijd is benaderd door een ver familielid om hem mee te nemen naar Al-Shabaab. Hij is toen verhuisd met zijn moeder en ooms naar een buitenwijk van Mogadishu om dit te voorkomen. Later is hij nog een keer bedreigd door Al-Shabaab in zijn nieuwe woonplaats. De minister heeft op zitting aangegeven dat de gestelde vrees in deze herhaalde asielprocedure niet als asielmotief naar voren is gebracht en dat de rechtbank zich bovendien in de eerste asielprocedure van eiser heeft uitgelaten over de gestelde vrees voor Al-Shabaab. Op zitting is door eiser naar voren gebracht dat de vrees voor rekrutering door Al-Shabaab wel een asielmotief is van eiser en dat de minister in het bestreden besluit juist ook op deze vrees is ingegaan.
De rechtbank stelt vast dat eiser in het nader gehoor de gestelde vrees voor rekrutering door Al-Shabaab niet als asielmotief naar voren heeft gebracht. Naast zijn identiteit, nationaliteit en herkomst heeft eiser alleen de gestelde seksuele geaardheid als asielmotief naar voren gebracht. Eerst in de zienswijze wordt gerefereerd naar het aanmeldgehoor en de correcties en aanvullingen over de vrees voor Al-Shabaab in de eerste asielprocedure. Dat de minister in het bestreden besluit naar aanleiding van de zienswijze een overweging heeft opgenomen over de gestelde vrees voor Al-Shabaab maakt niet dat sprake is van deze vrees als een apart asielmotief. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht heeft gewezen op de onherroepelijke uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 29 december 2025, waar de rechtbank in rechtsoverweging 5.1 voldoende is ingegaan op de verklaringen van eiser over zijn vrees voor Al-Shabaab. Eiser heeft geen nieuwe feiten en omstandigheden hierover naar voren gebracht. De beroepsgrond slaagt dan ook niet.
De homoseksuele gerichtheid
6. Eiser voert verder aan dat hij betrouwbaar en consistent heeft verklaard over zijn homoseksualiteit en dit dat ten onrechte niet geloofwaardig is geacht.
De rechtbank is met de minister van oordeel dat eiser niet samenhangend en authentiek heeft verklaard over zijn homoseksuele gerichtheid. Eiser heeft oppervlakkig en tegenstrijdig verklaard over zijn gerichtheid en zijn gestelde relaties in Somalië. Hij heeft verklaard dat hij contact zocht met andere mannen om vrienden te worden en daarmee seksuele handelingen te verrichten, maar verklaart ook dat hij altijd op zijn hoede was en dat zijn leven geheim moest blijven. Verder verklaart eiser ook dat hij met niemand in Somalië erover sprak, maar hij verklaart ook twee relaties te hebben gehad. Eiser blijft verder oppervlakkig over deze relaties en heeft hiermee niet overtuigend verklaard over zijn homoseksuele gerichtheid en de groei die hij daarin stelt te hebben doorgemaakt. De minister heeft ook uitvoerig gemotiveerd in het voornemen, waar in het bestreden besluit naar wordt verwezen, waarom de verklaringen oppervlakkig en niet authentiek zijn. Eiser is hier verder, zowel in de zienswijze als beroep, niet op ingegaan en de rechtbank ziet ook geen aanleiding om van die motivering van de minister af te wijken.
Met betrekking tot de verklaring van de gestelde huidige relatie van eiser, die in beroep is overgelegd, heeft de minister ook voldoende gemotiveerd dat aan deze verklaring een zeer beperkte waarde toekomt. De rechtbank stelt voorop dat een overgelegde verklaring over een relatie met eiser als ondersteunend bewijs kan dienen voor de door hem gestelde homoseksualiteit. De door eiser overgelegde verklaring van de persoon met wie hij stelt een relatie te hebben acht de rechtbank onvoldoende om eiser’s eigen verklaringen geloofwaardig te achten. De schrijver van de verklaring heeft twee geboortedata opgenomen die niet met elkaar overeenkomen. De verklaring is verder tegenstrijdig met wat eiser heeft verklaard. In de verklaring staat dat zij elkaar op 7 april 2026 voor het eerst hebben ontmoet in een Coffeeshop. Eiser heeft echter in het gehoor verklaard dat zij sinds eind januari, begin februari van 2026 een relatie hebben. Deze verklaring maakt dan ook niet dat eisers seksuele gerichtheid geloofwaardig is.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat de minister terecht het asielrelaas van eiser ongeloofwaardig heeft geacht. Deze beroepsgrond slaagt dan ook niet.
Artikel 3 EVRM risico bij terugkeer
7. Eiser voert aan dat een terugkeer naar Somalië in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Hij vreest voor rekrutering bij terugkeer, want hij heeft een oom die actief is voor Al-Shabaab en hij is een jonge man. Ter zitting voert eiser ook aan dat de minister hierop in is gegaan in het bestreden besluit en het dus had moeten worden beoordeeld als asielmotief. De minister heeft dat ten onrechte niet gedaan.
De minister stelt zich op het standpunt dat in Mogadishu sprake is van een relatief laag niveau van willekeurig geweld. Ook al zou er sprake zijn van een hoger niveau van willekeurig geweld, dan nog heeft eiser nog niet met individuele omstandigheden aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade.
De rechtbank stelt, zoals hiervoor is uiteengezet, vast dat de minister geen aanleiding heeft hoeven zien om de vrees bij terugkeer als afzonderlijk asielmotief te beoordelen. Het gaat immers over de terugkeersituatie van eiser. Dat de minister hierop heeft gereageerd in het besluit in het kader van terugkeer, maakt niet dat het als asielmotief moet worden geïnterpreteerd.
Met betrekking tot het niveau van willekeurig geweld is de rechtbank van oordeel dat de minister in het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd dat er voor Mogadishu een lager niveau van willekeurig geweld moet worden aangenomen. Het rapport van de EUAA ‘Country Guidance: Somalia’ van mei 2025, waarin staat dat Mogadishu gekenmerkt wordt door een hoog niveau van geweld is niet betrokken bij het Algemeen Ambtsbericht over Somalië van april 2025 en het is aan de minister om nader te motiveren dat naar aanleiding van het EUAA rapport nog steeds van een lager niveau van willekeurig geweld kan worden uitgegaan. De rechtbank verwijst hiertoe ook naar de uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats van 29 juli 2026 en van 12 augustus 2026. Dit levert een motiveringsgebrek op. De rechtbank zal in het kader van finale geschilbeslechting beoordelen welke gevolgen dit al dan niet heeft voor de besluitvorming.
Dat uit de actuele openbare informatie over de veiligheidssituatie in Somalië niet blijkt dat sprake is van de meest uitzonderlijke situatie, waarin de mate van willekeurig geweld zo hoog is dat eiser door zijn enkele aanwezigheid aldaar reeds een reëel risico loopt op ernstige schade, is op zitting niet betwist door partijen. Dit betekent dat eiser ook bij een hoger niveau van willekeurig geweld aannemelijk moet maken dat hij vanwege individuele omstandigheden een verhoogd risico loopt op willekeurig geweld. Bij een hoger niveau van willekeurig geweld hoeft eiser wel minder individuele omstandigheden aan te voeren dan bij een lager niveau van willekeurig geweld. De minister heeft ter zitting een aanvullende motivering gegeven dat, al zou worden uitgegaan van een hoger niveau van willekeurig geweld, eiser onvoldoende individuele omstandigheden naar voren heeft gebracht waardoor hij een verhoogd risico zou lopen op willekeurig geweld bij terugkeer. De rechtbank kan de minister in die motivering volgen en is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser bij terugkeer geen reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatieverordening. Eiser heeft gedurende de procedure te weinig individuele omstandigheden naar voren gebracht waaruit blijkt dat hij een verhoogd risico loopt op willekeurig geweld. In het rapport van de EUAA wordt voornamelijk gesproken over incidenten en geweld, maar daar blijkt niet uit dat jonge mannen alleen al door hun leeftijd meer risico lopen op willekeurig geweld. Verder is de rechtbank niet gebleken van andere individuele omstandigheden. De minister heeft met de nadere motivering het gebrek dan ook voldoende hersteld
De rechtbank is gelet op het bovenstaande van oordeel dat het hiervoor omschreven motiveringsgebrek gepasseerd kan worden met toepassing van artikel 6:22 van de Awb nu niet is gebleken dat eiser hierdoor in zijn belangen is geschaad.
Conclusie en gevolgen
8. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt.
9. Nu op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer om de gevraagde voorziening te treffen. De rechtbank wijst dat verzoek dan ook af.
10. De rechtbank heeft artikel 6:22 van de Awb toegepast en daarom bestaat er aanleiding om de minister te veroordelen in de proceskosten van eiser. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van een verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank in de zaak met nummer NL26.23477:
- verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter in de zaak met nummer NL26.23478:
- wijst het verzoek af.
De rechtbank/voorzieningenrechter in beide zaken:
- veroordeelt de minister tot het betalen van € 2.802,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Smayel, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. E. Waal, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.