ECLI:NL:RBDHA:2026:28239

ECLI:NL:RBDHA:2026:28239

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 24-09-2026
Datum publicatie 25-09-2026
Zaaknummer NL26.16428 en NL26.16429
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Asiel Colombia, beroep ontvankelijk, zorgvuldigheidsgebrek vanwege niet bekijken van filmpje in het gehoor, gebrek gepasseerd artikel 6:22 Awb, eisers asielrelaas terecht niet geloofwaardig geacht, beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

[eiser], eiser en verzoeker, hierna eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna de minister

Samenvatting

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

Zaaknummer: NL26.16428 (beroep)

NL26.16429 (voorlopige voorziening)

V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

(gemachtigde: mr. H.M. Pot),

en

(gemachtigde: mr. W. Vrooman).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag. Eiser verzoekt ook aan de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.

De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna de rechtbank) komt in deze uitspraak tot het oordeel dat er een gebrek kleeft aan het bestreden besluit, maar passeert dat gebrek en bepaalt dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Het verzoek om een voorlopige voorziening is afgewezen. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 14 maart 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Eiser heeft ook aan de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening die ertoe strekt niet te worden uitgezet totdat op zijn beroep is beslist.

De rechtbank heeft het beroep en het verzoek op 8 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, A.M. van den Berg als tolk in de Spaanse taal en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas

3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft de Colombiaanse nationaliteit. Een man genaamd [naam] heeft op 18 mei 2025 op eiser en zijn broer geschoten. Hierna heeft eiser een tijd in het ziekenhuis gelegen en is hij meerdere keren bedreigd. Het ziekenhuis waar eiser heeft verbleven heeft aangifte gedaan van het schietincident, maar eiser heeft na zijn ontslag uit het ziekenhuis geen beschikking kunnen krijgen over die aangifte. Eiser heeft zelf aangifte gedaan voor de bedreiging bij de politie, maar heeft het onderzoek door de politie niet afgewacht omdat hij vreest dat de autoriteiten hem niet kunnen beschermen. Hij is bang dat [naam] hem zal doden bij een terugkeer naar Colombia.

Het bestreden besluit

4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:

identiteit, nationaliteit en herkomst; en

de problemen met [naam].

De minister stelt zich hierover op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig zijn. De problemen met [naam] acht de minister niet geloofwaardig. De minister concludeert dat de asielaanvraag kennelijk ongegrond is. Eiser krijgt een terugkeerbesluit en moet Nederland (en een aantal andere Europese landen) onmiddellijk verlaten. Daarbij krijgt eiser ook een inreisverbod voor de duur van twee jaar.

Het beroep

Ontvankelijkheid

5. De rechtbank stelt het volgende vast. De gemachtigde van eiser heeft het beroep ingesteld op 24 maart 2026, meer dan één week na de datum van het bestreden besluit. Het bestreden besluit van 14 maart 2026 is via Zivver verzonden. Uit een e-mailbericht dat op 24 maart 2026 aan de gemachtigde van eiser is gestuurd, blijkt dat door de minister is bevestigd dat het bestreden besluit pas op 17 maart 2026 door de gemachtigde geopend kon worden.

In artikel 6:8, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat de beroepstermijn aanvangt met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Op grond van artikel 3:41, eerste lid van de Awb geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager. In artikel 2:19 van de Awb is bepaald dat als tijdstip van verzending door een bestuursorgaan van een bericht geldt – afhankelijk van de wijze van verzending – het tijdstip waarop het bericht de geadresseerde heeft bereikt of toegankelijk is geworden voor de geadresseerde. In casu is het bestreden besluit verstuurd via het beveiligde e-mailverkeer Zivver en kon het bestreden besluit eerst op 17 maart 2026 door de gemachtigde van eiser worden geopend. Daarnaast is op zitting niet gebleken dat het bestreden besluit op 14 maart 2026 in het digitale werkdossier in asielzaken is geplaatst waarbij tevens een kennisgeving zoals bedoeld in artikel 2:10, eerste lid van de Awb aan de gemachtigde is verstuurd. De rechtbank ziet, gelet op al het bovenstaande, geen aanleiding om aan te nemen dat de gemachtigde van eiser het bestreden besluit vóór 17 maart 2026 kon openen of dat het besluit, onder een kennisgeving, op een andere wijze voor de gemachtigde toegankelijk was geworden. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat het bestreden besluit eerst op 17 maart 2026 toegankelijk is geworden voor de gemachtigde en dus op dat moment op de opgeschreven wijze is bekendgemaakt. In overeenstemming met de bepaalde beroepstermijn in het bestreden besluit – conform de wettelijke beroepstermijn in artikel 69 van de Vw 2000, had de gemachtigde één week na ontvangst van het bestreden besluit om beroep in te stellen. Dat betekent dat het ingestelde beroep op 24 maart 2026 tijdig is ingediend. Het beroep is dan ook ontvankelijk.

Herhaald en ingelast, algemene gronden met betrekking tot de motivering

6. Eiser heeft verzocht om alle eerder naar voren gebrachte gronden en argumenten in deze procedure als herhaald en ingelast te beschouwen. Het uitgangspunt is de zienswijze.

Uit het in algemene zin herhalen en inlassen van wat eiser eerder naar voren heeft gebracht, kan de rechtbank niet afleiden waarom eiser van mening is dat het bestreden besluit onjuist is. Daarom ziet de rechtbank hierin geen aanleiding het bestreden besluit te vernietigen.

Het bekijken van het tweede filmpje

7. Eiser voert aan dat de minister tijdens het nader gehoor ook het tweede filmpje dat eiser wilde laten zien van de beschieting, had moeten bekijken en dit ten onrechte niet heeft gedaan.

De minister stelt zich op het standpunt dat het aan eiser is om alle relevante bewijsstukken te overleggen. Al zou de minister het tweede filmpje hebben bekeken en zou eiser herkenbaar te zien zijn op het filmpje, is het nog niet te herleiden wie eiser heeft beschoten en waarom. Ook is niet op te maken of het filmpje onderbouwt waar of wanneer eiser zou zijn beschoten. Er kan daarom weinig waarde gehecht worden aan de filmpjes van eiser.

De rechtbank stelt het volgende vast. Eiser heeft aangegeven dat hij twee filmpjes heeft van het moment waarop hij beschoten is. Op het eerste filmpje zou de persoon staan die eiser en zijn broer beschiet en op het tweede filmpje verklaart eiser herkenbaar op beeld te zijn waarbij is te zien dat hij beschoten is. De minister heeft het eerste filmpje bekeken tijdens het gehoor, maar het tweede niet.

De rechtbank is van oordeel dat het niet bekijken van het tweede filmpje tijdens het nader gehoor onzorgvuldig is van de minister. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd waarom het tweede filmpje niet is bekeken, terwijl eiser meerdere malen had gevraagd om het te bekijken. Ook heeft de minister onvoldoende gemotiveerd hoe op voorhand kon worden uitgesloten dat het tweede filmpje het asielrelaas van eiser zou kunnen onderbouwen. De motivering in het bestreden besluit dat al zou eiser herkenbaar zijn op het filmpje, nog niet te herleiden is door wie, waar, wanneer of waarom eiser is beschoten, is een conclusie die niet getrokken kan worden zonder het bekijken van het tweede filmpje.

De rechtbank komt gelet op het voorgaande tot de conclusie dat er een gebrek kleeft aan het bestreden besluit, maar bepaalt dat dit gebrek gepasseerd kan worden nu niet is gebleken dat eiser in zijn belangen is geschaad. De rechtbank komt namelijk in de volgende rechtsoverwegingen tot de conclusie dat de geloofwaardigheidsbeoordeling zoals de minister die heeft gemaakt, in stand kan blijven. De inhoud van het tweede filmpje maakt die beoordeling niet anders. Hierna licht de rechtbank haar oordeel verder toe.

De problemen met [naam]

8. Eiser voert aan dat hij voldoende heeft verklaard over de problemen met [naam] en de periode van de bedreigingen. Hij heeft daarbij ook voldoende materiaal overgelegd over zijn langdurige verblijf in het ziekenhuis en zijn revalidatie. Dat eiser met lachend op de bedreigingen op Tiktok reageerde, kan niet aan hem worden tegengeworpen. Het gaat in de kern over de negatieve aandacht waar eiser en zijn broer onder kwamen te staan bij [naam]. Aan eiser kan niet worden verweten dat hij het politieonderzoek niet heeft afgewacht. Eiser heeft met de overgelegde documenten een begin van bewijs geleverd en dat heeft de minister onvoldoende betrokken.

De rechtbank stelt vast dat eiser een aantal documenten heeft overgelegd, die betrekking zouden hebben op zijn medisch dossier. Zoals de minister heeft aangegeven in het bestreden besluit en ook zichtbaar is in het digitale dossier van de rechtbank, is het merendeel van deze stukken niet of slecht leesbaar. Eiser heeft deze Spaanstalige documenten ook niet vertaald. Volgens eiser zijn er ook meer medische gegevens over zijn verblijf in het ziekenhuis op een cd-rom beschikbaar, maar hij heeft deze gegevens gedurende de gehele procedure niet overgelegd. Tijdens de gehoren is wel telkens aan eiser uitgelegd dat het aan hem is om bewijsstukken ter onderbouwing van zijn asielrelaas fysiek in te leveren en niet op een cd-rom. Uit de overgelegde stukken die wel leesbaar zijn, blijkt dat eiser vasculaire problemen heeft en trombose. Daarnaast heeft de tolk ter zitting toegelicht dat op één van de pagina’s van de slecht leesbare medische stukken staat dat er een incident is geweest met een vuurwapen in mei 2025 en dat eiser daardoor een schotwond had.

Ter zitting is verder ook het hiervoor genoemde filmpje bekeken. Op het filmpje, dat 37 seconden duurt, is te zien dat twee personen met mogelijk schotwonden dicht bij elkaar op de grond liggen met een menigte om hen heen. Eiser heeft op de zitting verklaard dat het om zijn broer en hem gaat nadat zij allebei door [naam] zijn beschoten. Op de vraag van de rechtbank hoe deze beelden zich verhouden tot de eerdere verklaring van eiser dat hij na de beschieting is weggerend terwijl zijn broer op de grond bleef liggen, gaf eiser aan dat hij op een gegeven moment weer naar de plaats delict is teruggegaan.

De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht de asielaanvraag van eiser ongeloofwaardig heeft geacht. De vertaling van de medische stukken ter zitting is onvoldoende om de tegenstrijdigheden en ongerijmdheden in de verklaringen van eiser weg te nemen. Eiser heeft wisselend en tegenstrijdig verklaard over de duur van zijn ziekenhuisopname, de periode erna en de aangifte die door het ziekenhuis zou zijn gedaan. Eiser heeft voldoende tijd gehad om goed leesbaar en vertaalde stukken aan te leveren, maar heeft dit niet gedaan en hier ook (op zitting) geen goede reden voor gegeven.

Wat betreft het op de zitting getoonde filmpje overweegt de rechtbank als volgt. Eiser heeft tegenstrijdig verklaard over wat er na de gestelde beschieting op 18 mei 2025 is gebeurd. Eiser heeft verklaard dat hij is weggerend. Blijkens het verslag van het nader gehoor is op het eerste filmpje ook te zien dat een persoon op de grond valt en beschoten lijkt te zijn en een andere persoon wegrent, waarbij de man die schiet hem lijkt te volgen waarna hij vertrekt. Op het eerste filmpje lijkt niet te staan dat beide personen flink onder schot zijn genomen, zoals dat op het tweede filmpje is te zien. Op de zitting heeft eiser desgevraagd verklaard dat hij nadat hij was weggerend terug is gegaan naar zijn broer. Gelet op de heftigheid van de beelden op het tweede filmpje en ernst van de verwondingen zoals die op het filmpje te zien zijn, acht de rechtbank het onaannemelijk dat de beschoten persoon ondanks die verwondingen, nadat hij was weggerend, terug is gekomen naar de plaats delict om daar in een ernstige toestand op de grond te liggen. Op dat filmpje is bovendien ook niet te zien, zoals op het eerste filmpje, dat een van de beschoten personen eerst is weggerend, waarna hij terug in beeld is gekomen. Gelet op alle ongerijmdheden in de verklaringen van eiser kan de rechtbank aan de op de zitting getoonde filmpje niet de conclusie verbinden dat eiser op 18 mei 2025 door [naam] is beschoten.

Verder heeft eiser ook geen duidelijkheid verschaft over hoe de problemen met [naam] zouden zijn ontstaan. Uit de screenshots van de (niet vertaalde) bedreigingen die eiser heeft overgelegd kan de rechtbank ook niet opmaken dat deze afkomstig zouden zijn van [naam], nu er twee andere namen bij staan, en ook niet dat deze geadresseerd zijn aan eiser. Ook uit de (niet vertaalde) aangifte kan de rechtbank niet opmaken wat de aard van de problemen is en dat eiser door [naam] is beschoten. Ook is niet gebleken dat [naam] (nog) opzoek zou zijn naar eiser.

De rechtbank is, gelet op het hierboven genoemde en alle verklaringen in samenhang bezien, van oordeel dat de minister het asielrelaas terecht ongeloofwaardig heeft geacht en de asielaanvraag kennelijk ongegrond verklaard.

Gegronde vrees voor vervolging en reëel risico loopt op ernstige schade

9. Gelet op het oordeel dat de door eiser gestelde problemen met [naam] niet geloofwaardig zijn, heeft de minister terecht gesteld dat eiser voor wat betreft dit asielmotief geen gegronde vrees heeft voor vervolging en geen reëel risico loopt op ernstige schade.

Terugkeer naar Colombia

10. Eiser voert aan dat hij niet terug kan keren naar Colombia vanwege de mensenrechtenschendingen die daar plaatsvinden. Hij kan zich ook niet hervestigen.

Deze grond is niet onderbouwd en blijkt ook niet uit de algemene landeninformatie. Daarom ziet de rechtbank hierin geen aanleiding het bestreden besluit te vernietigen.

Kennelijk ongegrond

11. Tot slot voert eiser aan dat het besluit ten onrechte kennelijk ongegrond is verklaard en aan eiser had dan ook geen terugkeerbesluit en inreisverbod opgelegd mogen worden.

Zoals hiervoor is geoordeeld, is eiser’s asielaanvraag terecht kennelijk ongegrond is verklaard. De minister was hierdoor gehouden om een terugkeerbesluit uit te vaardigen. Daarnaast volgt het opleggen van een inreisverbod uit artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 omdat de asielaanvraag terecht is afgewezen als kennelijk ongegrond. De minister kan hier om humanitaire of andere redenen van afzien.Eiser heeft niet onderbouwd dat hiervan in zijn geval sprake is. De minister mocht dan ook een inreisverbod met een uitvaardigen. Voor de termijn van vertrek heeft de minister wel beoordelingsvrijheid maar omdat de aanvraag kennelijk ongegrond is verklaard, hanteert de minister een onmiddellijke termijn. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

12. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond.

13. Nu op het beroep is beslist bestaat er geen aanleiding meer om de voorlopige voorziening toe te wijzen, de rechtbank wijst het verzoek dan ook af.

14. De rechtbank heeft artikel 6:22 van de Awb toegepast en daarom bestaat er aanleiding om de minister te veroordelen in de proceskosten van eiser. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van een verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank in de zaak met nummer NL26.16428:

- verklaart het beroep ongegrond.

De voorzieningenrechter in de zaak met nummer NL26:16429:

- wijst het verzoek af.

De rechtbank/voorzieningenrechter in beide zaken:

- veroordeelt de minister tot het betalen van € 2.802,- aan proceskosten aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Smayel, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. E. Waal, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand