ECLI:NL:RBDHA:2026:28247

ECLI:NL:RBDHA:2026:28247

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 25-09-2026
Datum publicatie 25-09-2026
Zaaknummer NL26.56494
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Voorlopige voorziening
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Landelijk piket; vovo hangende (administratief) beroep tegen toegangsweigering; verzoeker heeft het doel van zijn voorgenomen verblijf en de verblijfsomstandigheden niet aannemelijk gemaakt; afwijzing verzoek.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker] , V-nummer: [nummer] , verzoeker

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.56494

(gemachtigde: mr. G.P. Dayala),

en

(gemachtigde: mr. A.E. van Midden).

Procesverloop

Bij besluit van 22 september 2026 heeft verweerder aan verzoeker de toegang tot Nederland geweigerd op grond van artikel 14 in samenhang met artikel 6 van Verordening (EU) nr. 2016/399 (de Schengengrenscode). Bij besluit van diezelfde datum is aan verzoeker een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 6, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Verzoeker heeft op 23 september 2026 tegen zowel de toegangsweigering als de vrijheidsbeperkende maatregel beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer NL26.56493. Verzoeker heeft tevens een verzoek om een voorlopig voorziening ingediend. Dit verzoek is geregistreerd onder zaaknummer NL26.56494.

Op 24 september 2026 heeft verzoeker de gronden van het verzoek ingediend. Verweerder heeft op diezelfde datum een verweerschrift ingediend. Vervolgens heeft de voorzieningenrechter het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Inleiding

Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), kan,

indien tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Op grond van 8:83, vierde lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter indien

onverwijlde spoed dat vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad, uitspraak doen zonder dat partijen worden uitgenodigd om op een zitting te verschijnen. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken nu aan verzoeker op 22 september 2026 de toegang tot Nederland is geweigerd en aan hem een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 6, eerste lid, van de Vw is opgelegd en volgens telefonisch informatie van verweerder de vlucht van verzoeker naar Nigeria is gepland op 24 september 2026 om 14.25 uur. Nu gezien het voorgaande spoedeisend belang kan worden aangenomen, dient te worden beoordeeld of het beroep van verzoeker een redelijke kans van slagen heeft.

De vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 6 van de Vw 2. In het pro forma beroep- en verzoekschrift van 23 september 2026 heeft verzoeker aangegeven dat het onderhavige verzoek ertoe strekt te bewerkstelligen dat de aan hem opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel wordt opgeheven. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker in zijn bericht van 24 september 2026 waarin hij de gronden van zijn beroep en verzoek om een voorlopige voorziening uiteengezet heeft, geen gronden heeft aangevoerd die betrekking hebben op de vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 6, eerste lid, van de Vw. De voorzieningenrechter gaat er daarom van uit dat het onderhavige verzoek uitsluitend is gericht tegen de toegangsweigering, zoals nader toegelicht in de gronden van 24 september 2026.

Het beroep tegen de toegangsweigering

3. Ten aanzien van de toegangsweigering overweegt de voorzieningenrechter dat uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 18 augustus 2015 ECLI:NL:RVS:2015:2728 blijkt dat tegen een besluit tot toegangsweigering gelet op artikel 77, eerste lid, van de Vw eerst administratief beroep bij verweerder openstaat. Die bepaling blijft evenwel buiten toepassing, indien een vreemdeling gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig beroep instelt tegen zowel een besluit tot toegangsweigering als tegen een daaropvolgende, krachtens artikel 6 van de Vw 2000 opgelegde vrijheidsontnemende maatregel. De rechtbank moet die beroepen gelijktijdig behandelen, ook indien de desbetreffende vreemdeling daarom niet uitdrukkelijk heeft verzocht. De voorzieningenrechter constateert dat in dit geval geen sprake is van een vrijheidsontnemende maatregel, maar van een vrijheidsbeperkende maatregel, zodat de rechtbank niet bevoegd is kennis te nemen van het beroep voor zover dit is gericht tegen de toegangsweigering. De gemachtigde van verzoeker heeft dit inmiddels ook onderkend en in de gronden van 24 september 2026 te kennen gegeven dat het beroepschrift van 23 september 2026, voor zover dit zich richt tegen de toegangsweigering, dient te worden beschouwd als een administratief beroep, dat op grond van artikel 6:15 van de Awb aan verweerder dient te worden doorgezonden. Gelet hierop zal het beroepschrift worden doorgezonden naar verweerder en gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat het beroep bij de rechtbank zich enkel nog richt tegen de vrijheidsbeperkende maatregel. Voor de goede orde merkt de voorzieningenrechter op dat dit beroep door de rechtbank behandeld zal worden op de zitting van 29 september 2026.

Heeft het administratief beroep tegen de toegangsweigering een redelijke kans van slagen?

4. Verzoeker is op 22 september 2026 met vlucht KL588 vanuit Lagos op Schiphol aangekomen. Hij was in het bezit van een doorgaand ticket naar Rome en een retourticket van Amsterdam naar Lagos met vlucht KL0587. Schiphol was op de heenreis het punt van eerste binnenkomst in het Schengengebied en een overstappunt naar Rome. Verzoeker beschikt over een Nigeriaans paspoort en over een Schengenvisum, dat is afgegeven in Lagos op 12 augustus 2026 door de Italiaanse consulaire autoriteit en dat geldig is van 21 september 2026 tot en met 15 oktober 2026 voor een verblijf van tien dagen, met als reisdoel toerisme.

Verweerder heeft de toegang aan verzoeker geweigerd op grond E. Volgens

verweerder was verzoeker niet in het bezit van passende documentatie waaruit het doel en de omstandigheden van het verblijf blijken. Verzoeker heeft volgens verweerder de volgende documenten niet overgelegd:

hotelreservering voor gehele duur van het verblijf;

entreebewijs of andere documentatie waaruit het doel van het verblijf blijkt.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat het aan verzoeker is om het doel en de

omstandigheden van zijn verblijf te staven. Hierin is verzoeker niet geslaagd. Verweerder heeft kunnen concluderen dat er twijfel bestaat aan het doel en de omstandigheden, gelet op de door verzoeker bij de grenscontrole afgelegde verklaringen. Uit het proces-verbaal van bevindingen blijkt onder meer dat verzoeker, ondanks het feit dat hij naar eigen zeggen zijn huidige reis naar Europa sinds vorig jaar had voorbereid, weinig concrete plannen kon benoemen en geen inhoudelijke informatie kon overleggen met betrekking tot zijn toeristische reis. Verzoeker verklaarde door te willen reizen van Italië naar Frankrijk, echter had hiervoor niets voorbereid en kon ook geen vervoersbewijs tussen deze landen tonen. Verzoeker gaf aan dat zijn reis voornamelijk is geregeld door een reisbemiddelaar, maar kon desgevraagd niets over deze persoon vertellen. De voorzieningenrechter constateert verder dat uit het proces-verbaal van bevindingen blijkt dat verzoeker bij doorvragen vaag en ontwijkend reageert. Dat door de Italiaanse autoriteiten na beoordeling een visum is verleend, maakt niet dat bij de grens op basis van de door verzoeker afgelegde verklaringen niet kan worden geconcludeerd dat er alsnog twijfel is aan het doel en de omstandigheden van het verblijf. Verweerder heeft zich deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat verzoeker het doel van zijn voorgenomen verblijf en de verblijfsomstandigheden niet aannemelijk heeft gemaakt.

Het grensbewakingsbelang van verweerder is groot. Wat verzoeker aanvoert in het kader van de belangenafweging levert geen zwaarwegend belang aan de zijde van verzoeker op.

Conclusie

5. Gelet op het voorgaande heeft het administratief beroep tegen de toegangsweigering geen redelijke kans van slagen en ziet de voorzieningenrechter ook bij afweging van de betrokken belangen geen grond voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening dan ook af.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van P. Deinum, griffier. Het dictum van de uitspraak is op 24 september 2026 rond 13.30 uur telefonisch aan partijen meegedeeld. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 25 september 2026.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand