ECLI:NL:RBDHA:2026:2836

ECLI:NL:RBDHA:2026:2836

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 15-01-2026
Datum publicatie 15-02-2026
Zaaknummer C/09/694397 / FA RK 25-8495
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Wijziging voorlopige voorzieningen

Uitspraak

Wijziging voorlopige voorzieningen

Beschikking op het op 10 november 2025 ingekomen verzoekschrift van:

[de man],

de man,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. O. Huisman in Rotterdam.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vrouw],

de vrouw,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. B. Özates in Rotterdam.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

[minderjarige 1] heeft een brief geschreven aan de kinderrechter en heeft op 15 december 2025 een gesprek gehad met de kinderrechter.

Op 18 december 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:

Feiten

Verzoek en verweer

Bij beschikking van 8 juli 2025 van deze rechtbank is – voor zover hier relevant – bepaald dat:

De man verzoekt de beschikking van 8 juli 2025 te wijzigen, in die zin dat de rechtbank:

voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

De vrouw voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Daarnaast verzoekt de vrouw, naar de rechtbank uit de toelichting op de zitting begrijpt: voorwaardelijk, in het geval de rechtbank van oordeel is dat sprake is van zodanige gewijzigde omstandigheden dat de voorlopige zorgregeling moet worden gewijzigd, de beschikking van 8 juli 2025 te wijzigen, in die zin dat:

voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens.

De man voert mondeling verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht

De Nederlandse rechter heeft rechtsmacht in deze voorlopige voorzieningenprocedure en zal Nederlands recht toepassen.

Wijziging voorlopige voorzieningen

De man verzoekt om de voorlopige zorgregeling, de ingangsdatum van de voorlopige kinderalimentatie en de voorlopige partneralimentatie te wijzigen.

De man stelt dat de voorlopige zorgregeling vanaf de aanvang niet aan de wettelijke maatstaven heeft voldaan en dat deze nadien door een wijziging van omstandigheden is opgehouden aan de wettelijke maatstaven te voldoen. De rechtbank heeft de vakanties en de feestdagen zonder enige motivering niet verdeeld, terwijl dat wel door de man was verzocht. De kinderen zijn bovendien gestopt met de buitenschoolse activiteiten die de man voor zijn rekening nam, waardoor de man de kinderen minder ziet dan was beoogd.

Verder voldoet de beslissing over de ingangsdatum van de voorlopige kinderalimentatie niet aan de wettelijke maatstaven, omdat de hoofdregel is dat de voorlopige kinderalimentatie ingaat met ingang van de datum van de beschikking. De man stelt zich tot slot het standpunt dat de beslissing over de voorlopige partneralimentatie vanaf de aanvang niet aan de wettelijke maatstaven heeft voldaan, omdat bij die beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Volgens de man staat op basis van de uitkeringstoets vast dat hij geen dividend aan zichzelf mag uitkeren, omdat hij een reserve in zijn onderneming moet houden.

De vrouw stelt zich op het standpunt dat de man niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn verzoeken, dan wel dat zijn verzoeken moeten worden afgewezen. Volgens de vrouw is er, gelet op de inhoud van het verzoekschrift en de motivering van de man voor de wijziging van de voorlopige zorgregeling, de ingangsdatum van de voorlopige kinderalimentatie en de voorlopige partneralimentatie, geen sprake van omstandigheden die een wijziging van de voorlopige voorzieningen zouden rechtvaardigen. De man heeft in deze procedure dezelfde motivering aan zijn verzoeken ten grondslag gelegd als hij bij de vaststelling van de voorlopige voorzieningen heeft gedaan. Het verzoek ten aanzien van de voorlopige partneralimentatie is bovendien niet gemotiveerd en gesubstantieerd en moet ook om die reden worden afgewezen.

Op grond van artikel 824 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan een beschikking inhoudende voorlopige voorzieningen worden gewijzigd of ingetrokken indien de omstandigheden na het geven van de beschikking zijn gewijzigd of indien bij het geven van de beschikking in zodanige mate van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan dat, alle betrokken belangen in aanmerking genomen, de voorlopige voorzieningen niet in stand kan blijven. Bij de toepassing van dit artikel geldt dat niet bij elke onjuistheid of onvolledigheid wijziging van de getroffen voorziening mogelijk is. Immers, met het opnemen van de zinsnede ‘in zodanige mate’ en ‘alle betrokken belangen in aanmerking genomen’ heeft de wetgever tot uitdrukking gebracht dat niet iedere onjuistheid of onvolledigheid van gegevens waarvan de rechtbank is uitgegaan tot een wijziging of intrekking kan leiden. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat het moet gaan om evidente, zeer sprekende gevallen en dat de wetgever een eventuele wijzigingsmogelijkheid aan een streng criterium heeft willen binden. Zou dit anders zijn, dan zou een verzoek tot wijziging van voorlopige voorzieningen kunnen worden gebruikt om een verzuim te herstellen of zou een verkapt hoger beroep mogelijk zijn, wat niet de bedoeling is.

Voorlopige zorgregeling

Met betrekking tot de door de man verzochte wijziging van de voorlopige zorgregeling overweegt en oordeelt de rechtbank als volgt. De rechtbank ziet in wat de man heeft aangevoerd – namelijk dat de kinderen zijn gestopt met kickboksen, schaken en Arabische les, welke activiteiten de man voor zijn rekening zou nemen – geen aanleiding om inhoudelijk te beoordelen of de voorlopige zorgregeling moet worden gewijzigd, omdat geen sprake is van een wijziging van omstandigheden of van de situatie dat in zodanige mate van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan dat, alle betrokken belangen in aanmerking genomen, de voorlopige voorziening niet in stand kan blijven, zoals bedoeld in artikel 824 lid 2 Rv. Bij de vaststelling van de voorlopige zorgregeling in de beschikking van 8 juli 2025 was ook al duidelijk dat de kinderen niet meer naar kickboksen, schaken en Arabische les gingen, maar dat [minderjarige 1] alleen nog naar voetbal ging.

De rechtbank heeft in haar beschikking van 8 juli 2025 niet expliciet op het verzoek tot verdeling van vakanties en feestdagen beslist, maar volstaan met het bepalen van een voorlopige zorgregeling en de beslissing dat het meer of anders verzochte wordt afgewezen. Gelet op het strenge criterium van artikel 824 lid 2 Rv vormt een dergelijk verzuim, zo daarvan al sprake is, echter geen aanleiding om de voorlopige voorziening nu te wijzigen. Zoals hiervoor al is overwogen blijkt uit de wetsgeschiedenis dat het niet de bedoeling is dat een verzoek tot wijziging van voorlopige voorzieningen wordt gebruikt om een verzuim te herstellen. De rechtbank zal het verzoek van de man daarom afwijzen. Dit betekent dat de voorlopige zorgregeling in de vakanties en tijdens de feestdagen doorloopt, tenzij partijen in onderling overleg andere afspraken maken, zoals zij over de kerstvakantie ook hebben gedaan.

Omdat de rechtbank hiervoor heeft geoordeeld dat geen sprake is van zodanige gewijzigde omstandigheden die meebrengen dat de voorlopige zorgregeling moet worden gewijzigd, komt de rechtbank niet meer toe aan een beoordeling van de voorwaardelijke verzoeken van de vrouw.

Voorlopige kinderalimentatie

Met betrekking tot de door de man verzochte wijziging van de ingangsdatum van de voorlopige kinderalimentatie overweegt en oordeelt de rechtbank als volgt. Anders dan de man veronderstelt, staat het de rechter op grond van artikel 822 lid 2 Rv vrij om een eerdere of latere ingangsdatum voor de voorlopige kinderalimentatie te hanteren dan de datum van de beschikking. De rechtbank heeft in de beschikking van 8 juli 2025 de datum van indiening van het verzoekschrift als ingangsdatum voor de voorlopige kinderalimentatie gehanteerd, omdat de vrouw dit heeft verzocht en de man daartegen geen verweer heeft gevoerd. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van de situatie dat bij het geven van de beschikking in zodanige mate van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan dat, alle betrokken belangen in aanmerking genomen, deze voorlopige voorziening niet in stand kan blijven. De rechtbank zal dit verzoek van de man daarom afwijzen.

Voorlopige partneralimentatie

Met betrekking tot de door de man verzochte wijziging van de voorlopige partneralimentatie overweegt en oordeelt de rechtbank als volgt. De man heeft in zijn verzoekschrift zijn verzoek tot wijziging van de voorlopige partneralimentatie niet onderbouwd. De man heeft slechts gesteld dat de beslissing van aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven beantwoordt doordat bij die uitspraak van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan en volstaan met een verwijzing naar de punten 28 tot en met 37 van het verweerschrift met zelfstandige verzoeken van de man in de echtscheidingsprocedure, dat als bijlage bij het verzoekschrift tot wijziging van de voorlopige voorzieningen zijn gevoegd. De rechtbank acht deze wijze van procederen in strijd met de eisen van een goede procesorde en is van oordeel dat het verzoekschrift van de man voor zover dat ziet op het verzoek tot wijziging van de voorlopige partneralimentatie niet voldoet aan de eisen die artikel 278 Rv aan een verzoekschrift stelt. Het ligt immers op de weg van de man, als verzoekende partij, om de gronden van zijn verzoek tot wijziging in het verzoekschrift op te nemen en zijn verzoek deugdelijk te onderbouwen. Van de rechtbank en van de vrouw kan niet worden verwacht dat zij in processtukken die door de man in een andere procedure zijn ingediend op zoek moeten gaan naar de argumenten en stellingen die aan het verzoek van de man tot wijziging van de voorlopige partneralimentatie ten grondslag liggen. Op de zitting heeft de man desgevraagd toegelicht dat de beslissing over de voorlopige partneralimentatie vanaf de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord, omdat volgens hem vaststaat dat dat man op grond van de uitkeringstoets geen dividend aan zichzelf mag uitkeren. De argumenten en stellingen die door de man in het kader van deze procedure naar voren zijn gebracht, zijn bij de vaststelling van de voorlopige partneralimentatie echter al naar voren gebracht en de rechtbank heeft hierover al geoordeeld in de beschikking van 8 juli 2025. De rechtbank kan op basis van wat de man naar voren heeft gebracht niet vaststellen dat bij de beschikking van 8 juli 2025 in zodanige mate van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan dat, alle betrokken belangen in aanmerking genomen, de voorlopige voorziening niet in stand kan blijven, zoals bedoeld in artikel 824 lid 2 Rv. De rechtbank zal dit verzoek van de man daarom ook afwijzen.

Proceskosten

Omdat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren zoals hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:

wijst de verzoeken van de man af;

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. S. Sluijmer

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand