RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 januari 2025 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie
Samenvatting
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.63089
(gemachtigde: mr. F. Boone),
en
(gemachtigde: mr. R.L.F. Zandbelt).
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van bewaring die de minister aan eiser heeft opgelegd. Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de minister de maatregel van bewaring mocht opleggen.
De rechtbank oordeelt in deze uitspraak dat de minister terecht de maatregel van bewaring aan eiser heeft opgelegd. Zowel de staandehouding als de inbewaringstelling van eiser waren rechtmatig, en de minister hoefde de maatregel niet eerder te beëindigen dan nu is gebeurd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. De minister heeft op 23 december 2025 aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de maatregel van bewaring. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om het toekennen van schadevergoeding.
De minister heeft op 24 december 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 6 januari 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
3. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw 2000 kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
Zijn de staandehouding en inbewaringstelling van eiser onrechtmatig geweest vanwege zijn gewijzigde rechtspositie?
4. Eiser betoogt dat hij niet staande gehouden en in bewaring gesteld had mogen worden, omdat zijn rechtspositie op dat moment al was gewijzigd door een toegekend verzoek om een voorlopige voorziening (vovo), die hem tijdelijk rechtmatig verblijf gaf. Dat de minister op het moment van de staandehouding en inbewaringstelling nog niet op de hoogte was van de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), komt voor het risico van de minister. Vanwege eisers gewijzigde rechtspositie had hij nooit staande mogen worden gehouden of in bewaring gesteld.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Eiser mocht staande worden gehouden en in bewaring worden gesteld. De rechtbank stelt vast dat het ging om een geplande inbewaringstelling nadat eisers asielaanvraag op 14 augustus 2025 niet-ontvankelijk was verklaard en eiser met een terugkeerbesluit was opgedragen om binnen vier weken te vertrekken. Het beroep van eiser tegen deze beslissing werd op 28 oktober 2025 ongegrond verklaard. Eiser is op 23 december 2025 om 10:19 uur staande gehouden op basis van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf, om zijn identiteit en verblijfsstatus vast te stellen. Dit vermoeden bleek juist, waarna eiser dezelfde dag om 13:45 uur in bewaring werd gesteld. Hoewel de Afdeling eveneens op 23 december 2025 een verzoek om een vovo toekende waardoor eiser tijdelijk rechtmatig verblijf kreeg, is deze uitspraak pas ná de staandehouding en inbewaringstelling in het systeem geregistreerd (om 14:09 uur). Dat blijkt uit het in het dossier geüploade stuk van de minister. Om die reden vond de staandehouding en inbewaringstelling terecht plaats vóór de gewijzigde rechtpositie van eiser. Dat betekent dat op het moment dat eiser staande werd gehouden en in bewaring werd gesteld, een grondslag was voor de bewaring.
Had de minister de maatregel van bewaring eerder moeten opheffen?
5. Eiser betoogt dat de minister de bewaring al op 23 december 2025 had moeten beëindigen, in plaats van 24 december 2025. Op 23 december 2025 is namelijk het verzoek om een vovo toegewezen, waardoor het voortzetten van de bewaring vanaf dat moment onrechtmatig was.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit het dossier blijkt dat de toewijzing van het verzoek om een vovo om 14:09 uur op 23 december 2025 aan de minister bekend is geworden. Hierdoor kreeg eiser tijdelijk rechtmatig verblijf totdat inhoudelijk op het hoger beroep is beslist. Hierdoor moest de maatregel van bewaring worden beëindigd, omdat de juridische grondslag daarvoor verviel en er geen andere basis voor bewaring bestond. Uit het systeem blijkt dat de opheffing van de maatregel om 08:45 uur op 24 december 2025 is vastgelegd. De rechtbank heeft aan de minister op de zitting gevraagd waarom de maatregel van bewaring niet al op 23 december 2025 is opgeheven. De minister heeft toegelicht dat het opheffen van een bewaringsmaatregel na een wijziging van de rechtspositie vergelijkbaar is met het omzetten van een maatregel naar een andere grondslag. Dit vereist doorgaans overleg tussen de AVIM, DT&V en de IND, omdat moet worden bezien welke gevolgen de wijziging van de rechtspositie heeft voor de bewaring. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling geldt hiervoor een termijn van 48 uur. Nu de maatregel in dit geval binnen 24 uur is opgeheven, is dit ruim binnen die termijn. De rechtbank ziet geen reden om in deze zaak een kortere termijn te hanteren en onderschrijft de redenering van de minister. De minister mag enige tijd worden gegund om de opheffing van een vreemdeling te regelen. Dit betekent dat de minister niet verplicht was om de maatregel van bewaring eerder op te heffen. De opheffing binnen 24 uur acht de rechtbank in deze situatie redelijk.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
6. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet (langer) is voldaan.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de maatregel van bewaring rechtmatig was. Daarom wijst de rechtbank ook het verzoek om schadevergoeding af. De minister hoeft de proceskosten van eiser niet te vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Duifhuizen, rechter, in aanwezigheid vanmr. S.M. Hampsink, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.