RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 24/10025
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. S. Karkache),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. L. Ludwig).
Procesverloop
Bij besluit van 8 april 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om opheffing van het aan hem opgelegde inreisverbod voor de duur van twee jaar, afgewezen.
Eiser heeft op 2 mei 2024 bezwaar ingediend tegen het bestreden besluit. Eiser had echter beroep moeten instellen bij de rechtbank. Verweerder heeft het bezwaarschrift daarom op grond van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht doorgezonden aan de rechtbank met het verzoek het als beroepschrift in behandeling te nemen.
De rechtbank heeft het beroep op 1 mei 2026 op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
Overwegingen
Inleiding
1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en heeft de Marokkaanse nationaliteit.
Verweerder heeft op 23 januari 2018 aan eiser een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar. Eiser heeft op 10 november 2023 verweerder verzocht om dit inreisverbod op te heffen vanwege gewijzigde omstandigheden. Hij stelt daarbij dat hij een gezin wenst te stichten in Spanje met zijn nieuwe Spaanse partner.
Het bestreden besluit
2. Het bestreden besluit houdt – samengevat – het volgende in. Het inreisverbod wordt niet opgeheven. Eiser voldoet niet aan de voorwaarden voor opheffing van het aan hem opgelegde inreisverbod, omdat hij niet heeft aangetoond Nederland en de EU te hebben verlaten en na het inreisverbod een ononderbroken periode van ten minste de helft van de duur van het inreisverbod buiten Nederland en de EU heeft verbleven. Eiser heeft verder geen bijzondere feiten en omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven om het inreisverbod, ondanks dat niet aan de opheffingsvoorwaarden is voldaan, op te heffen.
Toetsingskader
3. Op aanvraag kan verweerder een uitgevaardigd inreisverbod opheffen. Naast de mogelijkheid zoals neergelegd in artikel 6.5b, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), kan een inreisverbod ook worden opgeheven als dringende individuele omstandigheden daartoe aanleiding geven. Dit volgt uit paragraaf A4/2.5.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc), onder verwijzing naar de paragrafen A4/3.6 en A4/3.7 van de Vc. Daarbij zal sprake moeten zijn van bijzondere feiten of omstandigheden. Dat is bijvoorbeeld het geval als de uitzetting in strijd is met het recht op familie- of gezinsleven of privéleven als bedoeld in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Uit paragraaf A4/2.5.2 van de Vc volgt dat verweerder niet overgaat tot opheffing van het inreisverbod op grond van omstandigheden die al bij het opleggen van het inreisverbod zijn betrokken of betrokken hadden kunnen worden.
Beoordeling rechtbank
4. De rechtbank stelt voorop dat eiser in beroep niet heeft betwist dat hij niet voldoet aan de ‘opheffingsvoorwaarden’ zoals die volgen uit artikel 6.5b, tweede lid, van het Vb in samenhang bezien met paragraaf A4/2.5.2 van de Vc, zoals die ten tijde van het bestreden besluit luidden.
5. Eiser betoogt dat sprake is van gewijzigde omstandigheden die maken dat het inreisverbod niet kan worden gehandhaafd. In beroep brengt hij in dit verband nog naar voren dat hij in Spanje bezig is met het indienen van een verblijfsaanvraag om daar bij zijn vriendin te mogen verblijven. Daarnaast voert eiser in beroep aan dat met de handhaving van het inreisverbod geen enkel gerechtvaardigd doel meer wordt gediend nu er sprake is van gewijzigde omstandigheden en hij geen gevaar is voor de openbare orde. Zijn belangen zijn volgens eiser ernstiger dan die van de Staat. Het bestreden besluit is dan ook in strijd met het evenredigheidsbeginsel en de Verblijfsrichtlijn.
Uit paragraaf A4/2.5.2 in samenhang met paragraaf A4/3.7. onder a, van de Vc volgt dat bij de beoordeling van een aanvraag om opheffing van een inreisverbod verweerder allereerst beoordeelt of sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden sinds het uitvaardigen van het inreisverbod. Als sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden, beoordeelt verweerder of deze feiten en omstandigheden bijzonder zijn. Hiervan is sprake als aan het belang van de vreemdeling bij familie- of gezinsleven dan wel privéleven in Nederland meer gewicht moet worden toegekend dan aan het algemeen belang van de Nederlandse Staat (zie voormelde paragraaf van de Vc en bijvoorbeeld de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 19 maart 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:4254), onder 6.5.).
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in het bestreden besluit op goede gronden op het standpunt gesteld dat geen sprake is van gewijzigde, bijzondere feiten of omstandigheden zoals hiervoor bedoeld. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser zijn stelling dat hij familieleven heeft met een partner met de Spaanse nationaliteit en daar een gezin mee wenst te stichten, niet met stukken heeft onderbouwd. De enkele overlegging van een kopie van eisers Marokkaanse paspoort volstaat hiertoe niet. Ook zijn stelling in beroep dat hij bezig is met het indienen van een verblijfsaanvraag in Spanje, heeft eiser niet met stukken onderbouwd. Los van de vraag of deze aanvraag aantoont dat eiser in Spanje een relatie heeft met een Spaanse partner, overweegt de rechtbank dat het – anders dan eiser op de zitting betoogt – aan eiser is om zijn stellingen met stukken te onderbouwen. Verweerder was naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet gehouden nader onderzoek te verrichten. De rechtbank is tot slot met verweerder van oordeel dat, gelet op het voorgaande, eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van gewijzigde omstandigheden die maken dat het inreisverbod niet meer in verhouding staat met het te dienen doel. Van strijd met het evenredigheidsbeginsel is dan ook geen sprake. Zonder verdere toelichting of onderbouwing, die door eiser niet is gegeven, valt ook niet in te zien waarom er sprake zou zijn van strijd met de Verblijfsrichtlijn. De beroepsgronden slagen niet.
Conclusie en gevolgen van het beroep tegen het bestreden besluit
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de afwijzing van het verzoek om opheffing van het inreisverbod van eiser in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 29 juni 2026.
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
EVRM
Artikel 8
1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.
2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.
Vreemdelingenbesluit 2000
Artikel 6.5b
1. Onze Minister kan op aanvraag het inreisverbod dat is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, tweede lid, van de Wet, opheffen indien de vreemdeling aantoont Nederland geheel in overeenstemming met de op hem rustende verplichting, bedoeld in artikel 61, eerste lid, van de Wet, te hebben verlaten.
2. In andere gevallen dan bedoeld in het eerste lid, kan Onze Minister op aanvraag het inreisverbod opheffen, indien de vreemdeling aantoont dat hij sinds zijn vertrek uit Nederland na het inreisverbod een ononderbroken periode van ten minste de helft van de duur van het inreisverbod buiten Nederland heeft verbleven en hij zich in die periode niet schuldig heeft gemaakt aan misdrijven en dat hij niet aan strafvervolging onderworpen is.
Vreemdelingencirculaire 2000 (A)
Paragraaf A4/2.5.2
De IND gaat over tot opheffing van het inreisverbod indien dringende individuele omstandigheden daar aanleiding toe geven. De paragrafen A4/3.6 en A4/3.7 Vc zijn van overeenkomstige toepassing.
De IND gaat niet over tot opheffing van het inreisverbod op grond van omstandigheden die reeds bij het opleggen van het inreisverbod zijn betrokken of betrokken hadden kunnen worden.
Paragraaf A4/3.6.1.
Bij de toepassing van artikel 6.6, tweede lid, Vb weegt de IND de belangen van de vreemdeling af tegen het algemeen belang van de Nederlandse Staat.
Als een vreemdeling die ongewenst verklaard is vanwege gevaar voor de nationale veiligheid een aanvraag om opheffing van de ongewenstverklaring heeft ingediend, willigt de IND deze aanvraag uitsluitend in als de vreemdeling sinds de ongewenstverklaring en het vertrek uit Nederland tien jaren onafgebroken buiten Nederland heeft verbleven.
(…)
In ieder geval merkt de IND het enkele feit dat de vreemdeling zich gedurende de ongewenstverklaring niet schuldig heeft gemaakt aan enig strafbaar feit en niet meer in Nederland heeft verbleven, niet aan als een bijzonder feit of bijzondere omstandigheid.
Paragraaf A4/3.7
De IND neemt uitsluitend in de volgende drie situaties aan dat er sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden die leiden tot de inwilliging van de aanvraag tot opheffing van de ongewenstverklaring:
a. de ongewenstverklaring is in strijd met het recht op familie- of gezinsleven dan wel privéleven, bedoeld in artikel 8 EVRM;
(…)
Ad a.
Bij de beoordeling van de aanvraag tot opheffing van de ongewenstverklaring, betrekt de IND in ieder geval alle feiten en omstandigheden die zijn genoemd in de paragrafen B7/3.8 en B9/14 Vc, voor zover deze feiten en omstandigheden sinds de ongewenstverklaring zijn gewijzigd.
In het geval van gewijzigde feiten en omstandigheden, beoordeelt de IND of deze feiten en omstandigheden bijzonder zijn. Hiervan is sprake als aan het belang van de ongewenst verklaarde vreemdeling bij familie- of gezinsleven dan wel privéleven in Nederland meer gewicht moet worden toegekend dan aan het algemeen belang van de Nederlandse Staat. Bij deze beoordeling zet de IND altijd de duur van het verblijf van de vreemdeling buiten Nederland af tegen de tijd die sinds het besluit tot ongewenstverklaring is verstreken.