Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/329020-25
Datum uitspraak: 28 september 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] 1941 te [geboorteplaats 1] ,
BRP-adres: [adres 1] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 16 maart 2026 (regie) en 14 september 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. H.E.G. van den Eijnden en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. M.G. Eckhardt naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, die is gewijzigd op de terechtzitting van 14 september 2026. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
Kort gezegd wordt de verdachte ervan beschuldigd dat hij tussen 1 januari 2015 en 1 januari 2020 meermalen seksuele handelingen heeft gepleegd bij zijn in 2008 geboren kleindochter [aangeefster] (feiten 1 en 2) en dat hij tussen 15 juli 2015 en 3 december 2024 meer dan 300.000 afbeeldingen van kindermisbruik heeft verworven en in bezit heeft gehad en dergelijke afbeeldingen ook zelf heeft vervaardigd, door 59 naaktfoto’s van [aangeefster] te maken (feit 3).
3. De bewijsbeslissing
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten. Ten aanzien van feiten 1 en 2 heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat er voldoende steunbewijs is, gelet op de verklaringen van [naam 1] (de vader van [aangeefster] ), [naam 2] ( [aangeefster] ’s tante) en de eigen verklaring van de verdachte, alsmede de aangetroffen kinderpornografische afbeeldingen van [aangeefster] .
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich namens de verdachte met betrekking tot feit 3 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank en vrijspraak bepleit van feiten 1 en 2 vanwege het niet voldoen aan het wettelijk bewijsminimum. Voor zover relevant zal de rechtbank hieronder nader op de verweren van de raadsman ingaan.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in de bijlage (bijlage II) opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Bewijsoverwegingen
Bewijsminimum
Volgens het tweede lid van artikel 342 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige of enkel op basis van de verklaring van een slachtoffer. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. Daarbij geldt wel dat deze bepaling betrekking heeft op de bewezenverklaring als geheel en niet vereist dat elk aspect van de bewezenverklaring door meer dan één bewijsmiddel wordt ondersteund.
De vraag of aan het bewijsminimum is voldaan laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. Dit betekent dat in een zaak waar de verdachte de tenlastegelegde feiten ontkent en er geen directe getuigen zijn van de verweten handelingen, de rechter de betrouwbaarheid van de verklaringen van een slachtoffer moet beoordelen en vervolgens moet beoordelen of er voldoende steunbewijs voor de verklaring van een slachtoffer in het dossier aanwezig is. Uit jurisprudentie van de Hoge Raad kan worden afgeleid dat niet is vereist dat het misbruik als zodanig bevestiging in ander bewijsmateriaal vindt. Wel is vereist dat de verklaringen van een slachtoffer op specifieke punten bevestiging vinden in ander bewijsmateriaal en dat tussen dit andere bewijsmateriaal en de verklaringen van een slachtoffer geen sprake is van een te ver verwijderd verband. De verklaringen van een slachtoffer dienen niet op zichzelf te staan, maar als te zijn ingebed in een door ander bewijsmateriaal ondersteunde concrete context.
Verklaring van [aangeefster]
(hierna ook: de aangeefster) heeft op 23 december 2024 een informatief gesprek zeden gehad en op 10 januari 2025 heeft zij aangifte gedaan bij de politie tegen haar grootvader. In de aangifte beschrijft zij de seksuele handelingen die zij heeft moeten ondergaan en de omstandigheden waaronder die handelingen plaatsvonden, in de periode waarin zij ongeveer 6 tot 11 jaar oud was.
De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van de aangeefster betrouwbaar is en kan worden gebezigd voor het bewijs. De aangeefster heeft uitgebreid, consistent en gedetailleerd verklaard.
Steunbewijs
De rechtbank is van oordeel dat er voldoende steunbewijs is voor de verklaring van de aangeefster en zal dit steunbewijs hierna bespreken.
De verdachte heeft (naakt)foto’s gemaakt van de aangeefster in ‘zijn kamer’ op zolder, waarbij hij regelmatig de nadruk heeft gelegd op de borsten en het geslachtsdeel van de aangeefster en/of waarop de aangeefster seksueel getinte houdingen aanneemt en/of een “verleidelijke” dan wel seksueel getinte blik heeft.
De rechtbank heeft geen enkele aanleiding aan te nemen dat dit meisje van (ten tijde van de foto’s) slechts 8 en 9 jaar oud dit uit zichzelf zou hebben gedaan. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het niet anders kan dan dat de verdachte haar hierom heeft gevraagd.Gelet op het camerastandpunt bij meerdere foto’s, moet de verdachte verder ook zeer dichtbij haar hebben gestaan. De foto’s hebben onmiskenbaar en zonder uitzondering een expliciet seksuele lading.
Daarmee bevestigen de foto’s de seksuele context waarin de verklaring van [aangeefster] over de door de verdachte ‘in zijn kamer’ gepleegde ontuchtige handelingen is ingebed. Dat brengt de rechtbank tot het oordeel dat, ook al zijn op de foto’s geen expliciete ontuchtige handelingen van de verdachte waar te nemen, de foto’s wel steunbewijs vormen voor de verklaring van [aangeefster] .
Niet alleen de foto’s bevestigen deze seksuele context, ook de verklaring van de verdachte zelf (dat hij de aangeefster wel naakt wilde zien, dat hij de naaktfoto’s maakte waar niemand anders bij was en dat hij deze nooit aan anderen heeft laten zien omdat het ‘een leuk uurtje voor hem was’) ondersteunt naar het oordeel van de rechtbank de verklaring van de aangeefster op dit punt.
Daarnaast ziet de rechtbank steun in de verklaring van de vader van de aangeefster, die heeft opgemerkt dat de aangeefster op een gegeven moment terughoudender is geworden met het naar opa en oma gaan. Tenslotte ziet de rechtbank steunbewijs in de verklaring van [aangeefster] ’s vader, inhoudende dat hij haar ’s avonds nadat zij aan tante [naam 3] ‘alles had verteld’ ophaalde van de trein, dat hij het verhaal aan [aangeefster] heeft gevraagd en dat ze toen gelijk begon te huilen.
Concluderend is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van de aangeefster over het seksueel misbruik niet op zichzelf staat maar bevestiging vindt in verschillende andere bronnen. Er is kortom voldoende ander bewijs dat de verklaring van de aangeefster op onderdelen op een relevante manier ondersteunt.
Aan verdachtes zorg en waakzaamheid toevertrouwd.
De rechtbank is, anders dan de raadsman, van oordeel dat kan worden vastgesteld dat de aangeefster aan de zorg van de verdachte was toevertrouwd op het moment dat de seksuele handelingen plaatsvonden. De aangeefster, die toen slechts tussen de 6 en 11 jaar oud was, verbleef/logeerde op die momenten immers bij (en dus onder de verantwoordelijkheid van) haar grootouders.
Conclusie
De rechtbank is dan ook van oordeel dat de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend zijn bewezen en verwerpt de verweren van de raadsman.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot de ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1.
hij in de periode 1 januari 2015 tot en met 1 januari 2020 te Zoetermeer, met een aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwd kind dat toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, te weten [aangeefster] , geboren op [geboortedatum 2] 2008, handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangeefster] , te weten
- met zijn, verdachtes, hand tussen de vulvalippen van die [aangeefster] te gaan en te wrijven;
2.
hij in de periode 1 januari 2015 tot en met 1 januari 2020 te Zoetermeer, met een aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwd kind dat toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, te weten [aangeefster] , geboren op [geboortedatum 2] 2008, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten
- met zijn, verdachtes, hand over de clitoris van die [aangeefster] te gaan en te wrijven,
- met zijn, verdachtes, hand over de blote vagina van die [aangeefster] te gaan en te wrijven,
- met zijn, verdachtes, hand over de blote borsten en tepels van die [aangeefster] te wrijven en te strelen;
3.
hij in de periode van 15 juli 2015 tot en met 3 december 2024 te Zoetermeer, meermalen, (in de periode van 15 juli 2015 tot en met 30 juni 2024, artikel 240b Wetboek van Strafrecht)
- gegevensdragers, bevattende afbeeldingen - van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, te weten [aangeefster] (geboren op [geboortedatum 2] 2008) of een of meerdere onbekend gebleven personen waren betrokken heeft vervaardigd of verworven en in bezit heeft gehad en
(in de periode van 1 juli 2024 tot en met 3 december 2024, artikel 252 Wetboek
van Strafrecht)
een visuele weergave van seksuele aard en/of met onmiskenbaar seksuele strekking waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, te weten [aangeefster] (geboren op [geboortedatum 2] 2008) of een of meerdere onbekend gebleven personen waren betrokken heeft vervaardigd of verworven en in bezit heeft gehad te weten 312.059 afbeeldingen en/of visuele weergaven (bestaande uit 258.412 foto’s en/of 53.647 video’s) en de volgende gegevensdragers, te weten
- Computer iMac, goednummer 3321980
- Externe Harde schijf Lacie Porsche Design, goednummer, 3321987
- Externe Harde schijf Lacie By Starck, goednummer 3321990
- Externe Harde schijf Lacie Design Neil Poulton, goednummer 3321995
- USB-stick Hama goednummer 3322023
- USB-stick Sandisk goednummer 3322026
- USB-stick Kruidvat goednummer 3322027
- Gegevensdrager Sandisk goednummer 3322074
- USB-stick Sandisk goednummer 3322099
waarop te zien is dat
die persoon oraal, vaginaal en/of anaal wordt gepenetreerd met een penis, vinger/hand, dildo, vibrator, buttplug, en/of anaalketting en/of mond/tong
en/of
een ander persoon oraal en/of vaginaal wordt gepenetreerd met een penis en/of mond/tong door die persoon en/of
het eigen lichaam oraal, vaginaal en/of anaal wordt gepenetreerd met een vibrator, nagellak en/of vinger/hand door die persoon (afbeeldingen #01 en #02 in de toonmap en p. 153 en p. 158 in het dossier)
en
het geslachtsdeel en/of de billen van die persoon met een penis, vinger/hand, dildo, vibrator, potlood en/of stift en/of mond/tong wordt/worden aangeraakt
en/of
het geslachtsdeel en/of de billen, borsten en/of een andere lichaamsdeel van een ander kind/persoon met een penis, vinger/hand, dildo, vibrator, potlood en/of stift en/of mond/tong wordt/worden aangeraakt door die persoon
en/of
die persoon het eigen geslachtsdeel, de eigen billen en/of de eigen borsten met een vinger/hand, dildo, vibrator, potlood en/of stift aanraakt (afbeeldingen #03, #04, #05 en #06 in de toonmap en p. 153 en p. 59-160 in het dossier)
en
het geslachtsdeel, de billen en/of de borsten van die persoon wordt/worden gelikt en/of aangeraakt door een dier
en/of
het geslachtsdeel van een dier in de mond wordt genomen, wordt gelikt en/of wordt aangeraakt door die persoon (afbeelding #07 in de toonmap en p. 153 en p. 160 in het dossier )
en
die persoon poserend of in een pose is afgebeeld, waarbij
- die persoon geheel of gedeeltelijk naakt is en/of gekleed is en/of opgemaakt is en/of in een omgeving en/of met sadomasochistische elementen (die persoon is vastgebonden met touwen of spanbanden/heeft knijpers op vulvalippen/draagt een mondknevel) in een (erotisch getinte) houding op een wijze die niet bij zijn/haar leeftijd past en/of
- door het camerastandpunt en/of de (onnatuurlijke) pose en/of de wijze van kleden van die persoon en/of de uitsnede van de foto’s/films nadrukkelijk het geslachtsdeel, de borsten en/of billen van die persoon in beeld worden gebracht (afbeelding #08 en #09 in de toonmap en p. 160 in het dossier)
en
dat bij/op het gezicht en/of het lichaam van die persoon wordt gemasturbeerd
en/of
bij/op het gezicht en/of het lichaam van die persoon sperma wordt gespoten
en/of
bij/naast het gezicht en/of het lichaam van die persoon een (stijve) penis wordt
gehouden (afbeelding #10 in de toonmap en p. 154 en 160-161 in het dossier)
en
- [aangeefster] geheel of gedeeltelijk naakt is in een (erotisch getinte) houding op een wijze die niet bij zijn/haar leeftijd past en/of
- door het camerastandpunt en/of de onnatuurlijke pose en/of de wijze van kleden van die persoon en/of de uitsnede van de foto’s/films nadrukkelijk het geslachtsdeel, de borsten en/of billen van die [aangeefster] in beeld worden gebracht (afbeelding #11, #12. #13, #14 en #15 in de toonmap en p. 154 in het dossier) terwijl van het begaan van dit feit een beroep of gewoonte werd gemaakt.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.
4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
5. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman stelt zich op het standpunt dat een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest met een fors voorwaardelijk deel met bijzondere voorwaarden passend is. Verder verzoekt de raadsman de rechtbank rekening te houden met het reclasseringsrapport, de hoge leeftijd van de verdachte en de zorg die de verdachte voor zijn vrouw heeft.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft in een periode van vijf jaren meerdere malen de lichamelijke integriteit van zijn kleindochter, toen zij slechts tussen de 6 en 11 jaar oud was, geschonden door haar seksueel te misbruiken. De verdachte heeft niet alleen (naakt)foto’s gemaakt van zijn kleindochter in seksueel getinte houdingen die niet bij haar leeftijd passen, hij heeft ook haar geslachtsdeel betast en is met zijn vingers binnengedrongen. Dergelijk seksueel misbruik doorkruist een normale en gezonde seksuele ontwikkeling, waar ieder kind recht op heeft. Het is een feit van algemene bekendheid dat hiermee de psychische gezondheid van het slachtoffer ernstig kan worden geschaad. Dat dit in deze zaak het geval is blijkt ook uit de slachtofferverklaring die ter terechtzitting is voorgelezen en waarin het slachtoffer heeft verklaard dat zij gevoelens van schaamte, angst en verwarring heeft te dragen en dat dit een litteken is dat zij haar hele leven mee zal dragen.
De rechtbank houdt er in strafverzwarende zin rekening mee dat de strafbare feiten zijn gepleegd door een grootvader ten opzichte van zijn kleindochter, een verhouding die een vertrouwensband met zich meebrengt. Het slachtoffer logeerde met enige regelmaat bij haar grootouders thuis. Dat is een omgeving die veiligheid en geborgenheid zou moeten bieden. In plaats van die te bieden, heeft de verdachte op grove wijze misbruik gemaakt van het overwicht dat hij als volwassene had en van de vertrouwensrelatie die hij met zijn kleindochter had. Geen enkel kind zou dit ooit mogen meemaken.
Verder heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het bezit van een grote hoeveelheid afbeeldingen van kindermisbruik. Het ging om meer dan 312.000 afbeeldingen, bestaande uit zowel foto’s als video’s van kinderen, waarvan 70% de leeftijd van 12 jaren niet had bereikt. Hij maakte daar bovendien een gewoonte van gedurende een periode van bijna 10 jaren. Ook dit is een ernstig strafbaar feit. Bij de vervaardiging van dergelijke foto’s en video’s worden kinderen op grove wijze seksueel misbruikt en geëxploiteerd. Ook hier geldt dat deze kinderen ernstige psychische schade op kunnen lopen. Daarbij is het een gegeven dat kinderpornografisch materiaal op internet circuleert, wat betekent dat de misbruikte kinderen tot in de lengte van jaren slachtoffer kunnen blijven. De verdachte heeft lang bijgedragen aan de instandhouding van de vraag ernaar en zodoende de seksuele exploitatie en het misbruik van kinderen bevorderd. Bovendien brengen delicten van deze aard een enorme onrust in de maatschappij teweeg.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van de reclasseringsadviezen van 4 december 2025 en 27 augustus 2026. De reclassering heeft geconcludeerd dat de verdachte ten aanzien van het delictgedrag een wisselend beeld laat zien. Enerzijds geeft hij aan zijn kleindochter geen kwaad te hebben willen doen. Anderzijds blijft het inzicht in de factoren die hebben bijgedragen aan het maken van de naaktfoto’s van zijn kleindochter beperkt. De verdachte heeft moeite zijn gedrag te verklaren en plaatst een deel van de verantwoordelijkheid buiten zichzelf door te verwijzen naar de vermeende instemming van zijn kleindochter. De verdachte heeft, ook op de zitting, voornamelijk naar voren gebracht dat hem dit wordt aangedaan en heeft de verwijten meerdere malen afgedaan als schofterig gedrag. De rechtbank neemt het de verdachte kwalijk dat hij op geen enkele wijze inzicht toont in het volstrekt onaanvaardbare van zijn handelen ten opzichte van zijn kleindochter.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 3 februari 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld.
Strafmaat
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmaat, voor zover het gaat om het onder 3 bewezenverklaarde, aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten van de rechtbank (LOVS) en van straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd. In de oriëntatiepunten staat als uitgangspunt voor het vervaardigen van kinderporno 2 jaar gevangenisstraf. Het uitgangspunt voor het een beroep of gewoonte maken van het bezit van kinderporno is 1 jaar gevangenisstraf.
De rechtbank heeft bij het bepalen van de strafmaat voor alle feiten in het bijzonder de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten meegewogen. Als strafverzwarend neemt de rechtbank mee dat het gaat om feiten die de verdachte heeft gepleegd met zijn kleindochter, met wie hij een vertrouwensrelatie had en die aan zijn zorg was toevertrouwd. Bovendien was zij ten tijde van de gepleegde feiten nog zeer jong. Verder neemt de rechtbank ook als strafverzwarend in overweging dat het gaat om een aanzienlijke periode, bijna 5 jaar voor de feiten 1 en 2 en bijna 10 jaar voor feit 3, en een grote hoeveelheid aangetroffen kinderpornografisch materiaal. Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich meebrengt. De eis van de officier van justitie doet naar het oordeel van de rechtbank en gelet op al het voorgaande onvoldoende recht aan de ernst van de feiten. De rechtbank zal aan de verdachte dan ook een gevangenisstraf opleggen van aanzienlijk langere duur.
Anders dan de raadsman heeft verzocht, ziet de rechtbank geen grond om rekening te houden met de hoge leeftijd van de verdachte.
Overweging ten aanzien van de voorlopige hechtenis
De rechtbank heeft de voorlopige hechtenis geschorst tot het moment van deze einduitspraak. De voorlopige hechtenis herleeft dus op het moment van de uitspraak van rechtswege.
De rechtbank ziet aanleiding om de voorlopige hechtenis opnieuw te schorsen, onder dezelfde voorwaarden die daaraan tot op heden waren verbonden. Daarbij neemt de rechtbank in overweging dat de persoonlijke omstandigheden van de verdachte die destijds tot de schorsing van de voorlopige hechtenis hebben geleid, nu nog steeds aanwezig zijn; zijn situatie is sindsdien ongewijzigd gebleven. Het enkele feit dat de rechtbank de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf van aanzienlijke duur is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om tot de conclusie te komen dat de strafvorderlijke en maatschappelijke belangen nu zwaarder moeten wegen dan het belang van de verdachte om het onherroepelijk worden van het vonnis in vrijheid af te wachten.
7. De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel
De aangeefster heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 120.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade. De benadeelde partij verzoekt om haar voor een deel van de gevorderde schadevergoeding, namelijk € 100.000,-, niet-ontvankelijk te verklaren, nu dit toekomstige schade betreft.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen tot een bedrag van € 20.000,- en dat zij voor het overige niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman stelt zich op het standpunt dat de vordering voor zover die ziet op feiten 1 en 2 niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu ten aanzien van deze feiten vrijspraak is bepleit.
Het oordeel van de rechtbank
Immateriële schade
Voor toewijzing van immateriële schadevergoeding moet op grond van artikel 6:106 BW – voor zover hier relevant – sprake zijn van een aantasting in de persoon van benadeelde op andere wijze, veroorzaakt door het bewezen verklaarde gedrag van de verdachte.
Van de bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen (vgl. HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793).
Gelet op wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen over de ernst van de feiten is de rechtbank van oordeel dat de aard en de ernst van de normschendingen in dit geval meebrengen dat de in dit verband door de benadeelde ondervonden nadelige gevolgen zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon op andere wijze kan worden aangenomen. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door de bewezen verklaarde feiten.
Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op haar vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 12.500,-. De rechtbank heeft hiervoor aansluiting gezocht bij de Rotterdamse schaal categorie 15.2a (ontucht met binnendringen (art. 244 en 245 Sr oud), tussen ernstig en meest ernstig).
De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van immateriële schade voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van € 12.500,-, bestaande uit immateriële schade.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 1 januari 2020, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor de bewezenverklaarde strafbare feiten worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door deze feiten aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 12.500,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 1 januari 2020 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald; ten behoeve van [aangeefster] .
8. De inbeslaggenomen voorwerpen
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de op de beslaglijst, die als bijlage III aan dit vonnis is gehecht, onder 1 tot en met 9 genoemde voorwerpen zullen worden onttrokken aan het verkeer.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van het beslag.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de gegevensdragers 1 tot en met 9 onttrekken aan het verkeer. Deze voorwerpen zijn voor onttrekking aan het verkeer vatbaar, aangezien met behulp daarvan het onder 3 bewezenverklaarde feit is begaan en deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang. Op de inbeslaggenomen gegevensdragers zijn immers kinderpornografische video’s en afbeeldingen aangetroffen.
9. De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:
- 36b, 36c 36f, 57, 240b (oud) 244 (oud), 247 (oud), 248 (oud), 252 (nieuw) en 254 (nieuw) van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
10. De beslissing
De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1:
met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, begaan tegen een aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd;
ten aanzien van feit 2:
met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, begaan tegen een aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd;
ten aanzien van feit 3:
een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, is betrokken vervaardigen, verwerven en in bezit hebben, terwijl van het begaan van het feit een gewoonte wordt gemaakt, meermalen gepleegd;
en
een visuele weergave van seksuele aard of met een onmiskenbaar seksuele strekking, waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, is betrokken, vervaardigen, verwerven en in bezit hebben, terwijl van het begaan van het feit een gewoonte wordt gemaakt, meermalen gepleegd;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 8 (ACHT) JAREN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
voorlopige hechtenis
beveelt de schorsing van de voorlopige hechtenis met ingang van heden, onder de volgende voorwaarden:
En voorts onder de bijzondere voorwaarden:
7. De verdachte blijft zich melden bij Reclassering Nederland op het adres [adres 2] , zo vaak en zolang de
reclassering dat nodig vindt.
8. De verdachte blijft meewerken aan diagnostiek en de eventueel daaruit voortvloeiende behandeling bij forensische polikliniek de Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling.
9. De verdachte heeft of zoekt op geen enkele wijze - direct of indirect - contact met [aangeefster] , geboren op [geboortedatum 2] 2008 te [geboorteplaats 2] , zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt.
10. De verdachte:
1. Vermijdt digitale omgevingen waarin hij in aanraking kan komen met kinderpornografisch materiaal;
2. Vermijdt digitale omgevingen waarin over seksuele handelingen met
minderjarigen wordt gecommuniceerd;
3. Maakt geen gebruik van virtuele machines, versleutelprogramma’s (zoals
Bitlocker, Veracrypt) of applicaties die helpen de identiteit te verbergen (zoals
een VPN), tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik
(zoals voor werk of voor bankzaken);
4. Geeft inzicht in de wijze waarop hij de omgevingen genoemd onder 1. en 2. zal
vermijden en bespreekt hoe dit verloopt in gesprekken met de reclassering.
Het toezicht op de naleving van de onderdelen 1. tot en met 3. beperkt zich tot
geautomatiseerde controles van digitale apparaten (zoals computers, smart devices,
USB-sticks, SD-kaarten, externe harde schijven) waarop bestanden kunnen worden
opgeslagen en/of waarmee het internet kan worden benaderd en die de verdachte in
gebruik heeft.De verdachte werkt mee aan de controles tijdens (on)aangekondigde huisbezoeken
en verschaft toegang tot alle aanwezige digitale apparaten die de verdachte in
gebruik heeft. Hieronder wordt begrepen het verstrekken van wachtwoorden, codes
of andere wijzen van ontgrendeling of ontsluiting zoals vingerafdrukken, die nodig
zijn voor toegang. Op verzoek past de verdachte de instellingen zodanig aan dat
controle mogelijk is. De wijzigingen mogen niet leiden tot definitieve wijzigingen
aan het apparaat en worden aan het einde van de controle weer teruggezet.
De controles worden uitgevoerd door de reclassering. Indien en voor zover
noodzakelijk mag de reclassering voor ondersteuning op technisch en digitaal
gebied een specialist, niet zijnde een opsporingsambtenaar, meenemen.
De controles mogen maximaal (circa) drie keer per jaar worden uitgevoerd, waarbij
de persoonlijke levenssfeer van de verdachte zoveel mogelijk wordt geëerbiedigd.
De controles strekken er in het bijzonder niet toe een min of meer volledig beeld te
krijgen van het persoonlijke leven van de verdachte.
Geeft Reclassering Nederland opdracht toe te zien op de naleving van voornoemde
voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
de vordering van de benadeelde partij;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 12.500,- en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 1 januari 2020 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangeefster] ;
bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;
de schadevergoedingsmaatregel;
legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 12.500,- vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 1 januari 2020 tot de dag waarop dit bedrag is betaald; ten behoeve van [aangeefster] ;
bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 87 dagen. Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;
bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen.
de inbeslaggenomen goederen;
verklaart onttrokken aan het verkeer de op de beslaglijst onder 1 tot en met 9 genoemde voorwerpen, te weten:
Dit vonnis is gewezen door
mr. W.R. van Hattum, voorzitter,
mr. F. Bouman, rechter,
mr. M.C. Bruins, rechter,
in tegenwoordigheid van mrs. D.A. Goldstoff en R. van der Graaff, griffiers,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 september 2026.