RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.19706
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. N. van Bremen),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. L. Ludwig).
Procesverloop
Bij besluit van 18 januari 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot verlening van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen, niet in behandeling genomen.
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit en verweerder heeft dit bezwaar bij besluit van 24 april 2024 (het bestreden besluit) kennelijk ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De rechtbank heeft het beroep op 1 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Totstandkoming van het besluit
1. Eiser heeft op 3 oktober 2023 een aanvraag tot verlening van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen ingediend.
Verweerder heeft bij brieven van 3 oktober 2023 en 28 november 2023 eiser verzocht om de leges van € 210,- te betalen.
Omdat eiser de leges niet heeft betaald, heeft verweerder vervolgens het primaire besluit genomen.
Eiser heeft op 6 februari 2024 een bezwaarschrift ingediend tegen het primaire besluit.
Verweerder heeft bij brief van 27 maart 2024 eiser in de gelegenheid gesteld om bewijsstukken aan te leveren waaruit blijkt dat eiser onvermogend is om de leges te betalen.
Bij het bestreden besluit van 24 april 2024 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit kennelijk ongegrond verklaard.
Beoordeling door de rechtbank
Ontvangst herstelverzuimbrief
2. Eiser betoogt dat hij de brief van 27 maart 2024 niet heeft ontvangen, terwijl verweerder wel weet dat eiser al geruime tijd illegaal in Nederland verblijft. Daarnaast voert eiser aan dat ook zijn gemachtigde de brief niet heeft ontvangen en dat zijn gemachtigde problemen heeft ondervonden met de ontvangst van post op zijn advocatenkantoor. Ook verwijst eiser naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 22 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2145.
De rechtbank overweegt allereerst dat uit artikel 2:1 in samenhang met artikel 6:17 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) volgt dat het optreden van een gemachtigde tot gevolg heeft dat het contact van een bestuursorgaan met eiser in beginsel via de gemachtigde loopt en dat, indien een herstelverzuimbrief aan de bij het bestuursorgaan bekende gemachtigde wordt toegezonden, sprake is van een bekendmaking op de voorgeschreven wijze. Hiervoor is niet doorslaggevend of de brief daarnaast ook aan eiser zelf is bekend gemaakt. Eiser werd in de bezwaarfase al bijgestaan door een gemachtigde en verweerder mag dan volstaan met toezending van de brief aan de gemachtigde. Dat eiser illegaal in Nederland verblijft, maakt dan ook niet dat hij de herstelverzuimbrief niet heeft kunnen ontvangen.
Ten aanzien van de vraag of de gemachtigde van eiser de herstelverzuimbrief van 27 maart 2024 heeft ontvangen, overweegt de rechtbank als volgt. De brief van 27 maart 2024 betreft een niet-aangetekende brief. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling, zoals de uitspraken van 24 juli 2019 (ELCI:NL:RVS:2019:2488) en van 20 april 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:1138), volgt dat, indien de geadresseerde stelt dat hij een niet-aangetekende brief niet heeft ontvangen, het in beginsel aan het bestuursorgaan is om aannemelijk te maken dat het besluit wel op het adres van de geadresseerde is ontvangen. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt evenwel het vermoeden van ontvangst van het besluit op dat adres. Dit brengt mee dat het bestuursorgaan in eerste instantie kan volstaan met het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres. Daarvoor is in ieder geval vereist dat het besluit is voorzien van de juiste adressering en een verzenddatum en dat sprake is van een deugdelijke verzendadministratie. Daarbij dient niet gebleken te zijn van recente problemen bij de verzending van poststukken. Indien het bestuursorgaan de verzending van het besluit aannemelijk heeft gemaakt, ligt het vervolgens op de weg van de geadresseerde het vermoeden te ontzenuwen. Hiervoor is niet vereist dat de geadresseerde aannemelijk maakt dat het besluit niet op zijn adres is ontvangen. Voldoende is dat op grond van wat hij aanvoert de ontvangst redelijkerwijs kan worden betwijfeld.
De meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam heeft bij uitspraak van 5 oktober 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:10531, geoordeeld dat Indigo – het informatiesysteem van verweerder waarin alle klant- en zaakgegevens en correspondentie worden geregistreerd – en het zogenoemde verzendhuis van verweerder tezamen een deugdelijk verzend(registratie)systeem vormen. De Afdeling heeft deze uitspraak bij uitspraak van 1 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3343, bevestigd.
De rechtbank stelt vast dat verweerder in het verweerschrift een screenshot uit Indigo heeft overgelegd. Hieruit blijkt dat er op 26 maart 2024 onder de naam van eiser een uitgaand bericht is geregistreerd met de documentnaam ‘Herstel verzuim’. De brief is aangemaakt op 27 maart 2024, heeft in Indigo de status ‘bericht verwerkt’ gekregen en als verzenddatum is 28 maart 2024 geregistreerd. De herstelverzuimbrief is – zo volgt uit het adres dat bovenaan deze brief staat vermeld – geadresseerd aan het postadres van de gemachtigde van eiser. Verweerder heeft hiermee naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk gemaakt dat de herstelverzuimbrief van 27 maart 2024 naar het adres van de gemachtigde van eiser is gezonden. Mede gelet op de omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, gaat de rechtbank daarom uit van het vermoeden dat de herstelverzuimbrief door de gemachtigde van eiser is ontvangen. Het is vervolgens aan eiser om dit vermoeden te ontzenuwen. De rechtbank is van oordeel dat eiser hier niet in is geslaagd. Eiser heeft niet met stukken onderbouwd en ook niet op andere wijze aannemelijk gemaakt dat zich destijds problemen voordeden met de ontvangst van post op het advocatenkantoor van zijn gemachtigde. Ook de uitspraak waar eiser naar verwijst, kan hem niet baten. In die zaak waren namelijk enkel e-mailberichten overgelegd en toelichtingen verstrekt om aan te tonen dat een besluit was verzonden, waarvan de Afdeling heeft geoordeeld dat daarmee onvoldoende is gebleken dat het besluit daadwerkelijk is verzonden. Anders dan in die zaak is in de onderhavige zaak de verzending van de herstelverzuimbrief in Indigo geregistreerd. De beroepsgrond slaagt niet.
Artikel 8 van het EVRM
3. Eiser betoogt dat verweerder, ondanks dat de leges niet zijn betaald, had moeten toetsen of eiser op grond van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) in aanmerking komt voor een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat hij, nu de leges niet zijn betaald, niet gehouden was te toetsen of eiser op grond van artikel 8 van het EVRM in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning. Uit artikel 24, tweede lid, van de Vw volgt immers dat, indien betaling van de leges achterwege blijft, de aanvraag niet in behandeling wordt genomen. Dit betekent dat verweerder dus niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van de vraag of eiser verblijfsaanspraken kan ontlenen aan artikel 8 van het EVRM. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 15 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:4917, rechtsoverweging 2.3. De beroepsgrond slaagt niet.
4. Daarnaast voert eiser aan dat hij op grond van artikel 3.34a, aanhef en onder j, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (Vv) geen leges hoeft te betalen. In dit verband wijst eiser tevens op de uitspraak van de Afdeling van 12 mei 2010, ECLI:NL:RVS:BM5486.
De rechtbank overweegt dat verweerder in beginsel gehouden is om te beoordelen of in het individuele geval de heffing van leges in strijd is met artikel 8 van het EVRM, ook wanneer een vreemdeling een beroep doet op die bepaling terwijl hij geen aanvraag heeft ingediend voor een verblijfsvergunning onder de beperking verband houdend met het verblijfsdoel ‘verblijf als familie- of gezinslid’. Met name de inhoudelijke beoordeling of de heffing van leges een vreemdeling hindert in de uitoefening van het familie- en gezinsleven of het privéleven is daarbij van belang (zie de uitspraak van de Afdeling van 19 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1956, onder 3.2, en de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling van 15 oktober 2025, onder 2.1).
Ten aanzien van het betoog van eiser dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten om te beoordelen of het heffen van leges in zijn geval in strijd is met artikel 8 van het EVRM, overweegt de rechtbank als volgt. Eiser heeft bij zijn aanvraag tot verlening van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen niet verzocht om vrijstelling van de leges. Ook in zijn bezwaar tegen het primaire besluit heeft eiser niet om een dergelijke vrijstelling verzocht, althans niet eenduidig. Eiser betoogt namelijk in bezwaar enerzijds dat verweerder hem had moeten wijzen op de mogelijkheden van legesvrijstelling, maar stelt tegelijkertijd dat hij dacht de leges reeds te hebben betaald. Daar komt bij dat eiser zowel in de aanvraag als in bezwaar niet stelt dat hij onvermogend is om de leges te betalen en niet heeft aangevoerd dat het heffen van leges in zijn geval in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Verder heeft verweerder van eiser mogen verwachten dat hij, indien hij meende de leges niet te kunnen betalen, stukken zou overleggen om dit aannemelijk te maken. Eiser heeft dit niet gedaan. Het enkele feit dat verweerder ervan op de hoogte was dat eiser langdurig (illegaal) in Nederland verblijft, maakt niet dat verweerder redelijkerwijs had moeten begrijpen dat eiser vrijstelling van de leges wenste of had moeten concluderen dat eiser de leges niet kan betalen. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.