RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , eiser
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 24/8195
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. S. Karkache),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. S. Imami).
Procesverloop
Bij besluit van 12 februari 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, afgewezen.
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit en verweerder heeft dit bezwaar bij besluit van 15 april 2024 (het bestreden besluit) kennelijk ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek is bij de rechtbank geregistreerd onder zaaknummer AWB 24/8196.
De rechtbank heeft het beroep op 12 juni 2026 op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
Overwegingen
Inleiding
1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1982 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Eiser wenst in aanmerking te komen voor een verblijfsdocument als familielid van een gemeenschapsonderdaan, namelijk bij zijn partner [persoon A] (referente). Daartoe heeft hij op 6 juli 2023 verzocht om afgifte van een Verblijfsdocument EU/EER. Referente heeft de Belgische nationaliteit.
Het bestreden besluit
2. Het bestreden besluit, waarbij het primaire besluit is gehandhaafd, houdt – samengevat – het volgende in. Eiser heeft nog steeds niet aangetoond dat referente haar hoofdverblijf in Nederland heeft. Hierdoor kan referente niet worden aangemerkt als verblijfsgever, zodat eiser niet onder de werkingssfeer van artikel 8.7, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 valt. Reeds daarom kan eiser niet worden aangemerkt als gemeenschapsonderdaan.
Beoordeling door de rechtbank
Hoofdverblijf
3. Eiser voert – kort samengevat – het volgende aan. Eiser betoogt dat hij wel degelijk heeft aangetoond dat referente haar hoofdverblijf in Nederland (Rotterdam) heeft. Zij staan namelijk op hetzelfde adres ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP), wat leidend is voor de vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft. Daarnaast betalen zij samen de gemeentelijke belastingen en heffingen en zijn ze in Rotterdam met elkaar getrouwd. Ook hebben zij een gezamenlijke bankrekening geopend, en hebben zij een aantal foto’s overgelegd die wel degelijk kunnen worden geduid. Verder voert eiser aan dat referente bepaalde stukken, zoals een werkgeverklaring, niet kan overleggen omdat zij in België werkt. Volgens eiser is de woning in Antwerpen alleen aangehouden voor een eventuele terugkeer. Dat uit de overgelegde bankafschriften blijkt dat er ook transacties in België plaatsvinden komt volgens eiser omdat referente in België werkt.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich uitvoerig gemotiveerd en op goede gronden op het standpunt gesteld dat eiser onvoldoende heeft aangetoond dat referente haar hoofdverblijf in Nederland heeft. Verweerder heeft alle door eiser overgelegde stukken besproken en toegelicht waarom die niet tot het oordeel kunnen leiden dat aannemelijk is gemaakt dat referente haar hoofdverblijf in Nederland heeft. Eiser heeft in beroep geen nieuwe stukken overgelegd om zijn standpunt te onderbouwen. Verweerder heeft bij zijn standpunt kunnen betrekken dat referente in België werkt, een huurovereenkomst heeft gesloten voor een woning in België en dat de overgelegde loonstroken van referente zijn geadresseerd aan het adres van die woning. Niet valt in te zien waarom een adres dat uitsluitend zou zijn aangehouden voor eventuele toekomstige terugkeer, wordt gebruikt als correspondentieadres voor de loonstroken van referente. Verweerder heeft daarnaast kunnen betrekken dat uit de overgelegde bankafschriften van de bankrekening van referente (in de periode van 19 september 2023 tot en met 4 december 2023) blijkt dat referente de vaste lasten in België betaalt. Dit is niet door eiser betwist, terwijl volgens eiser een oom van referente in de woning woont. De verklaring van eiser dat ook transacties in België plaatsvinden omdat referente in België werkt, acht de rechtbank onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Dat eiser en referente een gezamenlijke rekening hebben geopend acht de rechtbank eveneens onvoldoende, omdat enkel met een aan eiser toebehorende pas betalingen in Nederland zijn gedaan en niet is aangetoond dat referente ook betalingen in Nederland verricht vanaf die rekening. Dat eiser en referente gezamenlijk gemeentelijke belastingen en heffingen zouden betalen voor de woning in Rotterdam, maakt het voorgaande niet anders. Verweerder heeft verder kunnen betrekken dat referente geen werkgeversverklaring heeft overgelegd. Het betoog van eiser dat referente daartoe niet bij machte is omdat zij in België werkt, volgt de rechtbank niet. Ook werknemers die in België werkzaam zijn, kunnen hun werkgever om een tewerkstellingsattest vragen. De rechtbank volgt verweerder ook in zijn standpunt dat de registratie op hetzelfde adres in de BRP een administratieve registratie betreft en op zichzelf geen feitelijk (samen)wonen op dat adres aantoont. Ten aanzien van de overgelegde foto’s heeft verweerder terecht overwogen dat hieruit niet kan worden opgemaakt dat referente haar hoofdverblijf in Nederland heeft. De foto’s zijn niet nader geduid en de algemene stelling van eiser dat de foto’s in Rotterdam, thuis of op straat zijn gemaakt en van recente datum zijn, acht de rechtbank onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Ook de stelling van eiser dat hij en referente in Rotterdam zijn getrouwd kan niet tot het oordeel leiden dat referente haar hoofdverblijf in Nederland heeft. De beroepsgrond slaagt niet.
Hoorplicht
4. Eiser betoogt dat hij ten onrechte niet is gehoord door verweerder.
Het uitgangspunt is dat verweerder een vreemdeling hoort in bezwaar en dat er terughoudend moet worden omgaan met uitzonderingen op de hoorplicht (zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918). Verweerder mag op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van het horen afzien als het bezwaar kennelijk ongegrond is. Dat is het geval als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. De beslissing om die bepaling toe te passen, dient te worden genomen op grond van wat in het bezwaarschrift is aangevoerd, in samenhang met de overwegingen in het primaire besluit. Uit de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:2557) volgt dat als een vreemdeling de vereiste stukken niet heeft overgelegd en geen verklaring heeft gegeven waarom hij daarover niet de beschikking kan krijgen, terwijl hij wist of kon weten dat dit voor het nemen van het besluit noodzakelijke informatie betreft, het minder in de rede ligt dat de vreemdeling wordt uitgenodigd voor een hoorzitting.
De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van een schending van de hoorplicht. Verweerder heeft met brieven van 19 december 2023 en 9 januari 2024 eiser verzocht om zijn aanvraag met bewijsstukken schriftelijk te onderbouwen. In deze brieven heeft verweerder concrete, op de situatie van eiser en referente toegespitste vragen gesteld en om specifieke bewijsstukken gevraagd. Eiser heeft in reactie op de brieven van verweerder wel stukken overgelegd, maar niet alle gevraagde informatie en bewijsstukken verschaft. Hierdoor stond op voorhand vast dat het bezwaar niet tot een ander besluit kon leiden. Verweerder hoefde niet over te gaan tot horen om eiser nogmaals aan te sporen de benodigde stukken over te leggen en uitleg te geven. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat sprake was van een kennelijk ongegrond bezwaar en kon op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb van horen in bezwaar afzien.
Terugkeerbesluit en inreisverbod
5. Eiser voert aan dat het hem opgelegde terugkeerbesluit en inreisverbod geen doel meer dient nu hij kan worden aangemerkt als familielid van een gemeenschapsonderdaan en rechtmatig verblijf geniet.
Gelet op wat hiervoor is overwogen heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien het (op 7 september 2022 opgelegde) terugkeerbesluit en (lichte) inreisverbod op te heffen.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter-Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 17 juli 2026.
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.