ECLI:NL:RBDHA:2026:28535

ECLI:NL:RBDHA:2026:28535

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 26-06-2026
Datum publicatie 28-09-2026
Zaaknummer NL24.19200
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

VK; visum kort verblijf; geldige machtiging; ondertekening; termijnoverschrijding; ogg.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], eiseres

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL24.19200

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. M. Taheri),

en

(gemachtigde: mr. L. Ludwig).

Procesverloop

Bij besluit van 6 augustus 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een visum voor kort verblijf afgewezen.

Bij besluit van 4 april 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

Eiseres heeft op 2 mei 2024 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De rechtbank heeft het beroep op 1 mei 2026 op zitting behandeld. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Al-Aukaili, als waarnemer van haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Tevens is verschenen [persoon A], referent.

Overwegingen

Inleiding

1. Eiseres is geboren op [geboortedatum] en heeft de Iraanse nationaliteit. Zij heeft op 10 juli 2023 een aanvraag ingediend voor een visum voor kort verblijf om in Nederland haar jongere broer, referent, te bezoeken.

2. In het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag van eiseres afgewezen omdat zij het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende heeft aangetoond en niet heeft aangetoond over voldoende middelen van bestaan te beschikken. Ook heeft zij haar voornemen om tijdig terug te keren naar Iran volgens verweerder onvoldoende aannemelijk gemaakt.

Het bestreden besluit

3. Verweerder stelt dat hij op 25 september 2023 een ongedateerd bezwaarschrift van referent heeft ontvangen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het bezwaar buiten de wettelijke bezwaartermijn is ingediend, niet is ondertekend en bovendien zonder machtiging van eiseres is ingediend. Verweerder heeft referent op 9 januari 2024 in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken de redenen voor de termijnoverschrijding aan te voeren, het bezwaarschrift alsnog te ondertekenen en een rechtsgeldige machtiging over te leggen. Volgens verweerder is van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt. Verweerder heeft het bezwaar daarom kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

Beroepsgronden

4. Eiseres kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert daartoe het volgende aan. Zij wijst er allereerst op dat het bezwaarschrift door leken is ingediend en dat het daarom zal zijn misgegaan met de ondertekening en de machtiging. Verweerder had zich dan ook coulanter moeten opstellen. Daarnaast voert eiseres aan dat zij de herstelverzuimbrief van 9 januari 2024 nooit heeft ontvangen. Verweerder had bij eiseres moeten verifiëren of deze brief was aangekomen. Aangezien verweerder dit heeft nagelaten, heeft hij onzorgvuldig gehandeld. Tot slot voert eiseres aan dat haar gemachtigde de verzuimen later alsnog heeft hersteld. Ook daarom verwacht eiseres enige coulance van verweerder, opdat zij niet onredelijk in haar belangen wordt geschaad.

Beoordeling door de rechtbank

Geldige machtiging

5. Op grond van artikel 32, derde lid, van Verordening (EG) nr. 810/2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode (de Visumcode) kunnen alleen aanvragers aan wie een visum is geweigerd in beroep gaan. Op het beroep is het nationale recht van toepassing. Dat betekent dat naar Nederlands recht de aanvrager eerst bezwaar moet maken. Aangezien de Visumcode een Europese verordening is, kunnen de lidstaten de mogelijkheid om een negatieve beslissing op een visumaanvraag aan te vechten niet uitbreiden naar anderen dan de aanvrager van het visum. Referent kon daarom niet zelfstandig bezwaar maken tegen het besluit van 6 augustus 2023 en had een geldige machtiging van eiseres nodig.

Ten aanzien van het betoog van eiseres dat zij de herstelverzuimbrief van 9 januari 2024 niet heeft ontvangen, overweegt de rechtbank als volgt. De herstelverzuimbrief van 9 januari 2024 betreft een niet-aangetekende brief die volgens het bestreden besluit geadresseerd is aan referent omdat hij de indiener van het bezwaarschrift was. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), zoals de uitspraken van 24 juli 2019, ELCI:NL:RVS:2019:2488, en van 20 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1138, volgt dat, indien de geadresseerde stelt dat hij een niet-aangetekende brief niet heeft ontvangen, het in beginsel aan het bestuursorgaan is om aannemelijk te maken dat de brief wel op het adres van de geadresseerde is ontvangen. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt evenwel het vermoeden van ontvangst van het besluit op dat adres. Dit brengt mee dat het bestuursorgaan in eerste instantie kan volstaan met het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres. Daarvoor is in ieder geval vereist dat het besluit is voorzien van de juiste adressering en een verzenddatum en dat sprake is van een deugdelijke verzendadministratie. Daarbij dient niet gebleken te zijn van recente problemen bij de verzending van poststukken. Indien het bestuursorgaan de verzending van het besluit aannemelijk heeft gemaakt, ligt het vervolgens op de weg van de geadresseerde het vermoeden te ontzenuwen. Hiervoor is niet vereist dat de geadresseerde aannemelijk maakt dat het besluit niet op zijn adres is ontvangen. Voldoende is dat op grond van wat hij aanvoert de ontvangst redelijkerwijs kan worden betwijfeld.

De meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam heeft bij uitspraak van 5 oktober 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:10531, geoordeeld dat Indigo – het informatiesysteem van verweerder waarin alle klant- en zaakgegevens en correspondentie worden geregistreerd – en het zogenoemde verzendhuis van verweerder tezamen een deugdelijk verzend(registratie)systeem vormen. De Afdeling heeft deze uitspraak bij uitspraak van 1 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3343, bevestigd.

De rechtbank stelt vast dat verweerder in het verweerschrift een screenshot uit Indigo heeft overgelegd. Hieruit blijkt dat er op 9 januari 2024 onder de naam van eiseres een uitgaand bericht is geregistreerd met de documentnaam ‘Herstel verzuim’. De brief is aangemaakt op 9 januari 2024, heeft in Indigo de status ‘bericht verwerkt’ gekregen en als verzenddatum is 10 januari 2024 geregistreerd. De herstelverzuimbrief is – zo volgt uit het adres dat bovenaan de brief staat vermeld – aan referent geadresseerd. Verweerder heeft hiermee naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk gemaakt dat de herstelverzuimbrief naar het adres van referent is gezonden. Mede gelet op de omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, gaat de rechtbank daarom uit van het vermoeden dat de herstelverzuimbrief door referent is ontvangen. Het is vervolgens aan eiseres om dit vermoeden te ontzenuwen. De rechtbank is van oordeel dat zij hier niet in is geslaagd. De enkele niet onderbouwde stelling dat referent de herstelverzuimbrief niet heeft ontvangen, is onvoldoende om het vermoeden dat hij de brief heeft ontvangen te ontzenuwen. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder bij eiseres en/of referent had moeten verifiëren of de herstelverzuimbrief was ontvangen.

Uitgaande van wat hiervoor onder 5.3 is overwogen, heeft verweerder op 9 januari 2024 aan referent bericht dat het bezwaarschrift niet aan alle eisen voldeed omdat het (onder andere) geen verklaring bevatte dat referent gemachtigd was om het bezwaarschrift namens eiseres in te dienen. Referent werd verzocht het bijgevoegde machtigingsformulier te laten ondertekenen door eiseres en op te sturen. Verweerder heeft daarvoor een termijn van twee weken geboden. Niet is gebleken dat referent van de gelegenheid gebruik heeft gemaakt om een getekend machtigingsformulier aan verweerder toe te zenden. Evenmin is gebleken dat referent om uitstel heeft verzocht dan wel anderszins contact heeft opgenomen met verweerder. De omstandigheid dat referent en eiseres geen kennis hebben van het bestuursrecht, maakt niet dat van referent niet kon worden verwacht een machtigingsformulier op te sturen. Referent heeft ook niet gesteld dat hij niet begrijpt wat er van hem werd verwacht. Gelet op het voorgaande heeft verweerder het bezwaar van eiseres dan ook terecht (kennelijk) niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een machtiging. De pas ter zitting aangevoerde (en niet onderbouwde) stellingen dat referent destijds onder behandeling was van een GGZ-instelling en medicijnen gebruikte voor zijn psychische gesteldheid en dat zijn moeder overleden was, leiden niet tot een ander oordeel. Uit wat referent op de zitting heeft verklaard blijkt dat hij in die periode wel met eiseres en een ambtenaar van de gemeente contact heeft gehad over de visumaanvraag van eiseres en eiseres heeft gevraagd benodigde stukken naar hem te sturen, en zelf stukken heeft ondertekend. Niet valt in te zien waarom referent dan niet aan verweerder een door eiseres ondertekend machtigingsformulier kon toesturen.

Ondertekening

6. Op grond van artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan het

bezwaar niet-ontvankelijk worden verklaard als niet is voldaan aan een bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen daarvan. Een van die vereisten is dat het bezwaarschrift moet zijn ondertekend (artikel 6:5 van de Awb). De indiener moet op grond van artikel 6:6 van de Awb wel in de gelegenheid zijn gesteld het verzuim te herstellen.

De rechtbank overweegt dat ondertekening van een bezwaarschrift als bewijs dient dat het geschrift daadwerkelijk door of namens de indiener is opgesteld. Uit rechtspraak volgt dat een niet-ontvankelijk verklaring van het bezwaarschrift achterwege blijft, indien de identiteit van de indiener van het bezwaar op andere wijze kan worden vastgesteld of aan diens identiteit als afzender niet hoeft te worden getwijfeld.

Deze rechtspraak volgend is de rechtbank van oordeel dat verweerder het bezwaarschrift op dit punt ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank overweegt daartoe dat de naam en het adres van referent onder het bezwaarschrift staan en dat – zoals hiervoor onder 5.3 is overwogen - verweerder aan referent een herstelverzuimbrief heeft gestuurd. Niet gesteld of gebleken is dat verweerder twijfels heeft of referent de indiener is van het bezwaarschrift. Integendeel, verweerder vraagt referent juist om een machtiging waaruit blijkt dat hij het bezwaarschrift namens eiseres heeft ingediend. Onder deze omstandigheden heeft verweerder niet in redelijkheid tot niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaarschrift kunnen overgaan omdat referent het bezwaarschrift niet heeft ondertekend. De rechtbank zal onder 9. bespreken wat het gevolg van dit oordeel is.

Termijnoverschrijding

7. Op grond van artikel 69, eerste lid van de Vreemdelingenwet 2000 bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift, in afwijking van artikel 6:7 van de Awb, vier weken. Deze termijn vangt op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb, aan met ingang van de dag na die waarop het besluit is bekendgemaakt. In artikel 6:9 van de Awb is bepaald dat een bezwaarschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen of, bij verzending per post, als het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd en niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

In artikel 6:11 van de Awb is bepaald dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift een niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

8. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiseres niet tijdig bezwaar heeft ingesteld tegen de afwijzing van haar visumaanvraag.

De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaarschrift achterwege had moeten blijven omdat verweerder redelijkerwijs niet kon oordelen dat eiseres in verzuim is geweest wat betreft de tijdigheid van het bezwaar. De bewijslast in dit verband rust op eiseres. Het is dus aan eiseres om feiten en omstandigheden naar voren te brengen, en die te onderbouwen, op grond waarvan zou kunnen worden geconcludeerd dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is.

Op grond van recente rechtspraak van de grote kamer van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven (CBB) van 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31, wordt bij de beoordeling van de verschoonbaarheid van een termijnoverschrijding meer rekening dan voorheen gehouden met bijzondere omstandigheden. Bij bijzondere omstandigheden kan het gaan om persoonlijke omstandigheden, bijvoorbeeld psychisch onvermogen, ernstige ziekte of ongeval van de indiener of ziekte of overlijden van diens naasten, of om externe omstandigheden, zoals een natuurramp, een besmettelijke dierziekte op het bedrijf of een brand in de woning of in een bedrijfspand. Daarnaast kan het niet tijdig indienen van een bezwaar- of beroepschrift niet aan de indiener worden toegerekend als deze daarvan geen verwijt kan worden gemaakt.

De rechtbank overweegt dat eiseres zich op het standpunt stelt dat referent namens haar handelingen heeft verricht om bezwaar in te stellen tegen het primaire besluit. Bij de beoordeling of sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding dient dan ook gekeken te worden naar de eventuele bijzondere omstandigheden van referent. In bezwaar en in het beroepschrift zijn in dit verband geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat referent niet in verzuim is geweest als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb. De door referent pas op de zitting genoemde omstandigheden dat hij destijds onder behandeling was en medicijnen gebruikte en dat zijn moeder overleden was, leiden – gelet op wat hierover is overwogen in rechtsoverweging 5.4. – niet tot het oordeel dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is.

Conclusie en gevolgen

9. Verweerder heeft het bezwaar niet niet-ontvankelijk kunnen verklaren omdat referent het bezwaarschrift niet had ondertekend. Dit baat eiseres echter niet, omdat de andere gronden waarop verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard wel standhouden. Het beroep leidt dus niet tot een andere uitkomst voor eiseres en is daarom ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. G.A. Bouter - Rijksen

Griffier

  • mr. D.M. Abrahams

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand