RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. H. Drenth),
de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: K. Kanters).
uitspraak
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.46309
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
en
Procesverloop
De minister heeft op 22 maart 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
Vervolgens heeft de minister een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [2007] .
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 19 juni 2026 (in de zaak NL26.32835) volgt dat de maatregel
van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
4. Eiser voert aan dat er geen zicht op uitzetting is naar Algerije in zijn geval omdat de Algerijnse autoriteiten tot op heden niet hebben gereageerd op de aanvraag om een laissez passer (lp) en er evenmin een presentatie is gepland bij deze autoriteiten. Tevens stelt eiser zich op het standpunt dat de minister onvoldoende voortvarend handelt omdat er niet op dossierniveau is gerappelleerd bij de Algerijnse autoriteiten en de laatste uitzettingshandelingen van meer dan vier weken geleden dateren. Tot slot voert eiser aan dat zijn persoonlijke belangen bij invrijheidstelling zwaarder wegen dan de belangen van de minister bij eisers inbewaringstelling.
5. De rechtbank oordeelt als volgt.
Zicht op uitzetting en het voortvarendheidsvereiste
6. Er is in het algemeen zicht op uitzetting naar Algerije en in eisers geval loopt het onderzoek bij de Algerijnse autoriteiten nog. De minister rappelleert regelmatig bij deze autoriteiten in verband met de afgifte van een lp, laatstelijk op 17 juli 2026. Dat dit onderzoek lang duurt is op zichzelf niet doorslaggevend, te meer niet nu de Algerijnse autoriteiten niet op voorhand te kennen hebben gegeven geen lp te zullen verstrekken. De rechtbank overweegt verder dat geen specifieke omstandigheden zijn gesteld of gebleken die de minister nopen om op dossierniveau te rappelleren. Het is in dit verband in hoge mate aan de Algerijnse autoriteiten en aan de minister om te bepalen hoe het diplomatieke verkeer vorm wordt gegeven. Gelet hierop oordeelt de rechtbank dat het zicht op uitzetting naar Algerije in eisers geval aanwezig is.
De minister heeft naast het vorenstaande op 15 juni 2026, 14 juli 2026 en 18 augustus 2026 een vertrekgesprek gevoerd met eiser. De rechtbank benadrukt dat op eiser de rechtsplicht rust om Nederland te verlaten. Deze plicht brengt onder meer mee dat hij actieve en volledige medewerking aan zijn uitzetting dient te verlenen. Op dit moment is niet gebleken dat eiser die medewerking verleent. Gelet op voornoemde uitzettingshandelingen ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel de minister onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. De beroepsgronden slagen daarom niet.
.
Belangenafweging
7. Over wat eiser in het kader van de belangenafweging aanvoert, oordeelt de rechtbank dat er geen feiten of omstandigheden zijn die – gelet op de duur van deze bewaring – voor de minister aanleiding hadden moeten zijn de bewaring bij een afweging van de belangen op te heffen. Deze beroepsgrond slaagt evenmin.
Ambtshalve toetsing
8. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.A. Berghuis, rechter, in aanwezigheid van
N. Dayerizadeh, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
25 augustus 2026
Documentcode:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.