ECLI:NL:RBDHA:2026:28567

ECLI:NL:RBDHA:2026:28567

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 24-07-2026
Datum publicatie 28-09-2026
Zaaknummer AWB 24/7763
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

VK; verblijfsvergunning buiten schuld; nieuwe feiten of omstandigheden; hoorplicht; ogg.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 24/7763

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. S. Karkache),

en

de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Imami).

Procesverloop

Bij besluit van 30 november 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd vanwege het buiten schuld niet uit Nederland kunnen vertrekken (buitenschuldvergunning) afgewezen.

Bij besluit van 5 april 2024 heeft verweerder het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek is bij de rechtbank geregistreerd onder zaaknummer AWB 24/8842.

De rechtbank heeft het beroep op 12 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Inleiding

Eiser is geboren op [geboortedatum] en heeft de Marokkaanse nationaliteit.

Eiser heeft op 17 november 2005 een aanvraag tot het verlenen van een buitenschuldvergunning ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag bij besluit van 22 mei 2006 afgewezen. Verweerder heeft het hiertegen ingediende bezwaar bij besluit van 7 juni 2007 gegrond verklaard en het besluit van 22 mei 2006 ingetrokken. Bij besluit van 31 juli 2008 heeft verweerder opnieuw op eisers aanvraag van 17 november 2005 beslist en de aanvraag weer afgewezen. Verweerder heeft het hiertegen ingediende bezwaar bij besluit van 21 januari 2011 ongegrond verklaard. Het daartegen ingestelde beroep is bij uitspraak van 5 september 2012 (zaaknummer AWB 11/5427) ongegrond verklaard.

Eiser heeft op 10 oktober 2013 opnieuw een aanvraag ingediend voor hetzelfde verblijfsdoel. Verweerder heeft deze aanvraag bij besluit van 10 oktober 2013 afgewezen omdat geen sprake was van nieuwe feiten en omstandigheden. Bij uitspraak van 13 februari 2014 (zaaknummer AWB 13/26358) heeft de voorzieningenrechter het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen en het bezwaar ongegrond verklaard.

Eiser heeft op 7 april 2016 weer een aanvraag voor hetzelfde verblijfsdoel ingediend. Deze aanvraag heeft hij op 8 juni 2016 ingetrokken.

Eiser heeft op 17 mei 2017 heeft eiser opnieuw een aanvraag voor hetzelfde verblijfsdoel ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag bij besluit van 13 juli 2017 afgewezen. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 2 november 2017 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 4 juni 2018 (zaaknummer AWB 17/16077) heeft de rechtbank het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Het door eiser tegen die uitspraak ingediende hoger beroep is op 14 december 2018 ongegrond verklaard.

Op 12 mei 2023 heeft eiser opnieuw een aanvraag voor een buitenschuldvergunning ingediend.

Bestreden besluit

2. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Volgens verweerder zijn in de aanvraag van 12 mei 2023 geen feiten of omstandigheden vermeld die ten tijde van de afwijzing van de eerste aanvraag niet bekend waren of redelijkerwijs niet bekend konden zijn en die aanleiding geven tot heroverweging van die eerdere aanvraag.

Beoordeling door de rechtbank

Nieuwe feiten of omstandigheden

3. Eiser betoogt dat verweerder zijn aanvraag van 12 mei 2023 ten onrechte heeft afwezen. Eiser heeft zich voortdurend ingespannen om zijn nationaliteit vastgesteld te krijgen – zij het zonder resultaat – en verweerder dient dan ook te berusten in zijn verblijf in Nederland. Eiser wijst op de e-mailberichten van zijn gemachtigde aan de Marokkaanse en de Algerijnse vertegenwoordigingen en de foto’s van eisers bezoeken aan deze vertegenwoordigingen. Daarnaast heeft de regievoerder van de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) aangegeven dat het dossier van eiser al twee jaar is afgesloten omdat zij niets voor hem kunnen betekenen. Daarmee hebben zij een zwaarwegend advies afgegeven dat het verkrijgen van de Marokkaanse nationaliteit voor eiser niet langer aan de orde is en de aanvraag daarom moet worden ingewilligd. Ook wijst eiser op de verklaring van het Marokkaanse consulaat uit 2014, waaruit blijkt dat hij geen paspoort kan verkrijgen. Er is dus wel degelijke sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Verweerder heeft dan ook ten onrechte nagelaten de aanvraag inhoudelijk te beoordelen. Eiser voert ook aan dat verweerder ten onrechte geen ambtshalve belangenafweging heeft gemaakt in het kader van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Op grond van artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan. Het tweede lid van artikel 4:6 van de Awb bepaalt dat wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld het bestuursorgaan de aanvraag kan afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.

Op grond van jurisprudentie van de Afdeling van onder meer 23 november 2016, ECL1:NL:RVS:2016:3131 en 8 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1921, is het uitgangspunt dat een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd is om een herhaalde aanvraag inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen, ook als de rechtzoekende aan de herhaalde aanvraag geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd. Het bestuursorgaan kan er ook voor kiezen om, als er volgens hem geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb de herhaalde aanvraag af te wijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit. Voor het toetsingskader van de bestuursrechter is van belang welke keuze het bestuursorgaan in het voorliggende geval maakt. Als naar het oordeel van de bestuursrechter het bestuursorgaan terecht meent dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, dan kan dat de afwijzing van de aanvraag in beginsel dragen. De bestuursrechter kan aan de hand van wat de rechtzoekende heeft aangevoerd echter tot het oordeel komen dat het besluit op de herhaalde aanvraag evident onredelijk is.

Nu verweerder in de onderhavige zaak de herhaalde aanvraag heeft afgewezen en daarbij toepassing heeft gegeven aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, dient de rechtbank aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden en eventueel door het bestuursorgaan gevoerd beleid te toetsten of verweerder zich terecht en zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn.

Op grond van paragraaf B1/3.4.1.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) merkt de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) in het kader van artikel 4:6 van de Awb enkel feiten en omstandigheden als nieuw aan die op het moment waarop de eerste aanvraag werd afgewezen niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn en aanleiding geven tot heroverweging van de eerste aanvraag.

Uit paragraaf B8/4.1 van de Vc volgt dat de IND een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd aan een vreemdeling verleent die zonder resultaat heeft geprobeerd uit Nederland te vertrekken. Dit blijkt uit een ambtsbericht met positief zwaarwegend advies van de DT&V waarin wordt vermeld dat sprake is van een buitenschuldsituatie. Op grond van het bepaalde in paragraaf B8/4.3 van de Vc beschouwt de IND uitsluitend een ambtsbericht van de DT&V, waarin wordt aangegeven dat de vreemdeling buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken, als bewijsmiddel dat de vreemdeling zich tot de DT&V heeft gewend en dat bemiddeling van de DT&V niet het gewenste resultaat heeft gehad.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht en zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Verweerder heeft daarbij kunnen betrekken dat de verklaring van het Marokkaanse consulaat uit 2014 reeds in eerdere procedures is betrokken en beoordeeld en daarom niet als nieuw feit of nieuwe omstandigheid kan worden aangemerkt. Daarnaast heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat de overgelegde e-mails en foto’s geen aanleiding geven tot heroverweging van de eerste aanvraag. Verweerder overweegt terecht dat de e-mails uitsluitend berichten betreffen van de gemachtigde van eiser en dat daar niet uit volgt dat eiser niet aan een paspoort kan komen.. Ook de door eiser overgelegde foto’s (waarop hij voor de Marokkaanse en Algerijnse vertegenwoordigingen staat), zeggen niets over de (on)mogelijkheid aan een paspoort te komen. Bovendien is niet gebleken dat de DT&V daadwerkelijk een zwaarwegend positief advies heeft uitgebracht. De enkele gestelde mondelinge mededeling dat eisers dossier is afgesloten en dat DT&V niets voor hem kan betekenen, is daarvoor onvoldoende. Gelet op het voorgaande was verweerder dan ook in beginsel niet gehouden de herhaalde aanvraag inhoudelijk te behandelen en het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. De enkele, niet nader toegelichte verwijzing naar de hiervoor onder 3.2 besproken uitspraak van de Afdeling van 23 november 2016, leidt niet tot een ander oordeel. In wat eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank, mede gelet op wat hierna nog wordt overwogen, ook geen aanleiding voor het oordeel dat het besluit op de herhaalde aanvraag evident onredelijk is.

Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet gehouden was een belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM (privéleven) te maken. Nu de aanvraag niet inhoudelijk wordt beoordeeld, komt verweerder daar niet aan toe. Overigens heeft eiser ook in dit verband geen relevante nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd.

De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat verweerder in zijn verblijf had moeten berusten, gelet op het arrest Hoti tegen Kroatië. Het EHRM stelt in die zaak voorop dat het gaat om een complexe en erg specifieke feitelijke en juridische situatie in verband met het reguleren van de verblijfstatus van vreemdelingen die verblijven in Kroatië na het uiteenvallen van het voormalige Joegoslavië. Bovendien was de vreemdeling in die zaak ten tijde van de uitspraak staatloos. Die zaak is daarom niet te vergelijken met de zaak van eiser.

Hoorplicht

4. Eiser voert aan dat verweerder hem voorafgaand aan het nemen van het bestreden besluit had moeten horen.

Het uitgangspunt is dat verweerder een vreemdeling hoort in bezwaar en dat er terughoudend moet worden omgaan met uitzonderingen op de hoorplicht (zie de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918). Verweerder mag op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb van het horen afzien als het bezwaar kennelijk ongegrond is. Dat is het geval als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. De beslissing om die bepaling toe te passen, dient te worden genomen op grond van wat in het bezwaarschrift is aangevoerd, in samenhang met de overwegingen in het primaire besluit.

De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van een schending van de hoorplicht. Eiser heeft in zijn bezwaarschrift gronden aangevoerd, maar daarin in wezen enkel verwezen naar de bij de aanvraag overgelegde stukken en gezegd dat hij het niet eens is met verweerders standpunt in het primaire besluit dat geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden. Verder heeft hij in zijn bezwaarschrift gezegd nog aanvullende gronden te zullen indienen. Verweerder heeft per brief van 22 januari 2024 eiser verzocht om de aanvullende gronden binnen twee weken naar de IND te sturen. Niet is gebleken dat eiser dit heeft gedaan. Gelet op dit alles stond op voorhand vast dat het bezwaar niet tot een ander besluit kon leiden. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat sprake was van een kennelijk ongegrond bezwaar en kon op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb van horen in bezwaar afzien.

Conclusie en gevolgen

5. Gelet op het voorgaande heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd (buiten schuld niet uit Nederland kunnen vertrekken) op goede gronden afgewezen met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter-Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. G.A. Bouter-Rijksen

Griffier

  • mr. D.M. Abrahams

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand