ECLI:NL:RBDHA:2026:28584

ECLI:NL:RBDHA:2026:28584

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 07-09-2026
Datum publicatie 28-09-2026
Zaaknummer NL26.47580
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Bewaring; vervolgberoep; ongegrond; nieuw model; bewaring op grond van artikel 59b Vw; zes maanden niet overschreden; geen verlengingsbesluit vereist; asielaanvraag; beroep en verzoek om voorlopige voorziening; zicht op uitzetting geen vereiste bij artikel 59b Vw; niet gehouden om uitzettingshandelingen te verrichten; verzwaarde belangenafweging; De minister heeft in redelijkheid mogen aannemen dat het er alle schijn van heeft dat eiser het herhaalde asielverzoek heeft ingediend om zijn feitelijk vertrek te frustreren en dat hiermee het voortduren van de maatregel van bewaring voor zijn eigen rekening en risico komt

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. J.A.A. Willems).

Samenvatting

uitspraak

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.47580

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. A.K.E. van den Heuvel),

en

1. Deze uitspraak gaat over het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met het voortduren van de vreemdelingenbewaring. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor wet- en regelgeving:

- Vw: Vreemdelingenwet 2000

Procesverloop

2. Met het besluit van 22 mei 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. Bij uitspraak van 12 juni 2026 heeft de rechtbank het beroep van eiser tegen dat besluit ongegrond verklaard.

De minister heeft een kennisgeving voortduren vreemdelingenbewaring aan de rechtbank gezonden. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep.1

De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. Vervolgens heeft de minister een verweerschrift ingediend en eiser heeft daarop zijn reactie gegeven.

De rechtbank heeft het beroep op 31 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader

3. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.2

4. Uit de uitspraak van 12 juni 2026 volgt dat de maatregel van vreemdelingenbewaring tot het moment van sluiten van dat onderzoek, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van vreemdelingenbewaring sinds het moment van sluiten van dat onderzoek, op 8 juni 2026 rechtmatig is.

5. Is de maximale duur van de bewaringsmaatregel overschreden?

Eiser voert aan dat uit de voortgangsgegevens niet blijkt hoelang de vreemdelingenbewaring aaneengesloten voortduurt. Het duurt in ieder geval langer dan zes maanden en er is geen verleningsbesluit genomen. Daarnaast stelt eiser zich op het standpunt dat zijn asielaanvraag inclusief de behandeling van het beroep binnen dertien weken afgehandeld dienen te worden. Op 21 augustus 2026 verliep deze termijn, aldus eiser.

6. De minister stelt zich op het standpunt dat eiser op 22 mei 2026 op grond van artikel 59b eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw in bewaring is gesteld. Ter zitting heeft de minister een extra toelichting gegeven op de voortgangsrapportage en aangegeven hoeveel dagen eiser in bewaring heeft gezeten. De asielbewaring duurt maximaal zes maanden en die termijn is in dit geval niet overschreden. De minister heeft in eisers geval dan ook geen verlengingsbesluit hoeven nemen. Gelet hierop mag de vreemdelingenbewaring nog voortduren.

7. Uit de beschikbare stukken blijkt dat de minister op 13 juni 2026 eisers (opvolgende) asielaanvraag ongegrond heeft verklaard. Verder blijkt dat eiser op 22 juni 2026 hiertegen beroep heeft ingesteld en heeft verzocht om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen voordat is beslist op het beroep. De behandeling hiervan is op de zitting van 25 augustus 2026 gepland. Verweerder heeft gewezen op vaste jurisprudentie

1. Dit volgt uit artikel 94, eerste lid, van de Vw.

2 Dit volgt uit artikel 96, derde lid, van de Vw.

van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.3 Hieruit volgt dat voor een bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw zicht op uitzetting geen voorwaarde is. Daaruit volgt ook dat de minister bij een bewaring op grond van deze

bepaling niet gehouden is voortvarend handelingen ter voorbereiding van de uitzetting te verrichten die daadwerkelijk kunnen bijdragen aan de bespoediging van de feitelijke uitzetting. Eiser verblijft nog in bewaring op grond van artikel 59b, van de Vw, zodat de minister niet gehouden was uitzettingshandelingen te verrichten. De minister is in zo’n situatie alleen verplicht om binnen de in artikel 59b, tweede lid, van de Vw genoemde termijn de aanvraag te behandelen en daarop te beslissen4. Nu de bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw op 22 mei 2026 is opgelegd, stelt de rechtbank vast dat de minister deze termijn nog niet heeft overschreden.

De duur van de vreemdelingenbewaring is een element dat bij de belangenafweging moet worden betrokken. De Vw stelt een maximum van achttien maanden aan de duur van de vreemdelingenbewaring. Dit betekent echter niet dat de vreemdelingenbewaring in alle gevallen ook achttien maanden mag voortduren. Naarmate de vreemdelingenbewaring voortduurt, wordt het belang van betrokkene om in vrijheid te worden gesteld groter. Indien de maatregel langer duurt dan zes maanden, kan deze toch voortduren indien sprake is van bijkomende omstandigheden, zoals frustratie van het onderzoek, passief of actief.

Uit de voortgangsgegevens blijkt dat de minister tijdig op 16 juli 2026 een verzwaarde belangenafweging heeft gemaakt. De minister heeft in redelijkheid mogen aannemen dat het er alle schijn van heeft dat eiser het herhaalde asielverzoek heeft ingediend om zijn feitelijk vertrek te frustreren en dat hiermee het voortduren van de maatregel van bewaring voor zijn eigen rekening en risicokomt. Over wat eiser in het kader van de belangenafweging verder aanvoert, oordeelt de rechtbank dat er geen feiten of omstandigheden zijn die – gelet op de duur van deze bewaring – voor de minister aanleiding hadden moeten zijn de bewaring bij een afweging van de belangen op te heffen. Deze beroepsgrond slaagt niet.

De hiervoor genoemde omstandigheden maken dat aan het belang van de minister bij voortduring van de maatregel meer gewicht toekomt dan aan het belang van eiser bij invrijheidsstelling.

Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?

8. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.5

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

3 30 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2194 en 8 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1553

4 ECLI:NL:RVS:2018:271, r.o. 6.1

5 Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.A. Berghuis, rechter, in aanwezigheid van

N. Dayerizadeh, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

07 september 2026

Documentcode:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. W.A. Berghuis

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand