RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer 1], eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.34216 en NL25.34217
[eiseres] , V-nummer: [V-nummer 2], eiseres
hierna tezamen: eisers
(gemachtigde: mr. M.L. Hoogendoorn),
en
(gemachtigde: mr. A. Sarmastzada).
Procesverloop
Bij besluiten van 25 juli 2025 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de aanvragen van eisers tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvragen) niet-ontvankelijk verklaard omdat Zuid-Korea voor eisers als een veilig derde land wordt beschouwd.
Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Op 31 juli 2025 en 24 november 2025 hebben eisers (aanvullende) beroepsgronden ingediend.
Op verzoek van verweerder is de mondelinge behandeling ter zitting van 4 februari 2026 uitgesteld.
Op 25 augustus 2026 heeft verweerder een aanvullend besluit genomen.
Eisers hebben op 2 september 2026 aanvullende beroepsgronden ingediend.
De rechtbank heeft de beroepen op 8 september 2026 op zitting behandeld. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Als tolk is verschenen M. Suleman. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Totstandkoming van het besluit
Inleiding
1. Eiser is geboren op [geboortedatum 1]. Eiseres is geboren op [geboortedatum 2]. Eisers hebben de Egyptische nationaliteit en zijn in Egypte met elkaar gehuwd. In 2016 hebben zij Egypte verlaten en zijn zij naar Zuid-Korea gegaan, waar zij zijn erkend als vluchteling. In Zuid-Korea zijn hun twee kinderen geboren. Op 23 september 2023 hebben eisers in Nederland asiel aangevraagd. De asielaanvragen zien ook op de minderjarige kinderen van eisers.
De bestreden besluiten
2. Met de bestreden besluiten van 25 juli 2025 heeft verweerder de asielaanvragen van eisers niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw)omdat Zuid-Korea voor eisers als veilig derde land wordt beschouwd. Daaraan heeft verweerder – kort samengevat – ten grondslag gelegd dat eisers gedurende zeven jaar, waarvan zij vijf jaar over een geldige verblijfsvergunning beschikten, in Zuid-Korea hebben verbleven. Er is daarom volgens verweerder sprake van een zodanige band met Zuid-Korea dat het redelijk is om terug te keren. Daarnaast is het volgens verweerder aannemelijk dat eisers opnieuw tot Zuid-Korea zullen worden toegelaten. Eisers zijn namelijk eerder tot Zuid-Korea toegelaten en er is niet gebleken dat zij geen visum kunnen aanvragen om toegang te krijgen. Bovendien hebben eisers niet aangetoond dat hun (inmiddels verlopen) verblijfsvergunningen niet zullen worden verlengd. Tot slot meent verweerder dat Zuid-Korea een veilig derde land is en dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat dat in hun geval niet zo is.
Het aanvullend besluit
3. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het beroep ook gericht tegen het aanvullende besluit van 25 augustus 2026. In het aanvullende besluit heeft verweerder de rechtsgrond voor de niet-ontvankelijkheid gewijzigd van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw, naar artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw. Verweerder heeft ten onrechte niet eerder onderkend dat eisers in Zuid-Korea als vluchteling worden erkend. Verweerder handhaaft wel zijn overwegingen in de bestreden besluiten van 25 juli 2025. Verweerder stelt zich verder op het standpunt dat er geen informatie bekend is waaruit blijkt dat eisers geen toegang krijgen tot Zuid-Korea. In dit kader heeft er op 9 juli 2026 een gesprek plaatsgevonden tussen twee medewerkers van het Team Onderzoek en Expertise Land en Taal (TOELT) en een medewerker van de ambassade van Zuid-Korea. Uit dit contact is volgens verweerder gebleken dat het voor eisers juridisch mogelijk is om terug te keren naar Zuid-Korea en daar een aanvraag in te dienen voor de verlenging van hun vluchtelingendocumenten. Verweerder meent verder dat er geen sprake is van een bijzondere kwetsbaarheid die ertoe zou leiden dat eisers niet naar Zuid-Korea zouden kunnen terugkeren. Gelet hierop heeft verweerder de asielaanvragen van eisers niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw.
Beoordeling door de rechtbank
Gebrek in de bestreden besluiten
4. In de bestreden besluiten heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de asielaanvragen van eisers niet-ontvankelijk zijn op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw. In het aanvullend besluit heeft verweerder dit standpunt niet gehandhaafd en zich op het standpunt gesteld dat de asielaanvragen van eisers niet-ontvankelijk zijn op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw. De bestreden besluiten zijn daarom gebrekkig tot stand gekomen. Gelet hierop kunnen de bestreden besluiten naar het oordeel van de rechtbank niet in stand blijven.
Het beroep is gezien het voorgaande gegrond. De rechtbank zal de bestreden besluiten vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb.
Geschilbeslechting
5. De rechtbank onderzoekt hierna de mogelijkheid van definitieve geschilbeslechting. In de eerste plaats onderzoekt de rechtbank of er aanleiding bestaat om, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb, te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven. Hierbij betrekt de rechtbank, van de zijde van verweerder, de overige overwegingen in de bestreden besluiten, het aanvullend besluit en zijn toelichting ter zitting, en, van de zijde van eisers, de beroepschriften, de aanvullende beroepschriften, de reactie op het aanvullend besluit, en de toelichting ter zitting.
Juridisch kader
6. Op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw kan verweerder een asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaren als een vreemdeling in een derde land erkend is als vluchteling en hij die bescherming nog kan genieten, of anderszins voldoende bescherming geniet in dat derde land, en de vreemdeling opnieuw tot het grondgebied van het derde land wordt toegelaten. Verweerder dient ook rekening te houden met het beginsel van non-refoulement. Hierbij is onder andere van belang of de vreemdeling in het derde land overeenkomstig de beginselen zoals genoemd in artikel 3.106a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) zal worden behandeld. Uit artikel 3.106a, tweede en derde lid, van het Vb volgt verder dat de aanvraag slechts niet-ontvankelijk wordt verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw indien de vreemdeling een zodanige band heeft met het betrokken derde land dat het voor hem redelijk zou zijn naar dat land te gaan.
Toegang tot Zuid-Korea
7. Eisers voeren aan dat zij geen toegang meer hebben tot Zuid-Korea. De verblijfsvergunningen van eisers zijn verlopen en hun vluchtelingenpaspoorten en Egyptische paspoorten zijn niet langer geldig. Gelet op hun erkend vluchtelingschap kunnen eisers geen contact opnemen met de Egyptische autoriteiten om een nieuw Egyptisch paspoort aan te vragen. Eisers hebben bij de Zuid-Koreaanse ambassade informatie ingewonnen over het aanvragen van visa voor kort verblijf. Hieruit is gebleken dat eisers een visum of laissez-passer (lp) nodig hebben om naar Zuid-Korea te reizen. Volgens eisers is het duidelijk dat de Koreaanse autoriteiten niet bereid zijn om een oplossing te bieden. Verweerder zou eisers op grond van de samenwerkingsverplichting hierin moeten bijstaan. Verweerder is immers zelf debet aan de verlopen (Zuid-Koreaanse) documenten nu er met grote vertraging op hun asielaanvragen is beslist.
De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eisers in het verleden als vluchteling zijn erkend in Zuid-Korea en dat zij eerder toegang tot en verblijf in Zuid-Korea hebben gehad. Ook is niet in geschil dat zowel de Egyptische paspoorten als de Zuid-Koreaanse verblijfsdocumenten van eisers inmiddels zijn verlopen en dat zij daarom een lp nodig hebben om Zuid-Korea opnieuw in te reizen. Het geschil spitst zich allereerst toe op de vraag of eisers met hun verlopen verblijfsdocumenten opnieuw toegang tot Zuid-Korea kunnen krijgen. Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende gemotiveerd dat eisers met hun verlopen verblijfsdocumenten toegang tot Zuid-Korea zullen krijgen. Zij overweegt daartoe als volgt.
Uit de notitie die naar aanleiding van het contact tussen TOELT en de Zuid-Koreaanse ambassade is opgesteld volgt het volgende. De afgifte van een tijdelijk reisdocument (de rechtbank begrijpt een lp) voor Zuid-Korea valt onder de bevoegdheid van het Zuid-Koreaanse Ministerie van Buitenlandse zaken. De afgiftevoorwaarden, waaronder de vraag of een definitieve beslissing over de verblijfssituatie in Nederland vereist is, lijken daarom aangelegenheden te zijn die door de diplomatieke vertegenwoordiging in het buitenland moeten worden bepaald. Volgens verweerder volgt hieruit dat het voor eisers mogelijk is om een lp aan te vragen en hiermee naar Zuid-Korea te reizen.
Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de hiervoor genoemde uitleg door de Zuid-Koreaanse ambassade weliswaar dat het in algemene zin mogelijk is om een lp aan te vragen, maar blijkt hieruit onvoldoende dat eisers ook daadwerkelijk toegang zullen hebben tot Zuid-Korea. Zo is het niet duidelijk of eisers aan de afgiftevoorwaarden voldoen die het Ministerie van Buitenlandse zaken vereist bij de aanvraag van een lp. Uit de notitie blijkt immers niet wat deze voorwaarden zijn en of dat eisers hieraan hebben voldaan. Dat, zoals verweerder stelt, hier slechts een besluit van verweerder of de rechtbank voor is vereist, acht de rechtbank onvoldoende gemotiveerd. De notitie spreekt immers van ‘requirements’ wat impliceert dat er meerdere voorwaarden zijn. Voor zover verweerder zich op het standpunt stelt dat slechts vereist is dat het juridisch mogelijk is dat eisers toegang hebben tot Zuid-Korea, maar dat niet hoeft vast te staan dat zij die toegang daadwerkelijk hebben, acht de rechtbank dit onvoldoende gemotiveerd. Uit artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw, volgt dat één van de voorwaarden om een asielaanvraag op deze grond niet-ontvankelijk te verklaren is dat de vreemdeling opnieuw tot het grondgebied van het derde land wordt toegelaten. Naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit dat het niet enkel juridisch mogelijk moet zijn om toegang te hebben tot Zuid-Korea, maar dat ook aannemelijk moet zijn dat eisers worden toegelaten. De rechtbank betrekt hierbij dat uit paragraaf C2/6.2. van de Vc volgt dat verweerder aanneemt dat een vreemdeling opnieuw wordt toegelaten tot een derde land als 1) de vreemdeling nog een geldige verblijfsvergunning op grond van internationale bescherming heeft, 2) de vreemdeling nog een geldige verblijfsvergunning of visum heeft en hij in aanmerking kan komen voor internationale bescherming, 3) uit informatie van het derde land volgt dat de vreemdeling nu bescherming heeft, dan wel (opnieuw) in aanmerking komt voor bescherming; of 4) uit verklaringen van de vreemdeling volgt dat hij al in een derde land bescherming heeft en die informatie wordt bevestigd door het derde land. Nu niet ter discussie staat dat de Zuid-Koreaanse verblijfsvergunningen van eisers zijn verlopen en, zoals hierna zal worden overwogen, onvoldoende is gemotiveerd dat eisers opnieuw in aanmerking kunnen komen voor bescherming, kan er niet zonder meer van worden uitgegaan dat eisers onder de situaties zoals bedoeld in paragraaf C2/6.2 van de Vc vallen. Daarnaast is ook anderszins niet gebleken dat het aannemelijk is dat eisers opnieuw tot Zuid-Korea worden toegelaten. De enkele omstandigheid dat dit juridisch mogelijk moet kunnen zijn acht de rechtbank hiervoor onvoldoende. De beroepsgrond slaagt.
Bescherming in Zuid-Korea
8. Eisers menen dat zij niet langer bescherming genieten of zullen genieten in Zuid-Korea. Bij terugkeer naar Zuid-Korea zullen de autoriteiten namelijk beoordelen of de beschermingsstatus van eisers zal worden verlengd of dat de toegang zal worden ontzegd. De immigratiedienst van Zuid-Korea heeft echter eerder al aangegeven dat de verblijfsvergunningen niet meer zullen worden verlengd. Eisers verwijzen in dit kader ook naar het Informatiebericht [kenmerk] en de omstandigheid dat zij zich in Zuid-Korea hebben ingezet om de asielprocedure te verbeteren, hetgeen tot vijandigheid van de Koreaanse autoriteiten heeft geleid.
Uit de notitie die naar aanleiding van het contact tussen TOELT en de Zuid-Koreaanse ambassade is opgesteld volgt het volgende. Een persoon die een vervangend (reis)document voor vluchtelingen wenst te verkrijgen terwijl hij zich buiten Zuid-Korea bevindt, kan een aanvraag tot vervanging indienen via een diplomatieke vertegenwoordiging in het buitenland. De minister van Justitie kan het document voor vluchtelingen verstrekken indien de noodzaak van vervanging wordt erkend. De vluchteling dient hiervoor een aanvraagformulier in te dienen, vergezeld met toelichtende documenten waarin de reden van de aanvraag wordt vermeld. Bij binnenkomst in het land kunnen de nodige verblijfsformaliteiten worden vervuld, zoals het toekennen van de erkende vluchtelingenstatus op basis van de eerdere erkenning als vluchteling. Verder volgt uit de notitie dat de Zuid-Koreaanse autoriteiten rekening houden met de verblijfskeuze van erkende vluchtelingen en dat in het geval van eisers wordt aangenomen dat zij, gelet op de lange periode die is verstreken sinds hun vertrek uit Zuid-Korea en hun in Nederland ingediende asielaanvragen, niet langer van plan zijn om in Zuid-Korea te verblijven. Mochten eisers uit eigen vrije wil opnieuw Zuid-Korea willen binnentreden en een diplomatieke vertegenwoordiging in het buitenland bezoeken om de heruitgifte van een (reis)document voor vluchtelingen aan te vragen, dan zou het, zo volgt uit de notitie, passend zijn om op dat moment te beoordelen of het document voor vluchtelingen opnieuw moet worden afgegeven.
Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de hiervoor genoemde uitleg door de Zuid-Koreaanse autoriteiten niet zonder meer de conclusie worden getrokken dat eisers bij terugkeer opnieuw de vluchtelingenstatus zullen genieten en dat hun status bij terugkeer niet opnieuw zal worden beoordeeld. Zo begrijpt de rechtbank de notitie aldus dat als eisers Zuid-Korea binnentreden de nodige verblijfsformaliteiten zullen worden vervuld, zoals het toekennen van de erkende vluchtelingenstatus op basis van de eerdere erkenning als vluchteling. Hieruit lijkt te volgen dat eisers niet langer de vluchtelingenstatus genieten en dat deze niet automatisch herleeft, maar opnieuw zal worden beoordeeld als zij Zuid-Korea inreizen. Het is voor de rechtbank daarom onduidelijk of eisers opnieuw de vluchtelingenstatus verkrijgen. Daarnaast begrijpt de rechtbank de notitie zo dat eisers bij de Zuid-Koreaanse minister van Justitie (al dan niet via de Zuid-Koreaanse ambassade) een document voor vluchtelingen moeten aanvragen. Eisers moeten hierbij de reden van de aanvraag vermelden. De minister van Justitie zal vervolgens het vervangende document verstrekken als hij hier de noodzaak van inziet. De rechtbank acht het onduidelijk of de Zuid-Koreaanse autoriteiten in het geval van eisers de noodzaak voor het verstrekken van het vervangende document inzien. Hierbij acht de rechtbank met name van belang dat uit de notitie ook blijkt dat er door de Zuid-Koreaanse autoriteiten vanuit wordt gegaan dat eisers niet langer van plan zijn om in Zuid-Korea te verblijven en dat deze keuze zoveel mogelijk moet worden gerespecteerd. Uit de notitie volgt dat het daarom passend is om op het moment van aanvraag van het document te beoordelen of deze wordt afgegeven. Gelet hierop kan er naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer vanuit worden gegaan dat eisers bij terugkeer opnieuw de vluchtelingenstatus zullen genieten en dat hun status bij terugkeer niet opnieuw zal worden beoordeeld. Dit klemt temeer nu uit Informatiebericht [kenmerk] “Beoordeling veilig derde land – Zuid-Korea” volgt dat Zuid-Korea in zijn algemeenheid niet langer als veilig derde land wordt aangemerkt, met name omdat de asielprocedure in de praktijk niet toegankelijk is. De beroepsgrond slaagt.
Conclusie en gevolgen
9. De beroepen zijn gelet op hetgeen onder 4 en 4.1. is overwogen gegrond. De rechtbank zal de bestreden besluiten vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. Gelet op hetgeen onder 7 en verder is overwogen ziet de rechtbank geen mogelijkheid om de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten in stand te laten. Ook zal de rechtbank niet zelf in de zaak voorzien, omdat het aan verweerder is en (vooralsnog) blijft om een beoordeling te verrichten. Evenmin bestaat er aanleiding voor het toepassen van een bestuurlijke lus, aangezien dit, naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zal inhouden. De rechtbank zal verweerder daarom opdragen om, met inachtneming van deze uitspraak, nieuwe besluiten te nemen op de asielaanvragen van eisers. Verweerder dient hierbij in ieder geval te motiveren waaruit blijkt dat eisers daadwerkelijk toegang hebben tot Zuid-Korea en of zij in Zuid-Korea (opnieuw) bescherming zullen genieten. Verweerder dient hierbij ook de door eisers aangehaalde landeninformatie te betrekken.
10. Omdat de beroepen gegrond zijn, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift in de zaak van eiser, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift in de zaak van eiseres en 1 punt voor het verschijnen ter zitting in beide zaken, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de bestreden besluiten;
- draagt verweerder op nieuwe besluiten te nemen op de asielaanvragen van eisers, met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 2.802,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Hello, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Duijf, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.