ECLI:NL:RBDHA:2026:28593

ECLI:NL:RBDHA:2026:28593

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 01-09-2026
Datum publicatie 28-09-2026
Zaaknummer NL26.48219
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Bewaring; vervolgberoep; ongegrond; Somalië; Somaliland; zicht op uitzetting; geen lichter middel door tijdsverloop; detentiegeschikt; niet onderbouwd

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. S. Jankie),

de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: R. Hopman).

uitspraak

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.48219

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

en

Procesverloop

De minister heeft op 2 juni 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.

Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.

De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.

Vervolgens heeft de minister een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

Lichter middel
Belangenafweging

1. Eiser stelt van Somalische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [1995] .

2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 23 juli 2026 (in de zaak NL26.39127) volgt dat de maatregel

van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.

4. In wat eiser heeft aangevoerd overweegt de rechtbank als volgt.

Zicht op uitzetting

5. De rechtbank verwijst hieromtrent naar haar eerdere uitspraak van 23 juli 2026 (in de zaak NL26.39127), rechtsoverweging 5. Daaraan voegt de rechtbank toe dat het onderzoek bij de Somalische autoriteiten loopt. De minister heeft laatstelijk op 20 augustus 2026 gerappelleerd bij deze autoriteiten in verband met de afgifte van een laissez passer (lp). Niet gebleken is dat de Somalische autoriteiten op voorhand te kennen hebben geen lp te zullen verstrekken ten behoeve van eisers uitzetting. In wat eiser nu heeft aangevoerd ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding voor een ander oordeel. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

6. De rechtbank heeft zich hierover al uitgelaten in rechtsoverweging 7 van haar uitspraak van 17 juni 2026 (in de zaak NL26.30833). Eiser heeft geen nieuwe feiten en omstandigheden gesteld die thans tot een ander oordeel zouden moeten leiden. Een enkele omstandigheid van het tijdsverloop sinds die uitspraak volstaat in dit verband niet. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

Detentiegeschiktheid

7. Voor wat eiser in dit kader heeft aangevoerd, te weten dat hij detentie als zwaar ervaart en hij hierdoor veel stress heeft, overweegt de rechtbank dat deze enkele stelling van eiser dat zijn medische situatie maakt dat hij niet in bewaring kan blijven, onvoldoende is voor het oordeel dat hij detentieongeschikt is. De stelling is niet met documenten onderbouwd. Evenmin zijn voor zo'n oordeel concrete aanknopingspunten in het dossier aanwezig. In wat eiser nu heeft aangevoerd ziet de rechtbank daarom geen aanleiding voor een ander oordeel. De beroepsgrond slaagt niet.

8. Over wat eiser in het kader van de belangenafweging aanvoert, oordeelt de rechtbank dat er geen feiten of omstandigheden zijn die – gelet op de duur van deze bewaring – voor de minister aanleiding hadden moeten zijn de bewaring bij een afweging van de belangen op te heffen. Deze beroepsgrond slaagt evenmin.

Ambtshalve toetsing

9. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank niet van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was

Conclusie

10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Lenstra, rechter, in aanwezigheid van N. Dayerizadeh, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

01 september 2026

Documentcode:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. P. Lenstra

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand