RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres 1], V-nummer: [V-nummer 1], eiseres 1
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.20441 en NL24.20444
[eiseres 2] , V-nummer: [V-nummer 2], eiseres 2
hierna samen te noemen: eiseressen
(gemachtigde: mr. F. Ben-Saddek),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. S. Kuster).
Procesverloop
Op 8 september 2021 heeft [persoon A] (referent) ten behoeve van eiseressen een aanvraag ingediend tot het verlenen van een machtiging voorlopig verblijf (mvv) met als doel ‘het uitoefenen van familie en gezinsleven met referent op grond van artikel 8 van het EVRM’ (mvv-aanvraag).
Bij besluit van 1 februari 2022 (het primaire besluit) heeft verweerder de mvv-aanvraag afgewezen.
Bij besluit van 19 april 2024 heeft verweerder het bezwaar van eiseressen tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Eiseressen hebben tegen dit besluit beroep ingesteld.
Eiseressen hebben op 10 juni 2024 beroepsgronden ingediend.
Verweerder heeft op 8 juni 2026 een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 23 juni 2026 op zitting behandeld. Eiseressen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens zijn verschenen referent en [persoon B]. Als tolk is verschenen A. Ibnolfaqir.
Inleiding
1. Eiseres 1 is geboren op [geboortedatum 1]. Eiseres 2 is geboren op [geboortedatum 2]. Zij hebben allebei de Marokkaanse nationaliteit. Eiseressen beogen verblijf bij hun vader, referent, op grond van het recht op familie- en gezinsleven van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Referent is geboren op [geboortedatum 3] en heeft de Nederlandse nationaliteit. Referent heeft eerder mvv-aanvragen ingediend voor zijn echtgenote en drie minderjarige kinderen (tevens de moeder, twee broertjes en het zusje van eiseressen). Deze aanvragen zijn door verweerder ingewilligd en zij wonen inmiddels samen met referent in Nederland. Ter zitting is gebleken dat het zusje helaas is overleden.
Standpunt verweerder.
2. Verweerder heeft in het verweerschrift toegelicht dat hij tussen eiseressen en referent uitgaat van familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Volgens verweerder kan uit het bestreden besluit niet eenduidig worden afgeleid dat dit het geval is.
Verweerder heeft daarna een belangenafweging gemaakt. Zwaar in het nadeel van eiseressen en referent heeft verweerder meegewogen dat er geen toelatingsbeleid bestaat voor ouders en meerderjarige kinderen, zoals in het geval van referent en eiseressen. Minder zwaar in het nadeel van eiseressen en referent weegt volgens verweerder dat referent weliswaar een bijstandsuitkering ontvangt en niet over een eigen inkomen beschikt om in de kosten van het levensonderhoud van eiseressen te voorzien, maar dat dit van referent ook niet kan worden verwacht omdat hij arbeidsongeschikt is. In het nadeel van eiseressen en referent heeft verweerder meegewogen dat het om een eerste toelating gaat. Ook heeft verweerder in het nadeel van eiseressen en referent meegewogen dat eiseressen, afgezien van het feit dat referent, hun moeder, twee broertjes en hun inmiddels overleden zusje in Nederland wonen, zij geen band met Nederland hebben en dat zij de Nederlandse taal en cultuur niet kennen. Van objectieve belemmeringen is volgens verweerder niet gebleken. Voor zover referent financieel bijdraagt aan het levensonderhoud van eiseressen, heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat deze ondersteuning ook op afstand kan worden voortgezet.
Verweerder concludeert dat de belangen van de Nederlandse overheid zwaarder wegen dan het persoonlijk belang van eiseressen, referent en de andere gezinsleden. Daarom heeft verweerder de aanvraag afgewezen.
Standpunt eiseressen.
3. Eiseressen voeren aan dat verweerder niet heeft kunnen volstaan met pas in het verweerschrift eenduidig aan te nemen dat sprake is van familieleven tussen eiseressen en referent. Aangezien verweerder dus afhankelijkheid van eiseressen van referent heeft aangenomen, bevat het bestreden besluit innerlijke tegenstrijdigheden. Zo stelt verweerder enerzijds dat van eiseressen vanwege hun opleidingsniveau verwacht mag worden dat zij op eigen benen kunnen staan, maar stelt anderzijds ook dat referent ook vanuit Nederland eiseressen financieel zou kunnen blijven onderhouden. Deze stellingen verhouden zich moeilijk tot de door verweerder aangenomen afhankelijkheid. Daarnaast heeft verweerder volgens eiseressen ten onrechte niet meegewogen dat hun moeder na het primaire besluit naar Nederland is verhuisd, zonder dat dit door hun toedoen is gebeurd. Ook voeren eiseressen aan dat verweerder ten onrechte in hun nadeel heeft meegewogen dat referent een bijstandsuitkering ontvangt. Dit is bij de mvv-aanvragen van de andere gezinsleden ook geen afwijzingsgrond geweest. Verder voeren eiseressen aan dat wel degelijk sprake is van objectieve belemmeringen, aangezien referent chronisch ziek is. Dat geen stukken zijn overgelegd waaruit blijkt dat referent medische behandeling ondergaat, komt doordat hij ook andere dingen aan zijn hoofd heeft.
Het oordeel van de rechtbank
De belangenafweging in het kader van artikel 8 EVRM
4. Tussen partijen is niet langer in geschil dat tussen eiseressen en referent sprake is van familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM, op grond van het jongvolwassenenbeleid als bedoeld in paragraaf B7/3.8.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). De vraag is daarom alleen nog of dit familie- en gezinsleven op grond van artikel 8 van het EVRM voor bescherming in Nederland in aanmerking komt.
Uit rechtspraak, bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 14 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2449, volgt dat indien verweerder heeft vastgesteld dat er tussen een meerderjarig kind en zijn gezinsleden familie- of gezinsleven bestaat als bedoeld in artikel 8 van het EVRM, hij vervolgens in reguliere zaken een belangenafweging maakt. Daarbij weegt hij het belang van de Nederlandse Staat af tegen het belang van de betrokkenen. Bij die belangenafweging moet verweerder alle relevante feiten en omstandigheden betrekken. Dat kunnen ook feiten en omstandigheden zijn die hij ten grondslag heeft gelegd aan zijn conclusie dat sprake is van gezinsleven. De rechter toetst of verweerder alle feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken.
De rechtbank overweegt als volgt. Het jongvolwassenenbeleid in paragraaf B7/3.8.1 van de Vc bevat vier inhoudelijke cumulatieve vereisten: het meerderjarige kind moet jongvolwassen zijn, met zijn ouder(s) in gezinsverband samenleven, niet in zijn eigen onderhoud voorzien en geen zelfstandig gezin hebben gevormd. Verweerder moet aan de hand van de individuele feiten en omstandigheden een op het geval toegespitste beoordeling maken of een meerderjarig kind aan die vereisten voldoet. Zoals onder rechtsoverweging 4. al is overwogen, is tussen partijen niet in geschil dat er sprake is van familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM tussen eiseressen en referent omdat aan het jongvolwassenenbeleid wordt voldaan. De rechtbank stelt echter vast dat verweerder de feiten en omstandigheden die tot dit oordeel hebben geleid, ten eerste niet inzichtelijk heeft gemaakt in het bestreden besluit en daarnaast niet kenbaar heeft betrokken bij de in het kader van artikel 8 van het EVRM te verrichten belangenafweging. Gelet op hetgeen de rechtbank in rechtsoverweging 4.1. heeft overwogen, had verweerder deze feiten en omstandigheden wel bij die belangenafweging moeten betrekken. Tevens is van belang dat verweerder in het bestreden besluit juist lijkt te suggereren dat eiseressen niet voldoen aan de vereisten van het jongvolwassenbeleid, terwijl verweerder op zitting zich op het standpunt heeft gesteld dat eiseressen wel onder het jongvolwassenbeleid vallen. Verweerder stelt in het bestreden besluit namelijk dat, hoewel eiseressen ten tijde van het bestreden besluit bij hun moeder woonden, zij sinds haar vertrek in augustus 2023 niet langer met haar wonen in gezinsverband. De rechtbank gaat er met deze motivering vanuit dat verweerder zich op het standpunt stelt dat eiseressen niet voldoen aan het vereiste dat zij met hun ouder(s) in gezinsverband samenleven. Hoe verweerder vervolgens tot het standpunt is gekomen dat eiseressen, ondanks het feit dat niet aan dit (cumulatieve) vereiste wordt voldaan, wel onder het jongvolwassenebeleid vallen, blijkt niet uit het bestreden besluit.
Gelet op het bovenstaande heeft verweerder in het bestreden besluit niet alle van belang zijnde feiten en omstandigheden betrokken in de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep tegen het bestreden besluit is, gezien de rechtsoverwegingen 4.2. en 4.3., reeds hierom gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
6. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, omdat verweerder de geconstateerde gebreken in het bestreden besluit niet in de beroepsfase heeft hersteld. De rechtbank zal ook niet zelf in de zaak voorzien, omdat het in beginsel aan verweerder is om te beoordelen of eiseressen in aanmerking komen voor een mvv-aanvraag met als doel ‘verblijf als familie- of gezinslid op grond van artikel 8 van het EVRM’. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding voor het toepassen van een bestuurlijke lus, omdat, gelet op de aard van de gebreken, de wijze waarop die moeten worden hersteld en de aard en vorm van een eventuele vervolgprocedure bij een nieuw ongunstig besluit voor eiseressen, niet valt in te zien dat eiseressen op die manier eerder uitsluitsel krijgen in hun zaak dan als verweerder de opdracht wordt gegeven een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen binnen een termijn van 12 weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak. De rechtbank zal verweerder dan ook opdragen, met inachtneming van deze uitspraak, een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar binnen voormelde termijn.
Griffierecht en proceskosten
7. Omdat het beroep tegen het bestreden besluit gegrond wordt verklaard, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten die eiseressen in verband met hun beroep tegen het bestreden besluit hebben gemaakt. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op binnen 12 weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseressen tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Hello, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.