RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
[eiseres 1], eiseres 1
[eiseres 2], eiseres 2
de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder.
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.52401
V-nummer: [V-nummer 1]
V-nummer: [V-nummer 2]
V-nummer: [V-nummer 3]
(gemachtigde: mr. S. Petkovic),
en
Procesverloop
Bij de besluiten van 5 oktober 2023 (de primaire besluiten) heeft verweerder de aanvragen van eisers tot het verlenen van een visum voor kort verblijf afgewezen.
Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen de primaire besluiten.
Bij besluit van 19 april 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen de primaire besluiten kennelijk ongegrond verklaard.
Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 2 juli 2026 op zitting behandeld. Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Verweerder is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Tevens is verschenen [persoon A] (referent).
Overwegingen
Inleiding
1. Eiser is geboren op [geboortedatum 1]. Eiseres 1 is geboren op [geboortedatum 2]. Eiseres 2 is geboren op [geboortedatum 3] 2011. Eisers hebben de Iraanse nationaliteit. Zij hebben een visum aangevraagd om respectievelijk hun broer, schoonbroer en oom te bezoeken. Bij de primaire besluiten heeft verweerder de visumaanvragen afgewezen.
Bestreden besluit
2. Met het bestreden besluit heeft verweerder de afwijzing van de visumaanvragen van eisers gehandhaafd. Volgens verweerder hebben eisers de familieband met referent niet aangetoond, zodat zij ook het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende hebben aangetoond dan wel aannemelijk gemaakt. Daarnaast bestaat er bij verweerder redelijke twijfel over het voornemen van eisers om het grondgebied van de lidstaten voor het verstrijken van de geldigheid van het visum te verlaten.
Beoordeling door de rechtbank
Zorgvuldigheid en deugdelijke motivering
3. Eisers voeren aan dat verweerder ten onrechte is voorbijgegaan aan het voorstel om zonder eiseres 2 naar Nederland te reizen. Daarnaast blijkt uit de overgelegde werkgeversverklaring (Statement of Employment) dat eiser wel degelijk werk heeft. Ook twijfelt verweerder ten onrechte aan de authenticiteit van de bankafschriften. De data op de bankafschriften zijn namelijk vermeld in de volgorde van maand-dag-jaar en niet in de volgorde van dag-maand-jaar. De door verweerder gestelde discrepantie tussen het ISS-overzicht en de werkgeversverklaring komt enkel door de administratieve achterstand bij ISS records. Daarnaast wordt in het stuk Notice of One-Year [functie] of [naam school] officieel bevestigd dat eiseres 1 is aangesteld als directeur van een meisjesschool. Eiseres 1 beschikt daarnaast over een tot 2024 bijgewerkt ISS-overzicht dat haar volledige arbeidsverleden en actieve loopbaan van ruim 20 jaar aantoont. Eisers hebben verder aangevoerd dat verweerder ten onrechte heeft afgezien van het horen in bezwaar.
Op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder b, van Verordening 810/2009 (Visumcode) wordt een visum geweigerd indien er redelijke twijfel bestaat over de echtheid van de door de aanvrager overgelegde bewijsstukken of over de geloofwaardigheid van de inhoud ervan, de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aanvrager of zijn voornemen om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum.
De rechtbank stelt voorop dat uit het arrest Koushkaki van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2013, ECLI:EU:C:2013:862, volgt dat de autoriteiten bij het onderzoek van een visumaanvraag over een ruime beoordelingsruimte beschikken met betrekking tot de toepassingsvoorwaarden van (onder andere) artikel 32, eerste lid, van de Visumcode en de beoordeling van de relevante feiten, om te bepalen of een van de weigeringsgronden aan de aanvrager kan worden tegengeworpen. Dit betekent dat de rechtbank het standpunt van verweerder dat een weigeringsgrond zich voordoet slechts terughoudend kan toetsen.
Verweerder heeft in het bestreden besluit het standpunt ingenomen dat eisers niet een zodanige sociale binding met Iran hebben dat tijdige terugkeer naar dat land redelijkerwijs gewaarborgd is te achten. Hiertoe heeft verweerder gesteld dat eiser en eiseres 1 geen sociale band met Iran hebben voor wat betreft een eigen achterblijvend gezin waarvoor zij de verantwoordelijkheid dragen. Zij zijn immers van plan om met eiseres 2 naar Nederland te reizen. Verder hebben eisers volgens verweerder niet aangetoond dan wel aannemelijk gemaakt dat zij een regelmatig en substantieel inkomen verdienen, zodat geen sprake is van een zodanige economische binding met Iran waarmee de tijdige terugkeer naar dat land gewaarborgd is te achten.
Over de sociale binding van eisers met Iran overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat, indien eiser en eiseres 1 samen met eiseres 2 naar Nederland zouden reizen, er geen sociale band met Iran bestaat voor wat betreft een eigen achterblijvend gezin waarvoor eiser en eiseres 1 de verantwoordelijkheid dragen, zodat verweerder niet ten onrechte heeft gesteld dat tijdige terugkeer naar Iran onvoldoende gewaarborgd is te achten. Eisers hebben echter in bezwaar meermaals aangeboden om zonder eiseres 2 te reizen om twijfels bij verweerder over hun tijdige terugkeer weg te kunnen nemen. Verweerder is in het bestreden besluit op dit voorstel in zijn geheel niet ingegaan. Aangezien het reizen zonder eiseres 2 duidt op een sterkere sociale binding van eiser en eiseres 1 met Iran, had verweerder hier naar het oordeel van de rechtbank niet zonder nadere motivering aan voorbij mogen gaan. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het bestreden besluit op dit punt onzorgvuldig tot stand is gekomen en dat verweerder zich ondeugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eisers geen sociale binding met Iran hebben voor wat betreft het hebben van een eigen achterblijvend gezin waarvoor zij de verantwoordelijkheid dragen.
Over de economische binding van eisers met Iran overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank begrijpt de verwijzing van verweerder naar de werkgeversverklaring en de arbeidsovereenkomst in het bestreden besluit aldus dat hiermee wordt gedoeld op het overgelegde stuk met de naam Personnel Action. Het feit dat uit de ISS-records blijkt dat sinds juli 2023 geen sociale premies meer voor eiser worden afgedragen, roept bij verweerder terecht vragen op. De enkele verklaring dat dit komt door achterstanden in de administratie, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om deze twijfels weg te nemen. Uit de in bezwaar overgelegde bankafschriften blijkt echter dat eiser in de maanden sinds juli 2023 nog loon op zijn rekening gestort heeft gekregen. De twijfels van verweerder over de authenticiteit van de bankafschriften volgt de rechtbank niet. De datumnotatie op de overgelegde bankafschriften is – zoals eiser terecht aanvoert – in de volgorde van maand-dag-jaartal en niet – zoals verweerder ten onrechte veronderstelt – dag-maand-jaartal. Dit, in combinatie met de overgelegde werkgeversverklaring en arbeidsovereenkomst, maakt naar het oordeel van de rechtbank dat verweerder zich niet zonder nader onderzoek op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser niet heeft aangetoond dan wel aannemelijk heeft gemaakt over een regelmatig en substantieel inkomen te beschikken. Het voorgaande had aanleiding moeten zijn voor verweerder om eiser of referent hierover te horen.
Conclusie en gevolgen
4. Het beroep is gezien het voorgaande gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 7:3 en 7:12 van de Awb. Verweerder moet referent en/of eisers horen voordat opnieuw op het bezwaar kan worden beslist. Daarbij moet verweerder ook betrekken dat eiseres 1 in beroep een tot 2024 bijgewerkt ISS overzicht heeft overgelegd waaruit blijkt dat zij inmiddels een arbeidsverleden van twintig jaar heeft. Ter zitting is gesteld dat de school waar eiseres 1 als directeur werkzaam is uitsluitend met tijdelijke aanstellingen voor een schooljaar werkt. Verweerder moet beoordelen of gelet hierop sprake is van een regelmatig en substantieel inkomen waardoor eiseres 1 voldoende economische binding heeft met Iran. Voorts moet verweerder bij het nieuw te nemen besluit betrekken dat referent ter zitting zich bereid heeft verklaard om een borg te betalen.
5. Omdat het beroep gegrond is, zal de rechtbank verweerder veroordelen in de door eisers in beroep gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde in beroep beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van nadere gronden in en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1). Omdat eisers zijn vrijgesteld van het betalen van griffierecht, hoeft verweerder niet het griffierecht aan eisers te vergoeden.
Beslissing
De rechtbank verklaart:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar, met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.