RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , eiseres
de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder.
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.20903
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M. Taheri),
en
Procesverloop
Bij besluit van 20 juli 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een visum voor kort verblijf afgewezen.
Eiseres heeft op 17 augustus 2023 bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.
Bij besluit van 12 april 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres kennelijk ongegrond verklaard.
Eiseres heeft op 15 mei 2024 beroep ingesteld en op 13 juni 2024 gronden van beroep ingediend.
Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 2 juli 2026 op zitting behandeld. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder is, met bericht van afmelding, niet verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. Eiseres is geboren op [geboortedatum] en heeft de Iraanse nationaliteit. Zij heeft een visum aangevraagd om haar zoon, [persoon A] (referent), te bezoeken. Met het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen op grond van artikel 32, eerste lid, onder a) ii en onder b) van Verordening (EG) nr. 810/2009 (Visumcode).
Bestreden besluit
2. Met het bestreden besluit heeft verweerder de afwijzing van de visumaanvraag van eiseres gehandhaafd. Aan de afwijzing heeft verweerder ten grondslag gelegd dat niet is gebleken van een zodanige sociale en economische binding van eiseres met Iran, dat haar tijdige terugkeer redelijkerwijs gewaarborgd is, zodat er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eisers om het grondgebied van de lidstaten voor het verstrijken van de geldigheid van het visum te verlaten. Volgens verweerder kan daarmee ook het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf van eiseres in Nederland onvoldoende worden vastgesteld.
Beroepsgronden
3. Eiseres betoogt dat zij wel degelijk sociale binding met Iran heeft. Daartoe voert eiseres aan dat zij in Iran een man heeft met wie zij al tien jaar een relatie heeft en met wie zij islamitisch is getrouwd. Ter onderbouwing hiervan heeft eiseres een huwelijksakte en foto’s overgelegd. Dat deze stukken volgens verweerder niet objectief zijn, komt omdat eiseres in bewijsnood verkeert. Daarnaast voert eiseres aan dat haar gehele sociale leven zich in Iran afspeelt en dat zij daar bovendien zorgdraagt voor haar zieke moeder die gedeeltelijk blind is. Dat mogelijk een ander de zorg voor haar kan overnemen, is volgens eiseres geen grond om aan te nemen dat geen sprake is van sociale binding met Iran. Indien desondanks zou worden geoordeeld dat er geen sociale binding is met Iran, hoeft dit volgens eiseres aan de toewijzing van de visumaanvraag niet in de weg te staan, aangezien er geen redelijke twijfel bestaat dat eiseres Nederland niet tijdig zal verlaten. Eiseres wijst er ook op dat referent (tevens garantsteller) meermalen heeft bewezen betrouwbaar te zijn.
Eiseres betoogt daarnaast dat zij wel degelijk economische binding met Iran heeft. Het niet hebben van een baan betekent volgens eiseres niet dat geen sprake is van economische binding. Eiseres volgt namelijk een opleiding om advocaat te worden. Daarnaast voert eiseres aan dat zij twee woningen in haar bezit heeft, waarvan zij er één verhuurt, en dat zij beschikt over twee spaarrekeningen, waar zij eveneens inkomen mee genereert. Ook wordt door haar partner geld op haar rekening gestort, beschikt zij over een auto en ontvangt zij een nabestaandenuitkering. De reden dat eiseres niet met haar partner voor de wet is getrouwd, is omdat zij anders haar nabestaandenuitkering zou moeten opgeven. Dat voor deze zaken geen verblijf in Iran is vereist, is geen grond om aan te nemen dat geen economische binding met Iran bestaat. Onder verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 11 december 2025 (ECLI:NL:RBOVE:2025:7263), betoogt eiseres ook dat verweerder haar hiermee discrimineert.
Verder heeft verweerder ten onrechte nagelaten eiseres te horen in de bezwaarfase.
Juridisch kader
4. Op grond van artikel 32, eerste lid, van de Visumcode, voor zover van belang, wordt een visum geweigerd:
a. indien de aanvrager:
[…]
ii. het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet heeft aangetoond;
[…]
of
b. indien er redelijke twijfel bestaat over de echtheid van de door de aanvrager overgelegde bewijsstukken of over de geloofwaardigheid van de inhoud ervan, de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aanvrager of zijn voornemen om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum.
Beoordeling
5. De rechtbank stelt voorop dat uit het arrest Koushkaki van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2013, ECLI:EU:C:2013:862, volgt dat de autoriteiten bij het onderzoek van een visumaanvraag over een ruime beoordelingsruimte beschikken met betrekking tot de toepassingsvoorwaarden van (onder andere) artikel 32, eerste lid, van de Visumcode en de beoordeling van de relevante feiten, om te bepalen of een van de weigeringsgronden aan de aanvrager kan worden tegengeworpen. Dit betekent dat de rechtbank het standpunt van verweerder dat een weigeringsgrond zich voordoet slechts terughoudend kan toetsen.
Twijfel over tijdige terugkeer
6. Ten aanzien van het standpunt van verweerder dat er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eiseres om het grondgebied van de lidstaten voor het verstrijken van de geldigheid van het gevraagde visum te verlaten (weigeringsgrond als bedoeld in artikel 32, eerste lid, aanhef en onder b, van de Visumcode), overweegt de rechtbank als volgt.
Bij zijn beoordeling of er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van de vreemdeling om tijdig terug te keren naar het land van herkomst mag verweerder zich in belangrijke mate laten leiden door de intensiteit van de sociale en economische binding van die vreemdeling met zijn land van herkomst. Al naar gelang de sociale en/of economische binding geringer of juist sterker is, zal ook de twijfel over het voornemen van de vreemdeling om tijdig terug te keren toe- of afnemen.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder niet hoeven aannemen dat de sociale binding van eiseres met Iran zo sterk is dat de tijdige terugkeer naar dat land gewaarborgd is te achten. Eiseres heeft geen kinderen in Iran. Daar staat tegenover dat haar zoon in Nederland verblijft, wat juist als een sterke aanwijzing voor sociale binding met Nederland kan worden gezien. Over het islamitisch huwelijk heeft eiseres verklaard dat zij en haar partner ongeveer tien jaar een relatie hebben, dat zij enkele dagen per week bij hem verblijft en dat hij maandelijks een bedrag op haar bankrekening stort. Hoewel niet in geschil is dat sprake is van een islamitisch huwelijk, heeft verweerder daarin geen aanleiding hoeven zien om een substantiële sociale binding met Iran aan te nemen zodat tijdige terugkeer gewaarborgd is te achten. Eiseres en haar partner wonen niet permanent samen en eiseres heeft bovendien onvoldoende aangetoond dat zij en haar partner daadwerkelijk bij elkaar verblijven. De overgelegde huwelijksakte en foto’s zijn onvoldoende om tot een andere conclusie te komen. De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat zij in bewijsnood verkeert. Niet valt in te zien waarom eiseres niet met stukken zou kunnen onderbouwen dat zij en haar partner daadwerkelijk bij elkaar verblijven. Verder heeft eiseres niet met stukken onderbouwd dat zij zorg draagt voor haar moeder. Hoewel uit de overgelegde medische verklaring blijkt dat de moeder van eiseres gedeeltelijk blind is en dat zij speciale zorg van haar dochter nodig heeft, heeft eiseres niet nader onderbouwd waar die zorg dan uit bestaat. Daarnaast blijkt uit de Vragenlijst visumaanvraag dat eiseres twee zussen en een broer in Iran heeft. Eiseres heeft niet nader onderbouwd waarom haar zussen en broer de zorg voor hun moeder niet zouden kunnen overnemen of waarom uitsluitend eiseres deze zorg kan verlenen. Tot slot is ook niet gebleken van andere zwaarwegende maatschappelijke verplichtingen die maken dat sprake is van een zodanige sociale binding met Iran dat tijdige terugkeer naar dat land redelijkerwijs gewaarborgd kan worden geacht.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder eveneens niet hoeven aannemen dat de economische binding van eiseres met Iran zo sterk is dat tijdige terugkeer naar dat land gewaarborgd is te achten. Niet in geschil is dat eiseres niet werkzaam is, wat een sterke aanwijzing vormt dat eiseres geen economische binding met Iran heeft. Daargelaten of de overschrijvingen op de bankrekening van eiseres daadwerkelijk een nabestaandenuitkering betreffen, heeft eiseres niet aangetoond dat zij in Iran moet zijn om deze uitkering te kunnen ontvangen. Dat eiseres inkomsten ontvangt met de verhuur van een van haar woningen, heeft verweerder eveneens onvoldoende kunnen achten voor de conclusie dat zij voldoende economische binding met Iran heeft. Eiseres heeft niet aangetoond dat haar fysieke aanwezigheid vereist is voor het innen van de huur of voor het beheer van (een van) de woningen. Ook de omstandigheden dat eiseres inkomen verdient met haar twee spaarrekeningen, geld van haar partner ontvangt en een auto in Iran heeft, heeft verweerder daarvoor onvoldoende kunnen achten. Tot slot treft ook de door eiseres aangehaalde uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, van 11 december 2025 (ECLI:NL:RBOVE:2025:7263) geen doel. Anders dan in die zaak heeft eiseres niet de pensioengerechtigde bereikt. Daarbij merkt de rechtbank bovendien op dat, zoals ook uit rechtsoverweging 6.1. volgt, de mate van intensiteit van de sociale en de economische binding voor verweerder bepaalt of er redelijke twijfel is en dat deze dus in samenhang worden bezien.
De omstandigheid dat de referent zich garant heeft gesteld en de stelling dat de referent zich in het verleden niet onbetrouwbaar heeft getoond, hebben verweerder – in het licht van wat hiervoor is overwogen ten aanzien van de sociale en economische binding – niet tot een andere conclusie hoeven leiden. De betrouwbaarheid of bereidheid van een referent dan wel garantsteller is een omstandigheid die aan de persoon van die derde is verbonden en deze kan de vastgestelde gebreken in de individuele economische en sociale binding van de aanvrager met het land van herkomst niet compenseren.
Gelet op het voorgaande heeft verweerder deugdelijk gemotiveerd dat er in het geval van eiseres sprake is van vestigingsgevaar. Deze grond is op zichzelf reeds voldoende om de weigering van het visum voor kort verblijf te dragen.
De beroepsgronden slagen niet.
Hoorplicht
7. Verweerder mag slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht van het horen in bezwaar afzien als het bezwaar kennelijk ongegrond is. Een bezwaar is kennelijk ongegrond als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat het in bezwaar aangevoerde niet tot een ander standpunt kan leiden dan in het primaire besluit is vervat. Dit wordt beoordeeld aan de hand van de inhoud van het bezwaarschrift, in samenhang met de motivering van het eerste besluit. Naar het oordeel van de rechtbank deed een dergelijke situatie zich hier voor. Eiseres was er in het primaire besluit al op gewezen dat zij onvoldoende had aangetoond dat zij een sterke sociale en economische binding heeft met Iran. Nu dit aspect in bezwaar onvoldoende is onderbouwd, heeft verweerder van het horen van eiseres en referent kunnen afzien. Verweerder heeft dan ook terecht het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard. De stelling van eiseres dat referent heeft aangegeven garant te willen staan en dat het bezwaar daarom niet kennelijk ongegrond had kunnen worden verklaard, volgt de rechtbank, mede gelet op hetgeen in rechtsoverweging 6.4. is overwogen, niet. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen van het beroep tegen het bestreden besluit
8. Het beroep is ongegrond.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.