RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. R.M. Seth Paul),
de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. K. Bruin).
uitspraak
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.36943
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
en
Procesverloop
De minister heeft op 24 april 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
Vervolgens heeft de minister een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Overwegingen
Belangenafweging
1. Eiser stelt van Nigeriaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [1990] .
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 5 juni 2026 (in de zaak NL26.28865) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
4. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende voortvarend handelt. Eisers nationaliteit en identiteit zijn op 19 juni 2026 bevestigd door de Nigeriaanse autoriteiten. Vervolgens heeft de minister op 24 juni 2026 een vertrekgesprek met eiser gevoerd, waarin eiser weliswaar verklaart dat hij graag in Europa zou willen blijven, maar de minister heeft niet aan eiser gevaagd of hij wil meewerken aan zijn terugkeer. Eiser heeft niet verklaard dat hij zich zal verzetten tegen zijn terugkeer naar Nigeria. Toch heeft de minister een vlucht met escorts aangevraagd, wat aanzienlijk langer duurt. Tussen de vaststelling van eisers identiteit en nationaliteit op 19 juni 2026 en zijn geplande verwijdering op 12 juli 2026 verloopt nu bijna een maand. De minister heeft hiermee onzorgvuldig en onvoldoende voortvarend gehandeld waardoor de maatregel van bewaring inmiddels onrechtmatig voortduurt, aldus eiser.
5. De rechtbank overweegt als volgt.
Het voortvarendheidsvereiste
6. Uit de voortgangsgegevens blijkt dat eiser op 19 juni 2026 in persoon is gepresenteerd bij de Nigeriaanse autoriteiten, waarna deze autoriteiten eisers nationaliteit hebben bevestigd. Vervolgens heeft de minister op 22 juni 2026 een vlucht aangevraagd met escorts en op 26 juni 2026 is een vluchtakkoord ontvangen. De minister is voor het plannen van een vlucht met escorte afhankelijk van de Koninklijke Marechaussee. Daarnaast heeft de minister in zijn verweerschrift van 8 juli 2026 toegelicht dat er eerst een reisdocument dient te worden afgegeven door de Nigeriaanse autoriteiten alvorens eiser kan worden uitgezet. De rechtbank acht de benodigde termijn om de uitzetting te realiseren in dit geval niet onredelijk. De stelling van eiser dat een vlucht met escorts niet nodig is, volgt de rechtbank niet. De minister heeft zich, gelet op de houding van eiser, op het standpunt mogen stellen dat een vlucht met escorts noodzakelijk is. Gelet op deze omstandigheden is er thans geen grond voor het oordeel dat de minister onvoldoende voortvarend of onzorgvuldig aan de voorbereiding van de uitzetting van eiser werkt. De beroepsgrond slaagt niet.
7. Voor zover eiser beoogt te betogen dat een belangenafweging in zijn voordeel dient uit te vallen, oordeelt de rechtbank dat er geen feiten of omstandigheden zijn die
– gelet op de duur van deze bewaring – voor de staatssecretaris aanleiding hadden moeten zijn de bewaring bij een afweging van de belangen op te heffen. Deze beroepsgrond slaagt evenmin.
Ambtshalve toetsing
8. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Janssen, rechter, in aanwezigheid van
N. Dayerizadeh, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
10 juli 2026
Documentcode:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.