RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.40899
(gemachtigde: mr. G.S.S. de Kok),
en
(gemachtigde: mr. L. Hartog).
Procesverloop
1. Met het bestreden besluit van 21 juli 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 28 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde, C.G.M. Lemmen als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
2. Eiser stelt de Eswatinische nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 1985.
Nadere gronden van beroep op de zitting
3. Eiser heeft op 27 juli 2026 schriftelijke gronden ingediend. Ter zitting heeft eiser deze gronden aangevuld. Verweerder stelt zich op het standpunt dat, indien er schriftelijke gronden zijn ingediend, het aanvullen van de gronden op zitting in strijd is met de goede procesorde.
4. De rechtbank overweegt hierover dat het op bewaringszittingen gebruikelijk is dat beroepsgronden (pas) op zitting naar voren worden gebracht. Dat eiser in dit geval uit zorgvuldigheid voor zitting al gronden heeft ingediend, maakt dit niet anders. Er is geen rechtsregel die eraan in de weg staat om de gronden op de bewaringszitting aan te vullen nadat er al schriftelijk gronden zijn ingediend. De mogelijke complexiteit daarvan doet daar niet aan af, omdat de rechtbank dan eventueel de mogelijkheid kan bieden daarop na de zitting nog schriftelijk te reageren. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om te oordelen dat het indienen van de nadere gronden op de zitting in strijd is met de goede procesorde. De aanvullende gronden neemt de rechtbank dus mee in de beoordeling.
De gronden van de maatregel van vreemdelingenbewaring
5. Verweerder heeft op 21 juli 2026 aan eiser de onderhavige maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. De maatregel van bewaring wordt opgelegd omdat er concrete aanwijzingen bestaan dat eiser valt onder de werkingssfeer van de Asiel- en migratiebeheerverordening (Verordening (EU) 2024/1351) en omdat een overdrachtsbesluit is genomen ten aanzien van eiser op 7 april 2026. Daarnaast wordt de maatregel gevorderd door het belang van de openbare orde omdat er een onderduikrisico bestaat.
6. In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening;m. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en onmiddellijke overdracht of overdracht op zeer korte termijn noodzakelijk is ten behoeve van het realiseren van de overdracht binnen de termijn die geldt op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening na het akkoord van de lidstaat die verantwoordelijk is op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
7. Ter zitting heeft verweerder de gronden m en p laten vallen. Eiser heeft de overige gronden betwist.
8. De rechtbank is van oordeel dat grond k feitelijk juist is. Vaststaat dat eiser er van op de hoogte was dat hij op 8 juli 2026 om 04:14 uur klaar moest staan bij de receptie voor zijn overdracht naar Roemenië. Maar niet in geschil is dat eiser daar toen niet is verschenen. Uit de TBBA-formulier volgt dat het COA vervolgens naar de unit van eiser is gegaan. Eiser was aanwezig maar was te moe om mee te gaan. DV&O is toen vertrokken zonder eiser. Eiser stelt (kort gezegd) dat hij zich heeft verslapen maar niks heeft gehoord en ook niet wakker is gemaakt, terwijl hij wel alles klaar had staan om te vertrekken. Staan blijft echter in de eerste plaats dat hij niet is verschenen bij de receptie, terwijl dat wel zijn verantwoordelijkheid was. Dat dit weliswaar een vroeg tijdstip was, doet daar niet aan af. Dat is ook uitdrukkelijk met eiser besproken. Daarnaast heeft de rechtbank overigens geen aanleiding te twijfelen aan wat in het TBBA-formulier staat over het vervolg. Eisers eigen verklaring over wat er volgens hem is gebeurt, is onvoldoende daarvoor. Daar komt bij dat de rechtbank het niet aannemelijk vind dat medewerkers van het COA naar de kamer van eiser zijn gegaan (toen hij niet bij de receptie verschenen was voor zijn overdracht aan Roemenië), hem daar zagen slapen en vervolgens zonder eiser (proberen) wakker te maken weer zijn weggegaan. Verweerder kon zich dan ook op het standpunt stellen dat eiser op 8 juli 2026 niet heeft meegewerkt aan zijn overdracht aan Roemenië. Eiser heeft bovendien in onder meer het aanmeldgehoor verklaart niet terug te willen keren naar Roemenië. Dat kon verweerder in de hele context meewegen. Dat eiser daarna in gesprekken ook aangeeft dat dit anders is wanneer de rechter bepaalt dat hij terug zal moeten keren naar Roemenië, doet daar niet aan af. Van belang daarbij is ook dat eiser op 8 juli 2026 – dus nadat de rechtbank in de uitspraak van 24 juni 2026 de rechtsgevolgen van het overdrachtsbesluit in stand heeft gelaten – niet heeft meegewerkt aan zijn overdracht. Eiser heeft ook daarna zelf geen actie meer ondernomen om naar Roemenië terug te keren of contact opgenomen voor een overdracht. De rechtbank verwijst daarbij ook naar wat is overwogen in rechtsoverweging 12 over wat eiser daarover toelichtte. Tot slot heeft eiser in het bewaringsgehoor ook weer verklaard dat hij niet terug wil naar Roemenië. Verweerder heeft daarmee voldoende toegelicht dat eiser geen medewerking verleent aan zijn overdracht, zodat grond k kan worden tegengeworpen.
9. De rechtbank is verder van oordeel dat ook de gronden r en s feitelijk juist zijn en dat in de maatregel ook voldoende is gemotiveerd waarom hieruit het onderduikrisico volgt. Eiser staat namelijk niet op een adres inschreven in de Basis Registratie Personen, terwijl dit volgens vaste jurisprudentie wel is vereist om te kunnen spreken van een vaste- en woonplaats. Dat eiser in het COA verbleef, maakt dit niet anders. Uit vaste rechtspraak volgt namelijk dat zijn verblijf in een asielzoekerscentrum niet volstaat als een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland. Daarnaast is eiser voor zijn levensonderhoud afhankelijk van het COA en heeft hij zelf verklaard dat hij niets heeft. Eiser heeft dus niet voldoende middelen van bestaan. Dat eiser vind dat dit hem niet kan worden tegengeworpen omdat hij een asielzoeker is en derhalve niet kan werken, deelt de rechtbank niet. Zoals verweerder terecht heeft gesteld kan een vreemdeling ook andere middelen van bestaan hebben.
10. De gronden k, r en s zijn feitelijk juist, voldoende toegelicht in de maatregel en daarom samen terecht aan de maatregel ten grondslag gelegd. Hiermee is het onderduikrisico al voldoende gemotiveerd. De betwiste grond a behoeft daarom geen bespreking.
Lichter middel
11. Eiser voert (samengevat) aan dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel. Uit de vertrekgesprekken volgt volgens eiser dat hij bereid is mee te werken aan een overdracht aan Roemenië. Uit het enkele feit dat eiser zich in de ochtend van 8 juli 2026 heeft verslapen kan niet geconcludeerd worden dat eiser zijn overdracht heeft gefrustreerd. Eiser is altijd aanwezig geweest op het AZC en niet valt in te zien waarom verweerder hem in de ochtend van 8 juli 2026 niet heeft wakker gemaakt en op transport heeft meegenomen. Daar komt bij dat, in tegenstelling tot hetgeen in de maatregel is vermeld, eiser wel degelijk actie heeft ondernomen om zijn overdracht te bewerkstelligen.
12. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op goede gronden geen lichter middel heeft toegepast en dat dit in de maatregel ook voldoende is toegelicht. Voorop staat daarbij het gemotiveerde onderduikrisico. Verweerder kon daarbij verder betrekken dat uit de houding van eiser niet is gebleken dat hij vrijwillig wenst te vertrekken naar, dan wel te worden overgedragen aan Roemenië. Daarvoor verwijst de rechtbank ook naar wat daarover bij grond k (rechtsoverweging 8) is overwogen. Wat eiser (ook) in verband met een lichter middel daarover aanvoert en dat hij beschikbaar was in het COA, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat verweerder hem niet in bewaring kon stellen in verband met zijn overdracht aan Roemenië. Dat eiser – zoals nu wordt toegelicht in de beroepsgronden – kort na de geplande afspraak op 8 juli 2026 alsnog naar de receptie is gegaan waarbij hem zou zijn verteld dat hij moest wachten op een brief van DT&V blijkt verder nergens uit en vindt ook geen ondersteuning in de overige informatie over eisers houding, gedrag en verklaringen in het dossier. Die toelichting is daarom onvoldoende voor de conclusie dat eiser wel meewerkte en doet daarom niet af aan het oordeel van de rechtbank over een lichter middel. Dat geldt ook voor zijn opmerking dat hij vervolgens ‘overrompeld was’ dat hij op 21 juli 2026 van zijn bed is gelicht zonder dat iets met hem is kortgesloten. In de maatregel is verder voldoende rekening gehouden met zijn medische situatie. Daarnaast heeft eiser geen feiten of omstandigheden aangevoerd die maken dat de bewaring voor hem onevenredig bezwarend is (geworden) en de rechtbank zijn die ook niet gebleken. Daarbij overweegt de rechtbank voor de volledigheid nog dat al op 22 juli 2026 een vlucht is aangevraagd en dat een vlucht naar Roemenië staat gepland voor 31 juli 2026, zodat de bewaring relatief kort duurt.
Verlenging uiterste overdrachtstermijn
13. Eiser stelt zich ook op het standpunt dat de maatregel na afloop van de oorspronkelijke overdrachtstermijn op 26 juli 2026 onrechtmatig is omdat de overdrachtstermijn volgens eiser ten onrechte is verlengd.
14. De rechtbank is van oordeel dat eiser terecht op grond van artikel 59a, eerste lid van de Vw, in vreemdelingenbewaring is gesteld en dat die nu ook nog op die grondslag voortduurt. Bij een inbewaringstelling op deze grond geldt dat de Asiel- en migratiebeheerverordening van toepassing moet zijn op de vreemdeling. Dit betekent dat er een aanknopingspunt moet zijn dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag. Uit het claimakkoord en het overdrachtsbesluit volgt dat Roemenië verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers asielaanvraag. De vraag die eiser aan de orde stelt is of Roemenië na afloop van de oorspronkelijke overdrachtstermijn op 26 juli 2026 ook nog de verantwoordelijke lidstaat is, en of de bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw dan dus nog rechtmatig is. De rechtbank stelt daarover vast dat een besluit tot het verlengen van de overdrachtstermijn is genomen dat in een brief van 14 juli 2026 op de juiste wijze bekend is gemaakt aan de gemachtigde die eiser bijstond in zijn beroep tegen het overdrachtsbesluit (de termijn wordt verlengd tot en met 26 januari 2029). Dat heeft eiser niet betwist. Daarnaast zit er een brief (van 14 juli 2026 en een gecorrigeerde van 20 juli 2026) in het dossier waarin verweerder de Roemeense autoriteiten informeert over de verlenging van de overdrachtstermijn. Daarmee is sprake van een op juiste wijze bekendgemaakt en dus geldig verlengingsbesluit. Op basis hiervan is de rechtbank van oordeel dat er ook na afloop van de oorspronkelijke overdrachtstermijn op 26 juli 2026 nog een aanknopingspunt is dat Roemenië de verantwoordelijke lidstaat is en dat de Asiel- en migratiebeheerverordening dus van toepassing is op eiser. Dat eiser vindt dat de overdrachtstermijn ten onrechte is verlengd, leidt niet tot een ander oordeel. Daarvoor staat immers een afzonderlijke beroepsprocedure tegen het verlengingsbesluit open. Aan het eind van de dag voor de zitting heeft eiser (alsnog) beroep ingesteld tegen het verlengingsbesluit. In die procedure zal eiser zijn gronden over het verlengingsbesluit naar voren moeten brengen. Het is niet aan de bewaringsrechter om in de bewaringsprocedure alvast vooruit te lopen op een oordeel over de rechtmatigheid van het verlengingsbesluit dan wel een oordeel te geven over de kans van slagen van het beroep tegen de verlenging van de overdrachtstermijn. De rechtbank is daarbij van oordeel dat het Adrar-arrest (waarnaar eiser in dat verband verwijst) niet zover strekt.
Motivering maatregel
15. Eiser voert aan dat de maatregel van bewaring onvoldoende is gemotiveerd nu de verlenging van de overdrachtstermijn nergens in de maatregel wordt genoemd.
16. De rechtbank is van oordeel dat dat dit geen motiveringsgebrek oplevert en niet afdoet aan de rechtmatigheid van de maatregel. Gelet op het claimakkoord van 26 januari 2026 had verweerder tot en met 26 juli 2026 om eiser over te dragen. De overdrachtstermijn is (zoals in rechtsoverweging 14 is overwogen) vervolgens verlengd tot 26 januari 2029 en dit is op de juiste wijze bekend gemaakt. Daarvoor is niet noodzakelijk dat die verlenging ook in de maatregel wordt genoemd. Eiser had hier (overigens) dus van op de hoogte kunnen zijn en (eerder) rechtsmiddelen kunnen instellen tegen de verlenging als hij het daarmee oneens was. Dat er al wel een verlengingsbesluit was dat niet in de maatregel staat genoemd leidt in dit geval weliswaar tot de conclusie dat grond m niet kan worden tegengeworpen, maar maakt (gelet op wat daarover hiervoor is overwogen) niet dat het opleggen van de maatregel voor het overige onvoldoende is gemotiveerd. Uit wat is overwogen in rechtsoverweging 14 volgt verder dat de maatregel ook ná 26 juli 2026 rechtmatig was wegens het verlengingsbesluit. Dat het verlengingsbesluit als zodanig niet in de maatregel wordt benoemd, doet niet af aan de geldigheid dan wel rechtmatigheid van (het opleggen dan wel het voorduren van) de maatregel van vreemdelingenbewaring.
Ambtshalve toetsing
17. De rechtbank heeft tenslotte ook ambtshalve de overige aspecten die de rechtmatigheid van de maatregel betreffen beoordeeld en concludeert dat de vreemdelingenbewaring in de te toetsen periode niet onrechtmatig is geweest.
Conclusie en gevolgen
18. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Broier, rechter, in aanwezigheid van mr. D. Damoiseaux, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 31 juli 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.