RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.7122
(gemachtigde: mr. M.S. Nizamoeddin),
en
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Procesverloop
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn opvolgende aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag). Verweerder heeft met het bestreden besluit van 3 februari 2026 de opvolgende asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, onder g, Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Tevens zijn het op 19 augustus 2024 opgelegde terugkeerbesluit en inreisverbod voor de duur van 10 jaar en het besluit tot signalering in het Schengen Informatie Systeem (SIS) voor de duur van 10 jaar nog steeds geldig en van toepassing.
De rechtbank heeft het beroep op 15 september 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen. Als tolk is verschenen [naam tolk]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn procesvertegenwoordiger.
Overwegingen
Inleiding
1. Eiser heeft de Nigeriaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] . Hij heeft op 10 september 2025 de opvolgende asielaanvraag ingediend.
Eiser heeft op 4 juli 2019 voor het eerst asiel aangevraagd in Nederland. Op 10 oktober 2019 is deze aanvraag niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk was voor deze behandeling. Op 24 februari 2021 is de overdrachtstermijn verlopen.
Vervolgens heeft eiser op 25 november 2021 opnieuw een asielaanvraag ingediend. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij problemen heeft met [persoon A] , met wie hij in 2015 een geschil had over het eigendom van het land van eiser. Volgens eiser ontstond er een vechtpartij waarbij [persoon A] om het leven is gekomen. Eiser moest Nigeria daarom verlaten.
Bij het besluit van 19 augustus 2024 is de uitsluitingsgrond van artikel 1(F) van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (Vluchtelingenverdrag) op eiser van toepassing geacht. De asielaanvraag van eiser is als kennelijk ongegrond afgewezen. Ook heeft verweerder een terugkeerbesluit, een inreisverbod van de duur van 10 jaar en een besluit tot signalering in het SIS uitgevaardigd. Bij uitspraak van 31 juli 2025 (NL24.33118) heeft de rechtbank het tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Daarmee staat het besluit van 19 augustus 2024 in rechte vast.
Het asielrelaas
2. Eiser heeft aan zijn herhaalde asielaanvraag van 10 september 2025 ten grondslag gelegd dat hij van zijn broer heeft vernomen dat [persoon A] nog leeft, dat hij ondergedoken heeft gezeten en dat hij eiser zal bedreigen bij terugkeer naar Nigeria. Eiser heeft ook documenten van de Nigeriaanse politie overgelegd.
Het bestreden besluit
3. Verweerder heeft in het bestreden besluit de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw. De informatie en door eiser overgelegde documenten worden beschouwd als nieuw gebleken elementen die relevant kunnen zijn voor de aanvraag van eiser. Naar aanleiding van deze nieuwe elementen en bevindingen is eiser gehoord en de overgelegde documenten zijn onderzocht door Bureau Documenten. Deze documenten en nieuwe verklaringen leiden niet tot een ander oordeel over de tegenwerping van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag. Ten aanzien van artikel 3 EVRM, het eerder opgelegde terugkeerbesluit, het inreisverbod en het besluit tot signalering in het SIS niets aangevoerd dat noopt tot een ander oordeel dan reeds verwoord in de eerdere beschikking van 19 augustus 2024 die in rechte
is komen vast te staan.
Beoordeling
Nieuwe elementen en bevindingen
4. Eiser voert - in de kern - de volgende beroepsgronden aan. Het bestreden besluit is onzorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd genomen. Er kan niet worden vastgehouden aan het oordeel dat eiser een misdaad tegen de menselijkheid heeft gepleegd op grond van 1F van het Vluchtelingenverdrag, nu uit de overgelegde documenten en de verklaringen die eiser heeft afgelegd volgt dat [persoon A] nog leeft. Verweerder is gehouden om bewijswaarde toe te kennen aan de door eiser overgelegde documenten. Dit volgt ook uit rechtsoverwegingen 39 e.v. en 46 van het arrest L.H. van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 9 september 2021, ECLI:NL:EC:C:2021:478 en uit overweging 62 van de Conclusie van Advocaat-Generaal Hogan in hetzelfde arrest. De inhoud van de documenten steunen het asielrelaas van eiser. Verweerder had deze daarom nader moeten onderzoeken. Verweerder mag niet zonder meer aan eiser tegenwerpen dat de geloofwaardigheidsbeoordeling in rechte vaststaat, dat is een momentopname. Ter onderbouwing verwijst eiser naar de uitspraak van rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond van 19 april 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:5570, in het bijzonder naar voetnoot 7 waarin voor de betekenis van de formele rechtskracht naar de annotatie van mr. M.W. Venderbos bij AB 2022/337, overweging 13 e.v. is verwezen. Deze uitspraak is bevestigd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) op 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1248. Het is aan verweerder om aan te tonen dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat een vreemdeling een van de zeer ernstige misdrijven, bedoeld in artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag, heeft gepleegd. Ter onderbouwing verwijst eiser naar de uitspraken van de Afdeling van 1 november 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3684 en van 11 mei 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1267. Tot slot heeft eiser aangevoerd dat sprake is van schending van artikel 3 van het EVRM bij terugkeer. Ook is het inreisverbod ondeugdelijk gemotiveerd.
Bij de beoordeling van een opvolgende aanvraag moet verweerder eerst beoordelen of er nieuwe elementen of bevindingen zijn. Daarna moet verweerder beoordelen of de nieuwe elementen of bevindingen relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de asielaanvraag. Dit houdt in dat zij de kans aanzienlijk groter maken dat eiser in aanmerking komt voor internationale bescherming. Dit volgt uit het arrest L.H. van het Hof en de uitspraak van de Afdeling van 26 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:208.
Niet in geschil is dat met de door eiser overgelegde documenten en afgelegde verklaringen sprake is van nieuwe elementen en bevindingen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat deze niet relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de asielaanvraag. Uit de verklaring van onderzoek van Bureau Documenten blijkt dat de verschijningsvorm van de documenten die eiser heeft overgelegd afwijken van het beschikbare vergelijkingsmateriaal. De documenten zijn hoogstwaarschijnlijk niet echt. Betreffende de inhoud van de documenten komt Bureau Documenten tot de conclusie dat niet vastgesteld kan worden of deze inhoudelijk juist zijn. Eiser heeft aanvullend een scan van een politieverklaring overgelegd. In de verklaring van onderzoek van dat document benoemt Bureau Documenten dat de autorisatiestempel ontbreekt. Gelet daarop en op het ontbreken van voldoende, betrouwbaar vergelijkingsmateriaal kan voor wat betreft de echtheid, opmaak en afgifte van het document geen uitspraak worden gedaan. Daarom kan niet worden vastgesteld of het document inhoudelijk juist is. Een rapportage van Bureau Documenten is een deskundigenbericht. Dit blijkt ook uit de uitspraak van de Afdeling van 19 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1904. Verweerder mag er in beginsel van uitgaan dat de verklaring van onderzoek op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Uit de verklaringen van onderzoek van Bureau Documenten blijkt ook dat er gebruik is gemaakt van vergelijkingsmateriaal. De rechtbank gaat dan ook voorbij aan de niet onderbouwde stelling van eiser dat Nigeriaanse documenten niet te autoriseren zijn. Daarnaast heeft verweerder eiser gehoord over de overgelegde documenten. Eiser heeft in het gehoor verklaard dat hij via zijn broer heeft vernomen dat [persoon A] nog in leven is. Deze verklaring heeft verweerder terecht aangemerkt als een verklaring van een niet objectief verifieerbare verklaring van een derde. Verweerder heeft er dan ook niet de waarde aan hoeven hechten die eiser daaraan wenst te hechten.
Gelet op het voorgaande zijn de overgelegde documenten deugdelijk onderzocht en beoordeeld tezamen met de afgelegde verklaringen. Verweerder heeft de opvolgende asielaanvraag dan ook, in lijn met ECLI:NL:RBDHA:2023:5570 en ECLI:NL:RVS:2024:1248, beoordeeld. Nu verweerder zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat deze niet relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de asielaanvraag, kon hij verwijzen naar het in rechte vaststaande besluit van 31 juli 2025 (NL24.33118). De stelling dat door verweerder nader onderzoek moet worden gedaan volgt de rechtbank dan ook niet. De beroepsgrond slaagt niet.
Artikel 3 van het EVRM, het terugkeerbesluit en het inreisverbod
5. Eiser voert aan dat hij zich niet veilig kan vestigen in Nigeria. Terugkeer schendt het non-refoulement beginsel van artikel 4 en artikel 19, tweede lid, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest). Verweerder is verplicht om op grond van artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn een actualiteitstoets toe te passen. Het inreisverbod is eveneens ondeugdelijk gemotiveerd. Eiser heeft namelijk een vriendin en heeft plannen om zich samen met haar in Nederland te vestigen. Een inreisverbod zal een inbreuk op het privéleven vormen en raakt eiser onevenredig hard.
Gelet op hetgeen onder 4.2 en 4.3 is overwogen, kon verweerder verwijzen naar het in rechte vaststaande besluit van 31 juli 2025 (NL24.33118). Daarin is reeds een terugkeerbesluit en inreisverbod aan eiser opgelegd. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het beginsel van non-refoulement of artikel 3 van het EVRM zich verzet tegen verwijdering van eiser. Niet is gebleken dat het terugkeerbesluit in strijd met de actualiteitstoets van artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn is genomen. Eiser heeft zijn stelling dat hij een vriendin heeft waarmee hij plannen heeft om zich samen in Nederland te vestigen niet met stukken onderbouwd. Hij heeft dan ook niet aangetoond dat sprake is van familie- en privéleven. Bovendien is er ter zitting medegedeeld dat eiser en zijn gestelde partner ten tijde van de zitting niet meer samenwonen. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
6. Verweerder heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van
mr. J. Dommerholt, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.