RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[naam verzoekster] , V-nummer: [V-nummer] , verzoekster
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.56928
(gemachtigde: mr. A.J. de Boer),
en
(gemachtigde: mr. R. Radema).
Procesverloop
Bij besluit van 9 juni 2026 heeft verweerder de asielaanvraag van verzoekster niet in behandeling genomen op de grond dat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag. Verzoekster heeft tegen dit besluit beroep (NL26.32255) ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening (NL26.32256) ingediend.
Bij uitspraak van 16 september 2026 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, het beroep op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kennelijk ongegrond verklaard. Bij uitspraak van diezelfde datum heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Bij verzetschrift van 24 september 2026 (door de rechtbank ontvangen op 25 september 2026) heeft verzoekster verzet ingediend bij deze rechtbank, zittingsplaats Groningen.
Bij bericht van 24 september 2026 heeft de Dienst Terugkeer en Vertrek medegedeeld dat verzoekster op 25 september 2026 om 14:35 uur met vluchtnummer KL 1967 zal worden overgedragen naar Zagreb (Kroatië). Op 24 september 2026 heeft verzoekster bezwaar gemaakt tegen de feitelijke overdracht. Op 25 september 2026 heeft verzoekster een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Daarna heeft de voorzieningenrechter het onderzoek gesloten. Vervolgens heeft de voorzieningenrechter met toepassing van artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak gedaan zonder voorafgaande zitting.
Overwegingen
Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan, indien tegen een besluit bij
de bestuursrechter beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Op grond van 8:83, vierde lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter, indien
onverwijlde spoed dat vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad, uitspraak doen zonder dat partijen worden uitgenodigd om op een zitting te verschijnen. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken aangezien het verzoek strekt tot het verkrijgen van een spoedvisum binnen 24 uur althans zo spoedig mogelijk.
2. Verzoekster is aangezegd dat zij op 25 september 2026 om 14.35 uur met vlucht KL 1967 aan Zagreb (Kroatië) zal worden overgedragen. Gelet hierop is sprake van onverwijlde spoed.
3. Ambtshalve de ontvankelijkheid van het verzoek toetsend, overweegt de voorzieningenrechter over de materiële connexiteit het volgende.
De mogelijkheid tot het maken van bezwaar krachtens artikel 72, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) tegen de feitelijke overdracht, is beperkt tot de wijze waarop van de bevoegdheid tot overdracht gebruik wordt gemaakt. Daarnaast is bij uitzondering bezwaar krachtens die bepaling mogelijk, indien de situatie ten tijde van de feitelijke overdracht dusdanig verschilt van die ten tijde van het besluit waaruit die bevoegdheid voortvloeit, dat niet langer onverkort van de rechtmatigheid van de feitelijke overdracht mag worden uitgegaan.
Volgens vaste jurisprudentie is een bezwaar als hiervoor bedoeld niet mogelijk als de in de Awb en hoofdstuk 7 van de Vw genoemde rechtsmiddelen tegen de rechtmatigheid van een besluit waaruit de bevoegdheid tot feitelijke overdracht voortvloeit, nog openstaan (onder meer de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 21 februari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ2788, van 5 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:353, en van 10 augustus 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4681)).
Met verweerder is de voorzieningenrechter van oordeel dat die situatie zich hier voordoet, nu verzoekster bij deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, verzet heeft ingediend en dit verzet daar nog aanhangig is. De voorzieningenrechter acht het onderhavige verzoek, gelet op de hiervoor genoemde jurisprudentie, daarom connex aan dat verzetschrift. Het namens verzoekster gemaakte bezwaar tegen de feitelijke overdracht merkt de voorzieningenrechter aan als aanvulling op het verzetschrift. De griffier heeft op 25 september 2026 telefonisch contact opgenomen met de juridisch adviseur van de zittingsplaats Groningen. Om logistieke redenen heeft de zittingsplaats Groningen het onderhavige verzoek niet kunnen overnemen zodat deze rechtbank en zittingsplaats zich als piketrechtbank verantwoordelijk heeft geacht voor de behandeling van het onderhavige verzoek.
4. Gelet op wat hiervoor onder 3.3 is overwogen, dient de voorzieningenrechter te beoordelen of het verzet van verzoekster een redelijke kans van slagen heeft. Daarnaast weegt de voorzieningenrechter de belangen van partijen af.
Verzoekster heeft in de gronden van het onderhavige verzoek en van het bezwaar, welke gronden worden aangemerkt als gronden van het verzet, onder meer aangevoerd dat zij als gevolg van de geplande Dublinoverdracht aan Kroatië wordt gescheiden van haar echtgenoot ( [persoon A] ), met wie zij Nederland is ingereisd en met wie zij in het asielzoekerscentrum heeft samengeleefd en gezinsleven uitoefent. In dit kader heeft verzoekster een beroep gedaan op artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. In de uitspraak van 16 september 2026 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, uitsluitend overwogen dat in het bestreden besluit niet een daartoe strekkende aanvraag is beoordeeld en dat de Dublinprocedure slechts betrekking heeft op de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming. Verzoekster heeft gemotiveerd betoogd dat deze gezinsrelatie relevant is als onderdeel van de actuele gevolgen van de feitelijke uitvoering van de overdracht omdat zij door de overdracht feitelijk van haar echtgenoot, wiens asielprocedure nog in Nederland loopt, wordt gescheiden. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het verzet in zoverre een redelijke kans van slagen, nu de gezinsrelatie ook in het kader van de Dublinprocedure een rol kan spelen.
Wat betreft de belangenafweging volgt de voorzieningenrechter verzoekster in haar betoog dat haar belang om de nog aanhangige verzetsprocedure in Nederland af te wachten zwaar weegt, ondanks dat verweerder ook een groot belang heeft om verzoekster tijdig aan Kroatië over te dragen voordat de overdrachtstermijn is verstreken (deze termijn verstrijkt op 26 september 2026). Indien verzoekster aan Kroatië wordt overgedragen voordat het verzet inhoudelijk is behandeld, verliest deze verzetsprocedure zijn praktische betekenis, aangezien zij dan ook niet eerst is gehoord en geen toelichting heeft kunnen geven op haar verzetschrift. Gelet op wat hiervoor onder 4.1 is overwogen, heeft het verzet een redelijke kans van slagen en kan niet worden uitgesloten dat het verzet alsnog tot een inhoudelijke behandeling van de asielaanvraag van verzoekster zal leiden. Een overdracht op 25 september 2026 staat op gespannen voet met het kunnen beschikken over een daadwerkelijk en effectief rechtsmiddel tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag.
Conclusie en gevolgen
5. De voorzieningenrechter wijst, gelet op het voorgaande, het verzoek toe inhoudende dat verzoekster niet aan Kroatië wordt overgedragen totdat is beslist op het verzet van 25 september 2026.
6. Omdat het verzoek wordt toegewezen, krijgt verzoekster een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 934,-. Het door verzoekster betaalde griffierecht dient ook door verweerder te worden vergoed.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- bepaalt dat verzoekster niet aan Kroatië zal worden overgedragen totdat op het verzet van 25 september 2026 is beslist;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van P. Deinum, griffier.
Het dictum van deze uitspraak is op 25 september 2026 om 13.00 uur door de griffier telefonisch meegedeeld aan partijen.
Deze uitspraak is openbaar gemaakt door publicatie daarvan op rechtspraak.nl op
28 september 2026.
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.