ECLI:NL:RBDHA:2026:28658

ECLI:NL:RBDHA:2026:28658

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 28-09-2026
Datum publicatie 28-09-2026
Zaaknummer NL25.9873
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

afwijzing mvv verblijf bij vader, niet aannemelijk gemaakt dat (-) feitelijk behoort en in het buitenland al behoorde tot het gezin van referent, omdat er vanwege het ontbreken van hechte persoonlijke banden tussen hen geen sprake is van beschermen waardig familieleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser

de minister van Asiel en Migratie,

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.9873

(gemachtigde: mr. A. Hanna),

en

(gemachtigde: mr. D.N. Dutscher).

Procesverloop

Bij besluit van 1 juli 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder de voor eiser ingediende aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van de procedure Toegang en Verblijf afgewezen. Met het bestreden besluit van 20 februari 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 17 september 2026 op zitting behandeld. De gemachtigde van verweerder is ter zitting verschenen en mr. A. Agayev, waarnemend kantoorgenoot van eisers gemachtigde, heeft telefonisch deelgenomen aan de zitting.

Overwegingen

(Totstandkoming van) het bestreden besluit

1. Eiser heeft de Egyptische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] Hij wenst verblijf bij [persoon A], zijn vader (referent). Referent heeft op 26 oktober 2023 een hiertoe strekkende aanvraag voor eiser ingediend.

Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat niet aan de voorwaarden voor het gevraagde verblijfsdoel – verblijf als familie- of gezinslid – wordt voldaan. Referent voldoet namelijk niet aan het vereiste om duurzaam en zelfstandig te beschikken over voldoende middelen van bestaan (het middelenvereiste). Verder kan eisers identiteit niet worden vastgesteld omdat zijn paspoort geen handtekening bevat. Daarnaast is niet aannemelijk gemaakt dat eiser feitelijk behoort en in het buitenland al behoorde tot het gezin van referent, omdat er vanwege het ontbreken van hechte persoonlijke banden tussen hen geen sprake is van beschermenswaardig familieleven als bedoeld in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Verweerder acht de afwijzing van de aanvraag dan ook niet in strijd met dat artikel.

Tijdens de zitting heeft verweerder het standpunt dat eiser zijn identiteit niet aannemelijk heeft gemaakt, laten vallen.

Beoordeling door de rechtbank

2. Eiser betoogt dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt stelt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij feitelijk behoort tot referents gezin. Volgens eiser is wel sprake van beschermenswaardig familieleven tussen hem en referent. In dit kader stelt eiser primair dat verweerder heeft miskend dat eiser is geboren uit een islamitisch huwelijk, althans in ieder geval uit een relatie van meer dan dertig jaar tussen referent en eisers moeder. Subsidiair stelt eiser, onder verwijzing naar de artikelen 4 en 16 van de Richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging (Gezinsherenigingsrichtlijn), dat verweerder ten onrechte vereist dat sprake is van hechte persoonlijke banden. Dit criterium is te strikt. Voor zover het criterium van de hechte persoonlijke banden wel geldt, voert eiser meer subsidiair aan dat daar in dit geval aan is voldaan. Hij stelt daartoe dat er altijd een intentie is geweest tot gezinshereniging en dat referent ondanks de afstand altijd actief betrokken is gebleven bij eiser. Zo heeft referent eiser vanaf het jaar 2009 veelvuldig in Egypte bezocht, hebben zij vaak telefonisch contact en steunt referent eiser ook financieel. Eiser benadrukt verder dat de scheiding met referent onvrijwillig was en dat er herhaaldelijk pogingen tot gezinshereniging zijn gedaan.

Op grond van artikel 2p, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 kan verweerder een machtiging tot voorlopig verblijf verlenen aan de vreemdeling ten aanzien van wie is aangetoond dat hij voldoet aan de vereisten voor toegang en verlening van een verblijfsvergunning.

Op grond van artikel 3.13, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met verblijf als familie- of gezinslid, verleend aan het in artikel 3.14 genoemde gezinslid van de in artikel 3.15 bedoelde hoofdpersoon, indien wordt voldaan aan alle in de artikelen 3.16 tot en met 3.22a genoemde voorwaarden.

In artikel 3.14, aanhef en onder c, van het Vb staat dat de verblijfsvergunning wordt verleend aan het minderjarige biologische of juridische kind van de hoofdpersoon, dat naar het oordeel van verweerder feitelijk behoort en reeds in het land van herkomst feitelijk behoorde tot het gezin van de hoofdpersoon en dat onder het rechtmatige gezag van hem staat.

Volgens het beleid van verweerder dat is neergelegd in paragraaf B7/3.2.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc), zoals dit gold ten tijde van belang, neemt verweerder aan dat het kind feitelijk behoort en al in het buitenland behoorde tot het gezin van de referent, zoals bedoeld in artikel 3.14, aanhef en onder c, Vb als tussen het kind en de referent sprake is van gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM.

Uit paragraaf B7/3.8.1. van de Vc volgt dat verweerder in ieder geval aanneemt dat sprake is van familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM tussen ouders en hun uit een reëel huwelijk of niet-huwelijkse relatie geboren minderjarige kinderen. Tussen een biologische vader en een minderjarig kind dat niet uit een reëel huwelijk of niet-huwelijkse relatie is geboren, moet voor het kunnen aannemen van familie- of gezinsleven uit feiten en omstandigheden blijken dat sprake is van hechte persoonlijke banden.

De rechtbank is allereerst van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft geconcludeerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij is geboren uit een reëel huwelijk of uit een relatie die met een huwelijk op één lijn te stellen is. Daartoe is van belang dat eiser op geen enkele manier heeft onderbouwd dat zijn moeder en referent (religieus) zijn gehuwd zijn geweest of zelfs maar een relatie met elkaar hebben gehad.

Verweerder heeft vervolgens beoordeeld of er familie- of gezinsleven tussen eiser en referent aangenomen kan worden op grond van het bestaan van hechte persoonlijke banden.

In dit kader overweegt de rechtbank in de eerste plaats dat eiser niet wordt gevolgd in zijn betoog dat verweerder aldus een te strikt criterium heeft gehanteerd dat in strijd zou zijn met de artikelen 4 en 16 van de Gezinsherenigingsrichtlijn. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2366, waarin is verwezen naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 1 juni 2004 in de zaak L. tegen Nederland, ECLI:CE:ECHR:2004:0601JUD004558299. Uit dat arrest volgt dat - als sprake is van een kind dat niet is geboren uit een huwelijk of een met het huwelijk op één lijn te stellen relatie - enkel biologische verwantschap onvoldoende is om beschermenswaardig gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM tussen een biologische vader en zijn kind aan te nemen. Het al dan niet bestaan van beschermenswaardig gezinsleven is in essentie een kwestie van feitelijke aard en afhankelijk van het daadwerkelijk bestaan van hechte persoonlijke banden. De invulling die verweerder in de Vc aan het begrip ‘gezinsleven’ geeft, is, zo stelt de Afdeling, in overeenstemming met de jurisprudentie van het EHRM. De rechtbank sluit zich hierbij aan. Het arrest van het EHRM van 19 februari 1996 in de zaak Gül tegen Zwitserland, no. 23218/94, waarnaar eiser in dit kader heeft verwezen, is niet van toepassing op eisers situatie. Die zaak zag immers op de situatie dat het kind was geboren uit een huwelijk of een hiermee op één lijn te stellen relatie. Gelet op het voorgaande heeft verweerder terecht beoordeeld of tussen eiser en referent sprake is van hechte persoonlijke banden.

De rechtbank overweegt dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hechte persoonlijke banden bestaan tussen hem en referent. Verweerder weegt in dit verband terecht mee dat eiser en referent al zeventien jaar niet samenwonen. Referent woont al die tijd immers in Nederland, terwijl eiser in Egypte is blijven wonen. De stelling in beroep dat referent in de periode van 2009 tot 2015 maandelijks voor een weekend naar Egypte is gereisd om eiser te bezoeken en dat dit gelijkgesteld kan worden met samenwonen, volgt de rechtbank niet, reeds omdat eiser de gestelde maandelijkse bezoeken geenszins heeft onderbouwd. Ook de gestelde bezoeken in de periode 2015 tot 2019 heeft verweerder niet hoeven volgen. Hoewel uit de reisstempels in het paspoort van referent volgt dat hij in deze periode meermalen naar Egypte is gereisd, stelt verweerder terecht dat daarmee niet is onderbouwd wat het doel van deze reizen was en meer specifiek of referent eiser toen heeft bezocht. Dat sprake is van een onvrijwillige scheiding tussen eiser en referent, volgt de rechtbank niet. Eiser stelt dat referent zich vanwege werkverplichtingen in Nederland niet in Egypte kan vestigen. Verweerder wijst er echter terecht op dat deze stelling niet is geconcretiseerd of onderbouwd, zodat daar niet vanuit gegaan kan worden. Verweerder kan verder worden gevolgd in zijn standpunt dat uit de overgelegde screenshots van telefoon- en chatgesprekken niet kan worden afgeleid dat sprake is van intensief contact tussen eiser en referent. Verweerder merkt terecht op dat, omdat namen ontbreken, niet duidelijk is tussen wie deze communicatie heeft plaatsgevonden. Verder ziet het overzicht op een heel korte periode – namelijk 21 augustus tot en met 19 september 2024 – en gaat het voor een groot deel om (gemiste) oproepen waarvan de inhoud onbekend is. Over de twee overgelegde foto’s heeft verweerder opgemerkt dat deze ongedateerd zijn en dat er bovendien geen uitleg bij de foto’s is gegeven. Ten aanzien van de gestelde financiële steun wijst verweerder er terecht op dat er maar een paar bewijsstukken van geldbetalingen zijn overgelegd en dat dit onvoldoende is om aan te nemen dat er over een periode van ruim zeventien jaar regelmatig financiële steun zou zijn geboden. Gezien het voorgaande is niet aannemelijk geworden dat eiser en referent altijd de intentie hebben gehad om zich op den duur weer te herenigen met elkaar. Omdat de mvv-aanvraag van 26 oktober 2023 de eerste gezinsherenigingsaanvraag voor eiser is, is ook niet gebleken van herhaalde pogingen tot hereniging zoals eiser in de gronden van beroep stelt.

Uit het bovenstaande volgt dat verweerder op goede gronden heeft geconcludeerd en deugdelijk heeft gemotiveerd dat tussen eiser en referent geen sprake is van hechte persoonlijke banden. Verweerder heeft daarom terecht aangenomen dat er geen familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM bestaat tussen eiser en referent en, om die reden, dat eiser niet feitelijk behoort tot het gezin van referent.

De beroepsgrond slaagt niet.

3. Verweerder heeft reeds vanwege het niet voldoen aan de voorwaarde van het feitelijk behoren tot het gezin van referent, de aanvraag kunnen afwijzen. De rechtbank komt daarom niet meer toe aan de bespreking van de gronden van eiser over de tegenwerping van het niet voldoen aan het middelenvereiste.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder de aanvraag van eiser terecht heeft afgewezen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Bos, rechter, in aanwezigheid van mr. C.L. Rademakers - Heins, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. C.E. Bos

Griffier

  • mr. C.L. Rademakers - Heins

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand