RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.20904
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. A. Simicevic),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 12 mei 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser
om afgifte van een verblijfsdocument als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de
Vreemdelingenwet 2000 (Vw), waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan
blijkt, afgewezen.
Bij besluit van 14 mei 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek is bij de rechtbank geregistreerd onder zaaknummer NL24.20907.
De rechtbank heeft het beroep op 2 juli 2026 op zitting behandeld. Partijen zijn, met bericht van afmelding, niet verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. Eiser is geboren op [geboortedatum 1] en heeft de Algerijnse nationaliteit. Eiser heeft een relatie gehad met [persoon A] (hierna: de moeder). Zij heeft de Franse nationaliteit. Uit deze relatie is een zoon geboren: [minderjarige] (hierna: [minderjarige]). [minderjarige] is geboren op [geboortedatum 2] 2014 en heeft eveneens de Franse nationaliteit.
Eiser beoogt verblijf bij zijn zoon en heeft daartoe op 1 oktober 2020 een verblijfsaanvraag ingediend. Bij besluit van 22 november 2021 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. In de uitspraak van 22 december 2022 (met het zaaknummer NL21.18377), heeft deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit van 22 november 2021 vernietigd voor zover het betreft het achterwege laten van een toetsing aan artikel 8 van het EVRM, en verweerder opgedragen om binnen acht weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak. Verweerder heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.
Bij besluit van 27 maart 2023 heeft verweerder het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. Verweerder heeft op 27 juli 2023 meegedeeld het hoger beroep te zullen intrekken. Bij besluit van 14 mei 2024 heeft verweerder het bezwaar wederom ongegrond verklaard.
Het bestreden besluit
2. Verweerder heeft, onder verwijzing naar het primaire besluit van 12 mei 2021, het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en hem geen verblijfsrecht toegekend op grond van artikel 20 van het VWEU en het arrest Chavez-Vilchez. Volgens verweerder bestaat er tussen eiser en [minderjarige] gezinsleven zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM, maar valt de gemaakte belangenafweging in het nadeel van eiser uit. Daarbij heeft verweerder zwaar in het nadeel van eiser meegewogen dat hij een gevaar vormt voor de openbare orde. Het plegen van ernstige misdrijven duidt er volgens verweerder op dat eiser op geen enkele wijze rekening houdt met de normen en waarden van de Nederlandse samenleving. Dit doet volgens verweerder tevens afbreuk aan de hechtheid van zijn sociale en culturele banden met Nederland. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de banden van eiser met Algerije sterker zijn dan die met Nederland. In het kader van het economisch belang heeft verweerder meegewogen dat eiser niet voldoet aan het inkomensvereiste. Eiser verricht geenarbeid en het is onzeker of hij in de toekomst zal kunnen deelnemen aan de arbeidsmarkt. Daarnaast heeft verweerder meegewogen dat eiser een beroep zal doen op de algemene middelen. Verder weegt verweerder in het nadeel van eiser mee dat hij voor langere tijd onrechtmatig in Nederland heeft verbleven en tijdens dit onrechtmatige verblijf familie- en gezinsleven is aangegaan. Tot slot is verweerder niet gebleken van een objectieve of subjectieve belemmering om het gezinsleven in Algerije uit te oefenen.
Verder stelt verweerder zich op het standpunt dat hij, gelet op hetgeen in de uitspraak van 22december 2022 is geoordeeld, niet gehouden was de aanvraag van eiser opnieuw te toetsen aan het arrest Chavez-Vilchez.
Beroepsgronden
3. Eiser betoogt allereerst dat onduidelijk is welke overwegingen uit het primaire besluit door verweerder worden gehandhaafd. Daarbij wijst eiser erop dat in de uitspraak van 22 december 2022 is geoordeeld dat het verweerschrift, voor zover dit diende als aanvulling op het besluit van 22 november 2021, onvoldoende was gemotiveerd.
Ten aanzien van de door verweerder gemaakte belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM voert eiser het volgende aan. Volgens eiser heeft verweerder geen inzage gegeven in de meest recente versie van de justitiële documentatie die verweerder aan hem tegenwerpt in het kader van de bescherming van de openbare orde. Verweerder heeft volgens eiser onvoldoende onderzocht of en op welke wijze eiser inmiddels zijn leven heeft gebeterd. Verder stelt eiser dat niet relevant is of hij aan het inkomensvereiste voldoet maar of hij daadwerkelijk een beroep heeft gedaan op de algemene middelen, wat eiser dus niet heeft gedaan. Verweerder heeft niet nader onderbouwd of gemotiveerd waarom de verwachting is dat eiser in de toekomst wel een beroep op de algemene middelen zal moeten doen. Eiser voert daarnaast aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom geen sprake is van inmenging in het gezinsleven. Evenmin heeft verweerder onderzocht in hoeverre eiser nog daadwerkelijk banden heeft met Algerije. Verder voert eiser aan dat hij de omgangsregeling met zijn zoon inmiddels wel naleeft. Verweerder is ook voorbijgegaan aan de belangen van het minderjarige kind. Verder wijst eiser erop dat hij vanwege het inreisverbod Nederland niet kan inreizen. Hierdoor kunnen eiser en [minderjarige] elkaar voor langere tijd niet zien.
Juridisch kader
4. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) over de toetsing van een belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM, bijvoorbeeld de uitspraak van 25 augustus 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:2485), volgt dat de rechter moet toetsen of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken en, als dit het geval is, of hij zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat die afweging heeft geresulteerd in een ‘fair balance’ tussen het belang bij de uitoefening van het familieleven en het privéleven van de vreemdeling in Nederland en het Nederlands algemeen belang dat is gediend bij het uitvoeren van een restrictief toelatingsbeleid.
5. Bij een belangenafweging waarin openbare-ordeaspecten een rol spelen, zoals in de onderhavige zaak, heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in de arresten van 2 augustus 2001, Boultif (ECLI:CE:ECHR:2001:0802JUD005427300) en van 18 oktober 2006, Üner (ECLI:CE:ECHR:2006:1018JUD004641099), de criteria benoemd die daarbij moeten worden betrokken. Hiertoe behoren onder meer de aard en de ernst van het gepleegde misdrijf, de gedragingen van de betrokken vreemdeling gedurende die tijd en de hechtheid van de sociale, culturele en familiebanden van de betrokken vreemdeling met het gastland en het land van herkomst. De toetsing door de rechter dient enigszins terughoudend te zijn.
Beoordeling door de rechtbank
De rechtbank volgt eiser allereerst niet in zijn betoog dat onduidelijk is welke overwegingen uit het primaire besluit van 12 mei 2021 door verweerder zijn gehandhaafd. De overweging van de rechtbank in de uitspraak van 22 december 2022 – dat het verweerschrift van verweerder onvoldoende was – zag op het standpunt van verweerder dat een toetsing aan artikel 8 van het EVRM achterwege kon blijven. Verweerder heeft hier verder niets over gesteld in het primaire besluit. De rechtbank heeft in de uitspraak van 22 december 2022 geoordeeld dat het primaire besluit wordt vernietigd voor zover het betreft het achterwege laten van een toetsing aan artikel 8 van het EVRM. Voor het overige staat het primaire besluit dus in rechte vast. Zonder nadere onderbouwing van eiser ziet de rechtbank niet waarom onduidelijk zou zijn welke onderdelen van het primaire besluit in het bestreden besluit worden gehandhaafd.
De rechtbank is daarnaast van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt stelt dat de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM in het nadeel van eiser uitvalt. De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM kenbaar heeft verricht aan de hand van de criteria zoals opgenomen in de arresten Boultif en Üner. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank alle relevante belangen onderkend en tegen elkaar afgewogen. Hierbij heeft verweerder ten eerste in eisers nadeel kunnen meewegen dat hij wederom is veroordeeld voor het plegen van misdrijven. Hoewel de meest recente versie van de justitiële documentatie waaruit dit zou moeten blijken, niet aan het dossier is toegevoegd, betwist eiser niet dat hij opnieuw is veroordeeld. Van deze veroordelingen mag bovendien worden aangenomen dat eiser daar zelf ook mee bekend is. De rechtbank volgt daarom niet de stelling van eiser dat verweerder deze informatie eerst aan eiser had moeten voorleggen.
Ten aanzien van de banden van eiser met Nederland heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat deze de banden van eiser met Algerije niet overstijgen. Verweerder heeft zich hierbij op het standpunt kunnen stellen dat het herhaaldelijk plegen van ernstige misdrijven erop wijst dat eiser geen rekening houdt met de normen en waarden van de Nederlandse samenleving. Daarnaast heeft verweerder kunnen betrekken dat eiser een groter deel van zijn leven in Algerije dan in Nederland heeft gewoond en dat hij hier bovendien nooit rechtmatig verblijf heeft gehad. Waarom verweerder onvoldoende zou hebben onderzocht of eiser nog daadwerkelijk banden met Algerije heeft, heeft eiser niet nader onderbouwd. Ook heeft verweerder niet ten onrechte zwaar in het nadeel van eiser meegewogen dat hij geen arbeid verricht en dus niet aan in het inkomensvereiste voldoet. Verweerder heeft daarbij ook kunnen betrekken dat eiser, indien hij verblijfsrecht zou verkrijgen, een beroep zal moeten doen op de algemene middelen. Dat eiser daar momenteel geen beroep op doet, leidt niet tot een andere conclusie. Verder heeft verweerder kunnen betrekken dat hoewel er tussen eiser en [minderjarige] een omgangsregeling is getroffen, uit de overgelegde stukken niet is gebleken dat eiser daar feitelijke invulling aan geeft. In het antwoord op de schriftelijke vragen van 8 februari 2024 heeft eiser weliswaar gesteld dat hij zijn zoon twee keer in de vijftien dagen ziet, maar hij heeft deze stelling niet met stukken onderbouwd. Daarnaast heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat, gelet op de beperkte omvang van de omgangsregeling, niet kan worden uitgegaan van een intensief gezinsleven. Voor zover eiser betoogt dat, ondanks dat niet van een intensief gezinsleven kan worden uitgegaan, aan de belangen van [minderjarige] een groter gewicht hadden moeten worden toegekend, heeft eiser dit niet nader onderbouwd. Indien eiser van mening is dat het inreisverbod in strijd is met artikel 8 van het EVRM, kan hij een aanvraag tot opheffing van het inreisverbod indienen.
De beroepsgronden slagen niet.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.