[naam], eiser,
V-nummer: [v-nummer:],
(gemachtigde: mr. F.A. Broersma),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: A.N. Sap).
Inleiding
1. De minister heeft op 2 juli 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
2. De minister heeft op 18 september 2026 een kennisgeving voortduring bewaring aan de rechtbank verzonden. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop op 22 september 2026 gereageerd. De minister heeft op 24 september 2026 een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek op 28 september 2026 gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 13 juli 2026 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of de maatregel van bewaring rechtmatig is sinds het sluiten van dat onderzoek op 10 juli 2026.
4. Als de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
Wat vindt eiser?
5. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gehandeld, omdat de presentatie op 8 september 2026 zonder opgave van reden niet is doorgegaan. Dat komt volgens eiser voor rekening van de minister. Eiser verzoekt daarom de bewaring op te heffen en schadevergoeding toe te kennen vanaf 8 september 2026.
Oordeel rechtbank
6. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. De minister heeft in zijn verweerschrift toegelicht dat er op 8 september 2026 een presentatie in persoon bij de Libische autoriteiten stond gepland en dat eiser niet bij deze presentatie is verschenen. In het verweerschrift heeft de minister toegelicht dat eiser diezelfde dag alsnog schriftelijk is gepresenteerd en dat momenteel wordt gewacht op een reactie van de autoriteiten. Verder blijkt uit de voortgangsrapportage dat sinds het sluiten van het onderzoek in de vorige procedure vijf keer is gerappelleerd op de lp-aanvraag, waarvan één keer telefonisch. Ook blijkt dat op 10 augustus 2026 en op 21 augustus 2026 een vertrekgesprek met eiser is gevoerd. De rechtbank acht deze gehele gang van zaken voldoende voortvarend.
7. De rechtbank ziet ook voor het overige geen grond voor het oordeel dat de
maatregel van bewaring in de periode tussen het sluiten van het vorige onderzoek en het sluiten van het onderhavige onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, rechter, in aanwezigheid van
mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.